‘Ontmoetingen’ in het Russische (3)

In mijn stamkroeg hangt met enige regelmaat een figuur rond dat zich aan menigeen opdringt om zijn levensverhaal over hen uit te storten. Het is zo iemand die alleen over zichzelf praat, slecht luistert en niks vraagt. Mensen ‘ontmoeten’ noemt hij dat zonder enige ironie.

Nu heb ik de betekenis van het woord ‘ontmoeten’ opgezocht. Een greep uit de definities: iemand tegenkomen en persoonlijk contact hebbenbij elkaar komen en elkaar zienmet iemand kennismaken en een gesprek voeren, (toevallig) tegenkomen etc. Als ik het zo lees, klinkt het vooral heel gezellig en is er geen sprake van dwang van welke aard dan ook, maar wel van toeval. Taaltechnisch gezien lijkt de ‘kroegontmoeter’ een beetje gelijk te hebben en mag hij het ontmoeten noemen: er is sprake van persoonlijk contact, kennismaken, een gesprek voeren etc. Mijns inziens verwart hij het echter met ‘je aan iemand opdringen’. Een inbreker ‘ontmoet’ jou toch ook niet in je eigen huis? Of jij hem? Die betrap je. Of je treft hem aan.

Vanwaar dit relaas, zul je je wellicht afvragen. Wel, dit is het derde stuk in de reeks ‘Ontmoetingen in het Russische’ en de ‘ontmoeting’ waar je weldra over gaat lezen, is verre van vrijwillig en in mijn ogen dus geen echte ontmoeting. Ik had echter geen zin om de naam van deze verhalenreeks aan te passen, al was dat bij nader inzien minder werk geweest dan mijn gedachtenspinsels hierover verduidelijken. Goed, het gaat dus over een ontmoeting die geen ontmoeting is.

Het is druk bij de gate en alle stoelen zijn dan ook bezet. Ik ben voor mijn doen ongewoon vroeg. Mijn vlucht gaat pas over anderhalf uur. De aansluiting in de metro was perfect, ik haalde de vroege trein naar het vliegveld, ik was in vijf minuten door de douane heen en de paspoortcontrole nam ook maar vijf minuten in beslag.

De stoelen die vrij lijken te zijn worden door ernaast zittende reizigers angstvallig bezet gehouden voor bekenden door er een voorwerp op te laten liggen. Ik weiger preventief die boodschap te begrijpen. Enkele malen vraag ik uitdrukkelijk of de betreffende stoel, waarop een tas, een koffer, een speelgoedtreintje of een pakje kauwgom (ik verzin het niet) ligt, vrij is. Een nee-schuddend hoofd is steevast het antwoord. In dit soort situaties ben ik gewoonweg niet brutaal genoeg. Ik zou natuurlijk gewoon die rommel eraf moeten gooien en neer moeten ploffen. Universele ongeschreven regels voor stoelen op vliegvelden bestaan niet.

Na een minuut of wat rondgeslenterd te hebben, zie ik iemand opstaan uit zijn stoel. Ik bedenk me geen moment en plof meteen neer. De eerste paar seconden wacht ik quasi-stoïcijns doch gedwee op een reactie van links of rechts, die gelukkig uitblijft. De zestiger rechts van me staat na een tijdje op en loopt weg. De tengere veertiger, die weer rechts van hem zit (twee stoelen naar rechts dus vanuit mijn positie bezien), heeft de opdracht gekregen of zichzelf hiermee belast (na de hieronder beschreven geschiedenis verdenk ik hem van het laatste) om de vrijgekomen stoel met hand en tand te verdedigen, althans, dat is wat hij gaat doen.

Maar het is druk, heel druk. Met andere woorden, om de pak ‘m beet dertig seconden probeert iemand de vrijgekomen stoel te bezetten. Steevast worden hun pogingen daartoe door mijn bijna-buurman beantwoord met een gestrekte arm over de zitting of een hand op hun achterwerk indien nodig. Als ze geschrokken en verontwaardigd omkijken, maakt hij een vegend gebaar met zijn hand, waarvan de rug naar buiten gekeerd is: ‘Oprotten, deze stoel is bezet’ is de onuitgesproken maar heldere boodschap. Terwijl ik intussen aan het bellen geslagen ben ‒ je moet iets doen om de tijd te doden en er is niet voor niets wifi op het vliegveld ‒ en het tafereel met verborgen interesse gadesla, vraag ik me af hoelang mijn Russische buurman deze strijd vol gaat houden.

Op het moment dat ik me dat afvraag ploft een beer van een kerel, die net tussen de leuningen van de stoel past, neer. Aanvankelijk lijkt de Rus het te hebben opgegeven en zijn meerdere te hebben erkend in de kolos die ons nu van elkaar scheidt. Niets is echter minder waar. Hij begint de beer aan te tikken en te manen om weg te gaan. De gezette kerel kijkt hem aan, haalt zijn schouders op en blijft zitten. Het aantikken verandert in duwen waardoor er een subtiel handgemeen ontstaat. “Volgens mij gaan ze zo vechten hier”, deel ik mee aan de vriendin die zich aan de andere kant van de lijn in een warm, knus huis in Nederland bevindt. Van weerskanten worden er nu duwen en afwerende gebaren uitgedeeld, terwijl ik er nog altijd pal naast zit.  De situatie komt me nogal absurdistisch voor en hoewel ik er het vermakelijke wel van inzie, word ik er ook wat gespannen van.

Na een minuut of vijf praten, ruziën, duwen en trekken geeft de beer het toch op. Hij staat op en loopt hoofdschuddend weg. De veertiger die vliegveldstoelen blijkbaar tot zijn persoonlijke domein rekent, schuift een plaats op en gaat zitten in de stoel die hij zojuist met succes verdedigd heeft. Met andere woorden, hij gaat naast mij zitten.

Terwijl ik nog aan het telefoneren ben, word ik herhaaldelijk tegen mijn bovenarm aan getikt. Als ik naar rechts kijk, word ik door de (bezopen?) Rus aangestaard. “One moment, one moment”, zegt hij met een sterk Oost-Europees accent. Ik maak een afwerend gebaar, zeg iets tegen hem in het Nederlands ‒ ik wil hem vooral niet de indruk geven dat we in dezelfde taal kunnen communiceren ‒ in de trant van ‘rot op’ of ‘laat me met rust’ of ‘je ziet toch dat ik aan het bellen ben’ en probeer zo onverstoord mogelijk mijn telefoongesprek voort te zetten. Zijn pogingen om mijn aandacht te trekken worden dwingender: hij probeert het boek, dat ik opengeslagen op mijn schoot heb liggen, dicht te slaan en de hand waar mijn telefoon in rust bij mijn oor weg te trekken. Ik duw zijn handen weg, scheld hem uit en beschrijf de onwerkelijke situatie ondertussen via een draadloze verbinding aan iemand 2500 kilometer verderop. Het wordt nog gekker.

De gek toont me zijn rechterhand waarop zich in het midden een klein, rond, rood plekje bevindt. Vervolgens pakt hij een aansteker, laat een vlam eruit ontspringen en houdt zijn hand pal boven de vlam, mij tegelijkertijd intimiderend aankijkend (en met er pal boven bedoel ik een centimeter). Dan reikt hij mij de aansteker aan: “You take, you take!”

Wat is dit? Een wedstrijdje wie het stoerst is? Intussen ben ik nog steeds aan het bellen en probeer ik zo ontspannen mogelijk te acteren. De situatie voelt al behoorlijk onaangenaam, maar ik wil me ook niet zomaar gewonnen geven. Maar ja, hoelang ben je bereid een situatie te ondergaan waaruit geen winst te halen valt? Ik vijf minuten, weet ik nu. Ik ben de gestoorde Rus zat, kijk op mijn horloge alsof het tijd is me naar elders te verplaatsen en alsof ik me helemáál niet weg laat jagen wat natuurlijk wel het geval is, sta op en loop weg. Toevallig begint op dat moment ook het boarden voor mijn vlucht naar Düsseldorf.

Je zal zien dat die lul bij mij in het vliegtuig zit, dat ie náást me in het vliegtuig zit! Terwijl ik aansluit in de rij blijf ik hem met een schuin oog in de gaten houden. Verdomme, hij staat op. Het zal toch niet… Maar gelukkig, hij loopt een bar in en al snel verlies ik hem uit het oog. Het is mijn laatste ‘ontmoeting’ met een Rus tijdens deze vakantie.

Misschien hanteren ze in Rusland dezelfde definitie van ontmoeten als die opdringerige kerel in mijn stamkroeg en is wat onschuldig doch ongevraagd vermaak bieden met je aansteker aan een vreemde op het vliegveld een goede gewoonte. Het voordeel is: van een gek kun je weglopen. Het levensverhaal van een ‘ontmoeter’ daarentegen is in vijf minuten niet verteld.

© Sjaak van Haaster – Tekstbureau de Taalformule