De Skoda-fabriek

In de regel geldt: hoe groter het bedrijf, hoe moeilijker je je lading kwijtraakt. Toen ik aankwam bij de Skoda-fabriek in Mlada Boleslav, stuurde de grijze Tsjechische portier me door naar een andere ingang. Drie rotondes rechts. Kijk, dat is nog eens een groot bedrijf.

Het was vier uur ’s ochtends en mijn nachtelijke rit was naar omstandigheden zeer voorspoedig verlopen. In het binnenland, langs de flanken van het Ertsgebergte, stuitte ik op een mist zo dik als erwtensoep. De navigatie leidde me over een heuvelachtig bosweggetje dat zo smal was, dat ik aan beide zijden van de auto nog zo’n halve meter asfalt over had. Het zicht was niet meer dan een meter of twee. Zo kwam ik in de bizarre situatie dat ik op de navigatie zag dat de weg een haakse bocht naar rechts maakte, maar ik deze bocht door de voorruit niet kon zien. Dit probleem loste ik op door het zijraam neer te laten, mijn hoofd uit het raam te hangen en naar de rand van het asfalt te kijken, terwijl ik de auto behoedzaam en stapvoets door de bocht manoeuvreerde. Luttele kilometers verder stuitte ik bij een wegopbreking op een rood stoplicht (ik verkies het stoplicht altijd boven het verkeerslicht; doorrijden is de norm, stoppen de hinderlijke uitzondering die benoemd moet worden). Ik besloot mijn Hollandse ongehoorzaamheid te onderdrukken en braaf te wachten tot het licht op groen zou springen. Intussen passeerde er in tegenovergestelde richting geen enkel voertuig. Hoelang duurt het voordat je gaat overwegen om toch door rood te rijden? Een minuut? Twee minuten? Vijf minuten? Als je om twee uur ’s nachts op een verlaten landweggetje in Tsjechië voor een rood verkeerslicht staat te wachten: snel. En veelvuldig. Niettemin onderdrukte ik de hardnekkige impuls en mijn geduld werd na vijf minuten beloond (of niet nog langer afgestraft). Bij het verlaten van de heuvels verdween ook de mist.

Bij de loketten van de Skoda-fabriek – het waren er in totaal een stuk of tien – werd mij gevraagd om een specifiek formulier. Ik had geen flauw idee welk formulier ze bedoelden. Een jongeman van dienst bleek niet van zins mij een beetje op weg te helpen. Ik probeerde het in het Duits, Engels en Russisch. Bij iedere poging keek hij me niet-begrijpend aan en ratelde een Tsjechische brij terug die ik niet lustte, om vervolgens zijn schouders op te halen en doodleuk een andere chauffeur aan een naburig loket te gaan helpen, niet alvorens hij mij belachelijk maakte bij enkele vrouwelijke collega’s, waar zichtbaar om gelachen werd – je hoeft elkaar niet altijd te verstaan om elkaar te begrijpen. Ik besloot mijn geluk te beproeven bij een ander loket waar een kolossale vrouw van middelbare leeftijd, type sovjet-fossiel, ogenschijnlijk niets aan het doen was. Ook zij was echter weinig bereidwillig om die rare Nederlander, die bizar genoeg geen woord Tsjechisch sprak, een duwtje in de goede richting te geven. Uiteindelijk werd mijn geval intern besproken, gewogen en zwaar genoeg bevonden; ze moesten toch wel iets met mij. Dus toonde een van de weinig welwillende vrouwen zich bereid om mee te lopen naar mijn busje. Wat bleek: ergens op het pallet dat achterin mijn auto stond, zat een formulier geplakt en dat hadden ze nodig. Er volgden nog wat irritaties over en weer; het post-communistische gedrocht maakte mij duidelijk dat ik mijn kenteken in moest vullen door met een pen onnodig hard op de afbeelding van een vrachtauto te hameren (op het Engelstalige formulier stond écht iets anders!).

Ik kreeg een buzzer mee die zou gaan trillen wanneer het tijd was om te lossen en een plattegrond waarop stond aangegeven waar ik de lading moest droppen en waar ik voorafgaand diende te parkeren – zonder plattegrond kwam ik hier niet levend weg. Op de betreffende parkeerplaats wachtte ik ontmoedigd en uitgeput tot dat rare apparaatje ging trillen. Een vrachtwagen die na mij aansloot, werd voor mij door de roldeur binnengelaten. Na een half uur was het mijn beurt. De twee vrouwen in het magazijn keurden me geen blik waardig. De een telde tot vijf keer toe het aantal dozen op het pallet – ik telde mee, verzekerde haar ervan dat het er echt 34 waren, maar daar had ze uiteraard geen boodschap aan – de ander plempte een stempel op een formulier dat ik bij het verlaten van het terrein tezamen met de buzzer weer moest inleveren bij een van de talloze loketten (maar welke?!).

Mijn lijdensweg bereikte zijn apotheose toen ik het terrein wilde verlaten. Om terug te keren naar de loketten, moest ik door een elektronisch poortje. Een beveiliger, die het ding op zeer korte afstand (enkele meters) bediende, liet me niet passeren. Op mijn vragende blik kon hij enkel uitbrengen: ‘signaalvest!’ Oftewel, ik had geen veiligheidshesje aan en dat was ten strengste verboden op het terrein van de Skoda-fabriek. Op mijn pogingen hem ervan te overtuigen het poortje voor me te openen, omdat het maar zo’n twintig meter lopen was over een superveilig trottoir naar de ingang van het gebouw waar de loketten zich bevonden, omdat ik al een uur op hun godvergeten fabrieksterrein was zonder zo’n klotehesje aan te hebben en ik het terrein nu juist áfging, herhaalde hij slechts dat ene woord. Dat hele drommen Skoda-werknemers zonder ‘signaalvest’ het terrein ópgingen, deed er volgens hem niet toe: ik was chauffeur en chauffeurs dienden een ‘signaalvest’ te dragen. Op de vraag hoe ik dan aan zo’n kloteding kwam, haalde hij verveeld zijn schouders op.

Ik ontplofte. Twee uur aan onafgebroken vernederingen waren er te veel aan geweest. Ik schold hem uit voor alles wat in me opkwam. Eerst in het Engels, daarna in het Duits, daarna in het Russisch, daarna gewoon in het Nederlands. Eerst wilde ik dat hij er iets van verstond, daarna interesseerde me dat ook niet meer en koelde ik enkel nog mijn woede op hem. Hij vertrok geen spier, negeerde me domweg en bleef onvermurwbaar. Dit waren de échte vijanden van het volk – om in communistische termen te spreken –die standrechtelijk geëxecuteerd dienden te worden.

Ondanks mijn woede-uitbarsting maakten twee elektronen in mijn hersenen met elkaar contact, legden een nieuwe verbinding en transporteerden die van mijn onderbewuste naar het deel van mijn hersenen dat nog niet geblokkeerd was door totale razernij: hé, wacht eens, heb ik niet zo’n ding in mijn auto onder de stoel liggen? Ik brak mijn scheldkanonnade af, liep naar mijn auto die tweehonderd meter verderop geparkeerd stond, stak mijn hoofd onder de stoel, en ja, hoor: in een nog nooit geopend, transparant plastic zakje trof ik een fel oranje veiligheidshesje aan.

De beveiligingsidioot, die gezien zijn zwakzinnige starheid in communistisch Tsjechië voor de geheime dienst moest hebben gewerkt, liet me zonder morren passeren. Ik heb hem niet kunnen betrappen op enige emotie, laat staan menselijkheid. Ik leverde de hele teringzooi in bij twee verschillende loketten – hoe kon ik denken dat dat bij een en hetzelfde loket zou kunnen? – haalde mijn auto en reed naar de slagboom teneinde deze hel op aarde voorgoed te verlaten. Bij de slagboom werd me te verstaan gegeven dat ik mijn auto ergens anders had moeten parkeren. Ik had hem nu op de parkeerplaats voor het personeel gezet, dat was natuurlijk niet de bedoeling. De parkeerplaats voor chauffeurs bevond zich tweehonderd meter verder. Ik onderging de berisping gelaten, telde in mijn hoofd tot tien, of twintig, of honderd, en wachtte op het omhooggaan van de slagboom. Zo verliet ik na twee-en-een-half uur het Skoda-terrein. Het was half zeven in de ochtend en het vroor twee graden. Nu moest ik nog een hotel vinden.

© Sjaak van Haaster

 

Relatieve ellende

Daar lag ik, naakt, op m’n rug, onderaan de zoldertrap. Meteen voorvoelde ik dat deze seconde van onachtzaamheid me duur zou komen te staan. Het kastje op de overloop gaf minder mee dan mijn lichaam. In een reflex greep ik naar mijn vierde teen, die bebloed was en onnatuurlijk naar beneden wees. Ik voelde een rare bobbel en van een eerdere ervaring had ik geleerd dat je een teen die uit de kom is geraakt beter zo snel mogelijk weer terug op z’n plaats kan zetten, bij voorkeur voor de adrenaline is weggezakt en zijn pijnstillende werking verdwijnt. De vorige keer ging dat met een klein knakje en vrijwel pijnloos. Nu kreeg ik er geen beweging in en langzaam voelde ik de pijn opzwellen. Een minuut geleden was ik uit bed gegaan om nog een laatste plas te doen voor het slapengaan en nu lag ik hier, na een kleine misstap, terwijl een lichte wanhoop zich van mij meester maakte. Was het gebroken of gekneusd? Kon ik nog wel lopen, fietsen, werken? En zo nee, hoelang niet? En hoeveel inkomsten zou ik daardoor mislopen?

De dienstdoende weekendarts in Zwolle, wiens spreekkamer ik om een uur ’s nachts hinkend en ondersteund door mijn vriendin binnenzwoegde, stelde me gerust: het was niet gebroken. Als ik over enkele dagen een stevige schoen aan zou trekken, kon ik mijn voet wel weer belasten. Hij spalkte de teen met wat tape en enigszins gerustgesteld keerde ik huiswaarts.

In de dagen daaropvolgend trok de zwelling aan. Mijn teen werd blauw en dik, evenals mijn halve voet. Slapen ging moeizaam. Het gewicht van de deken op mijn teen kon ik maar amper verdragen en ik slaakte een kreun wanneer bij het verplaatsen van mijn been mijn teen achter het beddengoed bleef haken. Pas na een week durfde ik het aan om een schoen aan te trekken. Dat ging pas nadat ik de veter er volledig uit had gehaald om vervolgens mijn voet bedachtzaam in te snoeren. Het kostte me zo’n tien minuten. Staan op twee benen was ondoenlijk, laat staan lopen. Twee weken lang liep ik op krukken, behalve wanneer ik aan het werk was. Bij een verzorgingshuis in Rotterdam werd ik ingehaald door een bejaarde met een rollator. Het moet een vreemd gezicht zijn geweest, die naar binnen strompelende en zichtbaar pijn verbijtende koerier met een pakket op zijn arm. Gelukkig kon ik vlak bij de ingang parkeren; het gebruiken van de invalidenparkeerplaats leek me in deze situatie volledig gerechtvaardigd.

Ellende is betrekkelijk, dat weet ik heel goed. Er zijn verschillende gradaties van pijn en misère, vaak zeer tijd- en plaatsgebonden. Wie klaagde er in de middeleeuwen over een identiteitscrisis of het onvermogen zichzelf te ontplooien? En wie doet dat nu heden ten dage in een land als Noord-Korea, Afghanistan of Eritrea? Voorkomen dat de overheid je verpulvert en kapotmaakt en ondertussen je primaire levensbehoeften veiligstellen, dat is al heel wat.

Toen ik vandaag bij de wasstraat was, kwam er na afloop een donkere man op me af. Wat onbeholpen ging hij naast me staan, een verfrommelde doek in zijn rechterhand houdend, en sprak onzeker: ‘Ik jou helpen droog?’ ‘Graag’, antwoordde ik vertederd, doch zo neutraal mogelijk. Hij veegde de randen van mijn autoportieren droog en droop af. ‘Dankjewel,’ zei ik voordat hij buiten gehoorsafstand was, ‘waar kom je vandaan?’ ‘Eritrea’, antwoordde hij. ‘Heb je een verblijfsvergunning gekregen?’, vroeg ik weifelend, bang dat het een impertinente vraag zou zijn. ‘Ja’. ‘Wat fijn, ik ben heel blij voor je!’ zei ik enthousiast. Hij glimlachte zoals in mijn beleving alleen negers dat kunnen, mooi breeduit en oprecht. Of is dat racistisch?

Is het raar dat ik een licht ongemak voel wanneer een vriendelijke Eritreeër, die uit een vreselijk land komt en besloot dat land te ontvluchten, die op de Middellandse Zee heeft rondgedobberd in een gammel bootje, die in enkele weken grotere ontberingen heeft doorstaan dan ik in mijn hele leven, mijn auto droogmaakt na een wasbeurt? Is het vreemd dat ik me schaam voor mijn rijkdom, omdat hij iets doet wat ook door mijn westerse ogen bekeken volstrekt zinloos is? Is het raar dat ik dan door middel van een vriendelijk en onschuldig praatje en het tonen van interesse een sociale gelijkwaardigheid probeer te creëren waar ik me wat prettiger bij voel? Ik weet het niet. Medelijdenpraatjes zijn alles behalve gelijkwaardig. Dit is het soort situaties waarin mijn brein kraakt en waarbij ik achteraf nooit weet of ik wel het juiste gedaan heb. En of het juiste wel bestaat.

Ellende overkomt je, je zoekt het niet op. Daarom kijk ik geen nieuws en lees ik geen kranten. Je kunt het leed van de wereld niet dragen, laat staan oplossen, dus dat probeer ik ook niet. Slechts één keer per jaar dompel ik mezelf onder in de humanitaire ellende die World Press Photo heet. Daar verbijster ik me op dezelfde onmachtige wijze als vele anderen doen over het onrecht in de wereld, uitstervende diersoorten, het klimaatprobleem en de vele, vele lijdende mensen.

Ik sloeg me vrij aardig door de manke weken heen, al zeg ik het zelf. Ik zwolg niet in zelfmedelijden en werd niet totaal apathisch. De teen herstelde, doch halfslachtig. Ik ging weer naar de huisarts. Natuurlijk was het gebroken geweest. Natuurlijk was het bot verkeerd vastgegroeid. Ik hoorde het gelaten aan. Ellende is relatief en er zijn altijd mensen die ergere dingen meemaken dan jij. Je eigen leed valt meestal wel mee, zeker wanneer je het vergelijkt met mensen die gebukt gaan onder honger, geweld, onderdrukking en vernedering. Dat idee brengt me soms verlichting, maar je hebt er zo weinig aan als je naakt en kermend van de pijn onderaan de trap ligt.

En opeens was ze daar, het kleine, blonde meisje van een jaar of vier, hooguit vijf. Met niet-begrijpende ogen keek ze naar een brandende monnik, een Hutu-man wiens hoofd bewerkt was met een kapmes en de standrechtelijke executie van een Viet Cong-strijder. Ik knielde naast haar neer, vroeg haar waar papa en mama waren en leidde het lieve kind weg van de verschrikkingen die ze niet begreep. Als ik de wereld dan toch niet kon redden, dan toch de onschuld en onwetendheid van dit kleine, lieve meisje. Al was het alleen nu. En alleen voor heel even.

© Sjaak van Haaster

 

 

 

Stuurloos

Ik zit veel alleen op de weg. Tot zover niks nieuws. Maar wat me steeds vaker opvalt, is dat dit opgaat voor het overgrote deel van alle weggebruikers. Bijna iedere auto die mij inhaalt, wordt bestuurd door een eenzame ziel zonder medepassagiers. Zo ook de auto’s die ik passeer. Steeds frequenter dringt het beeld zich aan me op dat de snelweg een verkleinde weergave is van de samenleving, een soort mini-maatschappij waarin ieder individu schreeuwt om gezien te worden, om erkenning vraagt en zijn of haar plek al dan niet met agressie opeist. Anonimiteit haalt het lelijkste in mensen naar boven: hebzucht, eerzucht, lompheid, egoïsme. Het symbolische ellebogenwerk op de werkvloer wordt vervangen door explicietere agressie, zoals hardrijden, seinen, toeteren, bumperkleven, afsnijden, middelvingers opsteken en wat niet al meer. De tragiek van het anoniem zijn is dat het individualisme in de kaart speelt, terwijl mensen niet zonder elkaar kunnen. Zonder het kompas van anderen zijn mensen stuurloos.

Volgens mij draait alles in het leven om verbinding. Verbinding met je medemens: je vrienden, je ouders, je kinderen, je familie, je collega’s, je buren en ook je medeweggebruikers. Hoe verrukt ben ik, wanneer een vrachtwagenchauffeur me met zijn knipperlichten bedankt voor het feit dat ik hem zojuist ruimte heb gegeven om in te voegen. Hoe dankbaar voel ik me, wanneer een andere automobilist me op een parkeerplaats met een genereus handgebaar voorrang verleent. Goed, het klinkt misschien allemaal wat hoogdravend, maar wie weet er nu niet hoe het voelt om te worden afgevallen door een nabije collega, beledigd te worden door een familielid of in de steek te worden gelaten door een vriend? En bovenal, hoe je je voelt als dat gebeurt en hoezeer het je dagen in beslag kan nemen.

Hoe belangrijk verbinding is, ondervond ik enkele jaren geleden op pijnlijke wijze in Amerika. Mijn relatie was uitgegaan, ik had een nieuwe liefde en besloot mijn hele leven overhoop te gooien. Dat lukte. Ik verhuisde, ging samenwonen en zegde mijn werk op. Terloops nam ik afscheid van enkele vrienden waarvan ik dacht dat die niet meer in mijn leven pasten. Aangezien ik toch alles aankon, stopte ik ook maar meteen met roken. Vervolgens ging ik met mijn nieuwe liefde op reis naar Amerika. Een nieuwe vriendin die ik amper kende, een nieuw huis, geen werk en een nieuwe omgeving; het bleek te veel. Het begon met een lichte verontrusting op verlaten wegen zonder einder en eindigde in een Italiaans restaurant in Salt Lake City. Daar zat ik, voor een etagehoog raam, aan een tafel met een meisje dat ik amper kende. Ik had hartkloppingen, trilde, zweette, ademde als een opgejaagd dier en nam de wereld waar door een filter, alsof deze niet echt was. Ik vluchtte naar de wc, waar ik met mijn handen de rand van de wastafel omklemde, in de hoop dat het koele marmer me terug in de realiteit zou brengen, maar tevergeefs. Ook het koude water uit de kraan, dat ik overdadig over mijn polsen liet stromen, bracht geen verlichting. Toen ik in de spiegel keek, herkende ik mezelf niet. Een hand van angst omklemde mijn strottenhoofd en er zat een riem om mijn borst die steeds strakker aangetrokken werd. Wanhopig haastte ik me terug naar de tafel aan het raam en staarde ogenschijnlijk kalm naar buiten, terwijl mijn hersenen overuren maakten en ik er steeds sterker van overtuigd raakte dat ik gek dan wel psychotisch aan het worden was. En toen gebeurde het: twee jongens liepen voorbij op het trottoir. Waarschijnlijk staarde ik een van de twee net iets te lang aan en hij bleef staan. Ik werd te veel door mijn angst in beslag genomen om tijdig weg te kijken, zoals je dat normaliter bij passanten doet. Hij ging recht voor me staan, maakte gebaren met zijn armen, trok gekke bekken en lachte me uit. Nooit heb ik me door de mensheid meer in de steek gelaten gevoeld dan op dat bewuste moment. Als ik eraan terugdenk dat iemand uitgerekend op dat moment zo naar tegen me deed, word ik weer verdrietig.

Toen de doktersassistente de volgende ochtend in Nederland de telefoon opnam, barstte ik in huilen uit, zo opgelucht was ik dat de wereld aan de andere kant van de oceaan nog bestond. Mijn huisarts gaf me precies wat ik nodig had: begrip, geruststellende woorden en een recept voor kalmeringsmiddelen dat hij naar een apotheek in Utah faxte. Ik ben hem er nog steeds dankbaar voor.

De volgende dag stapte ik in een woestijndorp genaamd Blanding de apotheek binnen. Op de balie lag ‘The book of Mormon’ in drie talen, Engels, Frans en Spaans, om gratis mee te nemen. De apotheker dacht vast dat in dat boek mijn redding lag. Die lag echter niet in het voor hem heilige boek, maar in het oranjekleurige potje met pillen dat hij me over de balie aanreikte. Ik zou me in het begin wat ‘blurry’ kunnen voelen, waarschuwde hij nog. Gelukkig is er in Utah weinig verkeer.

Wat ik hier allemaal mee wil zeggen, weet ik niet meer zo goed. Dat je gedrag meer invloed heeft op anderen dan je denkt of dat het geen kwaad kan om iets meer mededogen te hebben naar je medemens, en iets minder vooringenomenheid naar anderen de wereld goed zou doen. Of misschien dat verbondenheid het allerbelangrijkste is wat er bestaat en dat je ergens geworteld moet zijn. Wellicht dat. Misschien loopt deze hele vergelijking echter volledig spaak en een terugkoppeling naar weggedrag voelt nu alleen nog maar banaal en zinloos. Maar het is heerlijk om dit eindelijk eens van me af te schrijven, en dat is ook wat waard.

Bij het verlaten van de ring van Antwerpen in de richting Eindhoven kom je langs een linkse invoeger, want ja, België. Maar ook in België zijn linkse invoegers niet erg gebruikelijk. Zodoende heeft de wegbeheerder op de betreffende plek een bord geplaatst: ‘Linkse inrit. Wees hoffelijk!’ Wees hoffelijk, een mooier verzoek is bijna niet denkbaar. Aan dat bord denk ik heel vaak.

© Sjaak van Haaster

Fokke, Sukke en de Biodanza-neef

De camping was geen camping, maar een zwembad omringd door een citroenboomgaard waarvan de grond in de afgelopen winter door wilde zwijnen was omgewoeld. De vuistgrote kuilen die door knorrende, platte neuzen gegraven waren, nodigden je op het hele terrein uit om je enkel gruwelijk te verzwikken. Ter voorkoming daarvan hadden we de ergste kuilen rond de bus opgevuld met stenen, die gelukkig ook in groten getale voorhanden waren. Overal waar je liep, hoorde en zag je hagedissen wegschieten. Om het beeld compleet te maken had het verzengend heet moeten zijn, maar dat was het niet. Een graad of 24 hooguit, en dat voelde bijzonder aangenaam.

We hadden ons kamp opgezet aan de rand van het terrein. Aan de andere kant van de natuurlijke afscheiding begon het landgoed van onze tijdelijke, Italiaanse buren. Gisteren was alleen het geblaf van de honden op de omringende percelen te horen. Met name ’s nachts sloegen ze aan op elk geluid en dus ook op elkaar. Oordoppen waren onontbeerlijk. Nu waren het echter de Italiaanse buren zelf die de stilte in onze mediterrane cocon onafgebroken doorbraken. Een vrouw met een schelle, penetrante stem overstemde haar gezelschap voortdurend. Haar onophoudelijke gekwetter klonk boos en verwijtend, maar de snerpende schaterlach die ze van tijd tot tijd op haar tirades liet volgen, wees op een neutrale manier van communiceren. De rest van de familie liet enkel wat bescheiden geroezemoes horen, alsof ze zich reeds lang geleden bij haar overheersing hadden neergelegd. Tezamen vulden ze onze dag met een niet-aflatende woordenstroom die het beeld van een lange met olijven, brood, tomaten, pasta en een gigantische Italiaanse familie gevulde tafel uit een Bertolli-reclame aan ons opdrong.

Onze gastheren slenterden als Fokke en Sukke over de veranda van hun landhuis. Hun klokkenspellen bungelden vrolijk onder hun te ruim zittende t-shirts uit, terwijl ze zich toelegden op dagelijkse bezigheden als de planten besproeien of met een netje aan het uiteinde van een lange stok het vuil uit het zwembad vissen. Wanneer ze zich voorover bukten om een onvolkomenheid tussen de begroeiing te verwijderen, gaf dat een vrij uitzicht op hun door de jaren verschrompelde en verzakte geslachtsdelen.

Ons paradijs, waarin wij als Adam en Eva paradeerden, de appelboom vervangen was door een hele gaard citroenbomen en de slang plaats had gemaakt voor twee voormalige en bijzonder vriendelijke zwerfhonden, deelden wij naast Fokke en Sukke ook nog met een ander echtpaar: Alex en Toos. Alex was een neef van Sukke, Toos zijn onaangename echtgenote. Ze hadden beiden als tropenarts in verscheidene Afrikaanse landen gewerkt. Ik heb uit betrouwbare bron vernomen dat tropenartsen een slag op zich zijn. Wat voor veel van hen geldt, is dat ze na de Afrikaanse chaos en vrijheid niet meer kunnen aarden als arts in een westers keurslijf. Of dat ook op ging voor Alex en Toos weet ik niet, maar een apart slag was het wel. Op mijn opmerking dat het wel wennen moest zijn geweest na hun terugkeer naar Nederland, antwoordde Alex quasi-verontwaardigd: ‘Het zijn allemaal mensen, hoor.’ Alsof dat het punt was dat ik wilde maken. En alsof je met zo’n algemene opmerking cultuurverschillen kon reduceren tot niet-bestaande verschijnselen.

Maar eerlijk is eerlijk; Alex was de kwaadste niet. Hij was lang en had een rank postuur waardoor hij iets slungeligs kreeg. Zijn gezicht was eveneens hoog en smal en kenmerkte zich door een spitse, bijna geslepen neus. Wanneer hij met zijn handen in zijn zij tot kniehoogte in het koude water van het zwembad ging staan en ogenschijnlijk stoïcijns de omgeving in zich opnam, kon ik me terwijl ik naar hem keek niet voorstellen dat hij zich staande had gehouden in een Afrikaanse kliniek waar bebloede, stervende mensen naar binnen werden gesleept die met schaarse middelen van een zekere en pijnlijke dood moesten worden gered.

Toos was een onuitstaanbare feeks. Haar grapjes waren ronduit kinderlijk en haar man commandeerde ze zonder schroom rond. Ik hoorde haar grapjes maken over mijn naam, terwijl ik nu juist vond dat je daar geen recht toe hebt als je zelf Toos heet. Tegen het eind van de middag posteerde ze zich steevast op een ligstoel naast het zwembad en deed Tai Chi, of wat het ook was. Van Alex verwachtte ze dan dat hij haar een kopje kruidenthee bracht, zodra ze klaar was met haar oefeningen. Toos was mollig, had stevige borsten en op haar grijze krullenbos tooide een rieten hoedje. Ze leek zichzelf vooral heel erg zen te vinden, of aanwezig in het nu, of dicht bij haar bron, of volledig in balans. Toen Alex opmerkte dat het water minder koud was dan de dagen ervoor, antwoordde ze: ‘Ik leef alleen vandaag.’ Ja, ik denk dat ze dacht dat de woorden ‘balans’, ‘evenwichtig’ en ‘puur’ speciaal voor haar waren uitgevonden. Des te opmerkelijker was het dat ze mijn vriendin negeerde alsof die niet bestond, alsof het een storende oneffenheid betrof die haar gezichtsveld vervuilde. Het leek wel alsof ze jaloers was op haar verschijning. Ergens hoop ik dat dat zo was.

Er ging wel het een en ander aan vooraf voordat ik met Alex verwikkeld raakte in een psychedelische dans, zoals hij het zelf noemde. Het begon toen er op de veranda tussen vier naakte mannen een gesprek ontstond over geluk. Een van de vier mannen en veruit de jongste was ik.

Er was een tijd waarin mensen geluk beschouwden als de afwezigheid van ellende. Als je akker niet werd kaalgevreten door een zwerm sprinkhanen of een voorbijtrekkend huurleger, je huis niet overstroomde en je vrouw niet werd verkracht door de plaatselijke landheer, dan was je een gelukkig mens. Tegenwoordig zijn we verantwoordelijk voor ons eigen geluk en is de ellende van buitenaf vervangen door ellende van binnenuit. De markt speelt daar gretig op in. In een lokaal flutblaadje dat uit niets anders bestaat dan advertenties, soms verpakt als column, trof ik een partnerverliesbegeleider aan, een meisjescoach, een algemeen therapeut/counselor en een loslaatcoach en energetisch werker, die zichzelf blijkbaar maar liefst twee inhoudsloze titels had toebedeeld. Allemaal beweerden ze de sleutel tot geluk in handen te hebben. Wee de ongelukkigen en de wanhopigen die ten prooi vallen aan dit soort ongekwalificeerde charlatans.

Ik zei dat ik maar weinig begreep van geluk, en van het leven in het algemeen bovendien. Fokke keek me aan met een vaderlijke glimlach, alsof hij me aandoenlijk vond, maar zich ook wel kon vinden in wat ik zojuist had gezegd. Hij leek op zoek naar een mening waarbij hij zich kon aansluiten, zonder zich als gastheer uitdrukkelijk te hoeven uitspreken. Alex verklaarde op zijn beurt erg gelukkig te zijn op de citroenboomgaardcamping, maar betwijfelde of dat ook het geval zou zijn als hij er zou wonen. Sukke concludeerde daarop dat geluk niet gebonden is aan een bepaalde plaats.

‘Nou,’ reageerde ik bewust licht provocerend, ‘hier schiet ik ook niks mee op. Ik had als jongeling gehoopt van deze oude, wijze mannen wat bruikbaar advies te krijgen, maar nee hoor.’ Fokke glimlachte geamuseerd naar me. Alex liet me er echter niet mee wegkomen. ‘Het was maar een grapje’, probeerde ik nog. ‘Ja, dat weet ik,’ antwoordde hij, ‘maar ik wil er toch even serieus op in gaan.’ Dansen, dat was zijn sleutel tot geluk. Zo kwam het dat hij me uitnodigde voor een psychedelische dans.

En daar stonden twee naakte mannen tegenover elkaar op een Zuid-Italiaanse veranda, fysiek verbonden via de vingertoppen van hun rechterhand. De een oud, de ander jong. De een leidend, de ander volgend, en andersom. Met hun ogen gesloten tekenden zij samen niet-bestaande figuren en verhalen in de lucht, op zoek naar harmonie en geluk.

Alex en Toos vertrokken de volgende ochtend. Ik trof ze nog aan bij de veranda. Alex stond te wachten op zijn ega, die prinsesselijk de trap afdaalde. ‘Negen uur, Toos, dat hebben we toch netjes gedaan!’ Toos antwoordde: ‘Mijn zonnebril zit in jouw tas, die wil ik hebben.’ Alex begaf zich gedwee richting de auto. Bij ons afscheid gaf hij mij een zoen op mijn wang. Met zo’n huwelijk zou ik het geluk en de harmonie ook elders zoeken.

© Sjaak van Haaster

Mens-erger-je-niet

De halve deuren zijn verdwenen, althans, ik zie ze nooit meer. Vroeger thuis hadden we er een. Je weet wel, die deuren waarvan de onderste helft dicht is en de bovenste helft openstaat. Zo’n deur waarop je met je onderarmen leunend, je handen losjes over de rand, een sigaret tussen je vingers en samengeknepen ogen tegen de zon de eerste warme lentedag begroet. Zo’n deur waar acteurs in oude komedies altijd theatraal overheen vallen, waarbij hun hoofd tijdens de duikeling door hun benen wordt ingehaald. Bij ‘Het wapen van Scheveningen’ hebben ze hem nog wel, de halve deur. Het is vandaag dan ook de eerste warme lentedag.
Bij ‘Het wapen van’ denk ik aan een ietwat saai, doch degelijk grand café waar je rond het middaguur tosti’s en uitsmijters kunt bestellen, terwijl op de achtergrond Lionel Richie of Celine Dion op fluistertoon de uitgestorven ruimte vult. Zo niet bij ‘Het wapen van Scheveningen’. Niets is vanmiddag zoals ik het verwacht. De strakblauwe lucht ging halverwege Den Haag over in wat sluierbewolking die ter hoogte van de Scheveningse dorpsgrens plaatsmaakte voor een witte, ondoorzichtige deken, die door de wind vanaf het strand in verdunde vorm de bebouwing in werd gejaagd. Op het strand was de deken op het zand neergedaald en ik hoorde de zee, maar ik zag hem niet. Wandelaars doemden als geesten op uit de mist om daarna vijftig meter verderop evenzo te verdwijnen. Ik bevond me in een witte kamer, waarvan de zanderige vloer met tussenpozen overspoeld werd met zout, schuimend water. Voor het eerst ervoer ik zoiets als claustrofobie, hoewel de zee voor me zich uitstrekte tot aan de Engelse kust.

 

♪…en ik voelde mij daar zo alleen…♪

 

Met een doorrookte stem begroet de barvrouw op leeftijd mij bij binnenkomst. Afgezien van André Hazes is het oorverdovend stil. Haar rimpelige hoofd is getooid met kort, blond geverfd haar. Haar ogen staan vriendelijk wanneer ze opkijkt van haar spelletje mens-erger-je-niet. Haar medespelers zijn een dik opgemaakte dame van middelbare leeftijd, wiens donkere, golvende haar in een imposante knot op haar hoofd is gedraaid en een reus gekleed in een Adidas-trainingsbroek, felgekleurde Nike-sportschoenen en een grijs t-shirt waar ik minstens drie keer in pas en dat ondanks het reusachtige formaat strak om zijn imposante schouders gespannen staat. Zijn nek is zo dik als mijn bovenbeen en tussen de twee vetrollen die zich door zijn ineengekrompen houding gevormd hebben, klemt een dikke, gouden schakelketting. Aan de pilaar in het midden van de ruimte hangt een metalen bord waarop gedrukt staat: ‘Verboden voor Feyenoorders’. Achter de bar hangt een bordje met de tekst: ‘Heren, bij plassen bril omhoog, bij poepen broek omlaag’. Zo’n kroeg dus.

 

♪…ja, ik denk nog steeds, hoe het was geweest…♪

 

Vanaf de wc komt een manke, kale man langs de bar terug gestrompeld. Hij neemt zijn plek in aan de ronde mens-erger-je-niet-tafel zonder deel te nemen aan het spel, legt zijn rechterarm te rusten op het oubollige, schurende bloemetjestafelkleed en slaat met een onderuitgezakte houding de eenzame, zwijgende mannen in de kroeg gade.

 

♪…Als ik wist wat jij toen dacht, had ik nooit op jou gewacht…♪

 

In het hoog-Haags steekt hij van wal: ‘Jezus, wa een pleuriszeui hier! Kèèk ze nou, al die èèkels met hun mobiele telefeun, godverdomme, je gaat toch naar de kroeg om met elkar te aawehoere, wa is di nou voor kutzeui? Stelletje mongeulen, flikker da ding toch weg. We kenne hier toch geweun een gesprek voere, ja toch? Dar gaj-je toch voor naar de kroeg, of nie-tan? Hé, jè dar met je pààrdestààr, lèèster je wel? Wa kom je hier doen aj-je toch allèèn mar op dà ding leupt te kleutvieulen?’ Het is alsof ik in een sketch van Harrie Jekkers terecht ben gekomen.

 

♪…Als een kind zat ik te dromen…♪

 

Hij heeft het tegen mij, zoveel is wel duidelijk. Al zit ik half met mijn rug naar hem toe gedraaid, ik ben hier de enige met lang haar, en hoewel ik geen paardenstaart maar een knotje heb, lijkt het benadrukken van dit verschil me nu geen goede zet. Terwijl ik quasi-nonchalant het kopje koffie, dat zojuist voor me is ingeschonken door de barvrouw, richting mijn mond breng – ‘het is met liefde gezet, dat scheelt een hoop’, zei ze er nog bij – , ratelen mijn hersenen. Hoe moet ik hierop reageren? Ik kan hem niet negeren, maar ik heb zo een-twee-drie ook geen ad remme reactie paraat waarmee ik de door hem opgebouwde spanning in een keer kan vloeren. Ik ben bang om een opmerking te maken die een averechts effect zal hebben. Ik ga voor het onschuldigste: ik besluit me om te draaien en te glimlachen met de kop koffie nog aan mijn lippen. Zo maak ik duidelijk dat ik hem niet negeer, maar geef ik mezelf nog enkele seconden respijt om te bedenken wat
ik nu in hemelsnaam moet zeggen.

 

♪…Maar die droom ging snel voorbij…♪

 

‘Nà, zeg es, wààr kom je vandààn?’ Daar gaat mijn bedenktijd. ‘Zutphen’, antwoord ik zo nonchalant mogelijk. ‘Euké, en wa doe je hier?’ ‘Ik ben koerier en ik heb net iets afgeleverd in Den Haag.’ ‘Kèèk, nà hebbe we èn gesprek, zeu moeilijk is da toch nie? En jè?’, vraagt hij aan een magere man met een klein rond buikje, die tot nu toe zwijgzaam voor zich uit heeft zitten staren. Tot mijn opluchting ben ik weer even buiten schot.
‘En Nelly, ben je nog vreemd geweest van het weekend?’ vraagt een magere, bebrilde man aan de bar aan de barvrouw, die kortstondig haar plaats aan de mens-erger-je-niet-tafel verlaten heeft om een biertje te tappen. ‘Nee, Nico, ik heb alleen maar aan jou gedacht’, reageert ze quasi-verveeld. Nico vervolgt zijn gesprek over voetbal met een andere stamgast. ‘Ja, volgens mij is het een Turk hoor, die scheidsrechter.’ ‘Nee, het is geen Turk, en ach, wat ken het ook verrotte waar ie vandaan komt, hij ken nie fluite, die eikel. Ophangen motte ze ‘m.’ Waarop Nico zegt: ‘Of eindigt z’n naam op ‘tsjek’, want dan kan het ook nog een Tsjech zijn.’
Even later keert de kale zich weer tot mij. ‘Kèèk, zeu doen we da hier. As je op je telefeun wil koekeloere, dan doe je da màr op de hoek van de stràt. Ik wee nie hoe da gaa bè jaw in Utrecht of war je dan euk weunt, maar in èn kroeg pràà je mè elkààr.’ Ik besluit me niet zonder slag of stoot terecht te laten wijzen en in de tegenaanval te gaan, dat werkt bij dit soort mensen soms toch gewoon het best. ‘Nou, dat praten met jou heeft weinig zin. Ik heb je net verteld waar ik woon, maar dat ben je nu alweer vergeten’, zeg ik, terwijl ik hem smalend aankijk. Er gaat een lachsalvo door de kroeg. Stilletjes geniet ik ervan. ‘Kèèk, di bedoel ik nà, nu hebbe we teminste èn discusjie.’

 

♪…ik moet even weg, maar ben zo terug…♪

 

Mijn telefoon gaat over. Terwijl ik het ding al aan mijn oor houd, zeg ik bij het naar buiten lopen demonstratief tegen de kale: ‘Ik ga even bellen’. Weer heb ik de lachers op mijn hand. Hij lacht zelf ook. Kijk, daar houd ik van. Als je een grote bek hebt, moet je ook over incasseringsvermogen beschikken. Ik ken veel mensen die dat minder goed kunnen dan mijn Haagse gesprekspartner. Hij gaat er dan wel met gestrekt been in, hij laat zich ook van repliek dienen. En bovenal kaart hij een wezenlijk probleem aan. ‘kèk, hè hep wel wa geleerd, hè gà in ieder geval nar buiten’, hoor ik hem nog triomfantelijk verkondigen, terwijl ik de halve deur achter me dichttrek. Ik kan een glimlach niet onderdrukken.
Als hij weggaat, geeft ie de barvrouw een zoen en mij een hand. ‘Lèèster nar wa ik zeg, jonge. Leg da ding es èn keer weg, dan lèr je nog es wa.’
Kan ik hier pinnen? Nee? Ach, natuurlijk, dat had ik kunnen weten. De reus stuurt me naar een pinautomaat verderop in de straat. Nelly heeft echter niet terug van een briefje van twintig. ‘Hep d’r iemand twèè tientjes voor mè?’ Een van de stamgasten schiet een tientje bij. Het andere trekt Nelly van zijn rekening af. ‘Zeuw, euk weer opgelost.’ Lang leve de communicatie.
© Sjaak van Haaster

 

Noord-Macedonië

Vannacht droomde ik dat een klant me in de vroege avond belde voor een rit naar Macedonië. Ze wilden aanvankelijk alleen weten of ik in de gelegenheid was (ja!), en groen licht zou voor de volgende ochtend volgen. Ik verzocht ze nog wel om niet midden in de nacht te bellen als dat niet strikt noodzakelijk was, want van Zutphen naar Skopje is 2112 kilometer en een slordige twintig uur rijden; aan zo’n reis moet je fris beginnen.

Toen ik wakker werd, realiseerde ik me dat het land Macedonië niet meer bestaat. Het heet sinds kort Noord-Macedonië. Daarmee is een einde gekomen aan een langslepend conflict tussen Griekenland en haar noorderburen. Háár noorderburen, ja, want Griekenland is een vrouwelijk woord, of een vrouwelijk land, zo u wilt. Wat zouden de Grieken daar van vinden?

In het noorden van Griekenland ligt de provincie Macedonië. Dat het nieuwe buurland na de verworven onafhankelijkheid in 1991 dezelfde naam aannam, was de Grieken een doorn in het oog. Waarom? Voornamelijk om de volgende twee redenen: ze waren bang dat het nieuwe land op termijn aanspraak zou maken op delen van de gelijknamige Griekse provincie én hun historische grond zou stelen door Alexander de Grote als hun voorvader en zijn nalatenschap als hun eigen cultuur te beschouwen. Alexander de Grote was namelijk afkomstig uit het Macedonische rijk dat in de vierde eeuw voor christus delen van beide landen omvatte.

Ik droom onzinnige dingen, maar na een droom denk ik als gevolg van een ongefilterde maalstroom van gedachten bijkans nog onzinnigere dingen. Nog gedesoriënteerd (moet ik nu wel of niet halsoverkop naar (Noord-)Macedonië rijden?) lijken mijn gedachten een eigen leven te leiden waar ik weinig controle over heb. Slaapdronken stelde ik me voor hoe België zichzelf zou hernoemen tot Brabant en hoe dat in Nederland tot verontwaardiging zou leiden. Straks zouden onze zuiderburen de provincie Noord-Brabant bij hun grondgebied willen trekken en Brabantse culturele verworvenheden als carnaval en Guus Meeuwis als de hunne beschouwen. Ik realiseerde me hoe absurd dat zou zijn, vooral de vergelijking van carnaval en Guus Meeuwis met Alexander de Grote dan natuurlijk.

De wereld draait alleen maar om geld, zegt het cliché, maar volgens mij is nationalisme een goede tweede. Zonder geld ben je dan in ieder geval nog Nederlander, Amerikaan, Griek of Noord-Macedoniër. Dat schijnt een geruststellende gedachte te zijn. Mijns inziens komen nationalistische sentimenten voort uit een schizofrene mengelmoes van trots, agressie, blijdschap, verontwaardiging en een gebrekkig historisch besef, maar bovenal angst. Het leidt ertoe dat mensen rare dingen gaan doen, zoals naamsveranderingen eisen van buurlanden, hekken bouwen bij grenzen of stemmen op quasi-intellectuele, narcistische, lavendel snuivende volksmenners, die ik zelfs vanuit mijn luie stoel en zonder enige psychiatrische achtergrondkennis met minstens twee persoonlijkheidsstoornissen kan diagnosticeren.

In de donkere kamer dreef de maalstroom me naar landen die met de woorden ‘zuid’ en ‘noord’ beginnen, maar ik kwam niet verder dan Zuid-Afrika. Toen ik mijn vriendin ’s ochtends hierover vertelde, zei ze zonder na te denken: ‘Noord- en Zuid-Korea’. O ja, dankjewel.

© Sjaak van Haaster

De schepen uit Grimbergen

De E34 van Antwerpen naar Eindhoven en vice versa heeft een grondige onderhoudsbeurt gehad. De weg die tot enkele jaren terug nog voorzien was van jaren 70-asfalt, is nu opgewaardeerd tot een on-Belgisch biljartlaken. Tot tien kilometer voor de grens, dat wel. De Vlaamse overheid lijkt gedacht te hebben: als je zo nodig naar Nederland wilt, krijg dan maar de tering. Dientengevolge krijg je in de auto bij de beruchte overgang van het strakke Nederlandse naar het overjarige Belgische asfalt nog steeds een flinke optater. Andersom trouwens ook, want de snelweg van onze zuiderburen ligt allesbehalve gelijk met de onze.

Als je om je heen kijkt in het door de taalgrens hopeloos verdeelde land, geef je er geen stuiver voor. Alles is rommelig. In de dorpen bestaat het wegdek veelal uit gescheurde betonplaten, geen twee huizen zijn hetzelfde en langs regionale wegen strekt de lintbebouwing zich uit tot aan de horizon. Ambtenaren die verantwoordelijk waren voor de ruimtelijke ordening lijken bij het ondertekenen van de bouwplannen steevast te veel Leffe blond, Duvel of Westmalle dubbel achter de kiezen te hebben gehad.

Het Belgische wegennet laat de weggebruiker ook dikwijls verward achter. In België passeer ik knooppunten die ik niet na kan vertellen. Niet omdat ik ze niet overleef, maar omdat het onmogelijk is om ze achteraf te beschrijven. Wie ooit bij Luik vanuit het noorden knooppunt Cheratte driekwart rond heeft gepakt, kent dat gevoel. Voor de richting Verviers wissel je drie keer van rijstrook via weefvakken die amper vijftig meter lang zijn om vervolgens via een veel te korte invoegstrook bergop in te voegen op de reguliere rijbaan. Het is dan ook niet verwonderlijk dat het relatieve aantal verkeersdoden in België boven het gemiddelde van de Europese Unie ligt. In Slowakije loop je minder kans om te komen in het verkeer. Sterker nog, verkeerstechnisch is de Waalse provincie Luxemburg de onveiligste regio van de gehele Europese Unie. De provincie met het hoogste aantal verkeersdoden ligt niet in Roemenië, niet in Letland, maar in België. Desalniettemin functioneert het land zeer behoorlijk, zelfs wanneer het anderhalf jaar zonder regering zit –lang formeren blijkt zo slecht nog niet.

Bovenal houd ik van het Vlaams, want dat taaltje is zo zacht (om maar even het beste citaat van een slechte Nederlandse band aan te halen, en nee, vriendschap is geen illusie). Daarom kijk ik naar Reizen Waes, luister ik naar Michel Wuyts en José de Cauwer en kijk ik naar Evi Hanssen, waar ze ook is en wat ze ook doet. Ook voor Griet Op de Beeck in Zomergasten blijf ik thuis.

Terwijl ik op de R0 rijd (dat is de ring van Brussel), luister ik naar de Vlaamse radio. ‘Wij hebben nu contact met een schepen van Grimbergen die gaat reageren op de commotie die is ontstaan bij de bewoners van het rusthuis als gevolg van de aangekondigde sluiting.’ Als ik later oud ben, wil ik mij wanen in de negentiende eeuw, Grimbergen blond en dubbel drinken en rusten in plaats van verzorgd worden. Daar zal ik dan wel voor naar België moeten.

Nadat ik bij Arendonk weer de grens ben overgedokkerd –dokkeren doe je eigenlijk met een racefiets over kasseien, maar hier is de term wel op z’n plaats, vind ik– schakel ik over op Radio 1. Binnen een kwartier hoor ik dingen als: ‘Hun moeten’, ‘het is een gezelschap die‘ en ‘ik irriteer me aan‘. België mag dan rommelig zijn, zo nauwgezet als de Vlamingen omgaan met hun taal, daar kunnen de Nederlanders nog een puntje aan zuigen.

© Sjaak van Haaster

Tegen mijn gevoel in

Mijn bestemming Krimpen aan de Lek ligt naast Krimpen aan den IJssel. Krimpen aan den IJssel ligt tegenover Capelle aan den IJssel en naast Ouderkerk aan den IJssel, niet te verwarren met Ouderkerk aan de Amstel. Neem je de pont vanuit Krimpen aan de Lek, dan kom je in Kinderdijk.

Weggezonken in gedachten zit ik achter het tweepersoons tafeltje dat me even hiervoor stellig is toegewezen door de mollige serveerster met het Spaanse uiterlijk die me aanvankelijk in het Engels aansprak. Toen ik er in eerste instantie voorbij liep om na te gaan of het raam iets verderop uitkeek op de voornamelijk bij buitenlanders beroemde molenrij, hoorde ik haar stem achter me: ‘Meneer, het is wel de bedoeling dat u aan een tafeltje voor twee gaat zitten.’ ‘Ik wilde alleen even uit het raam kijken’, reageerde ik geprikkeld. Ze ging er niet op in. Het restaurant was op twee mensen na volledig uitgestorven toen ik binnenkwam.

Twee Chinese jongens die na mij het pand betreden, nemen plaats aan de vierpersoonstafel. Binnen een minuut verschijnt er een andere serveerster, die de Aziaten vriendelijk verzoekt van tafel te wisselen. Ze verplaatsen zich gedwee naar een plek schuin voor mij, gedwee zoals alleen Chinezen en Japanners dat kunnen. Een half uur later zijn alle tweepersoonstafels bezet, maar tweetallen overspoelen vanmiddag deze tent. De slotsom is dat alle tafels bezet zijn, maar enkel en alleen met duo’s, alle inspanningen van de bediening ten spijt.

O, mijn thee! Ik schrik op uit mijn gedachten en als door een wesp gestoken omsluit ik met mijn hand het nog altijd hete glas, alsof ik met een snelle beweging had kunnen voorkomen dat het theewater was afgekoeld. Ik lach in mezelf om mijn spastische reactie.

Als ik mijn hoofd naar links draai, lees ik: ‘Women never know what they want. Men never know what they have.’ Wanneer ik vervolgens naar rechts kijk, zie ik een vrouw van middelbare leeftijd in een motorpak gebiologeerd naar me kijken. Net voordat het ongemakkelijk wordt, glimlach ik naar haar: ‘Hoi!’ ‘O, hoi, ja, ik zit te kijken naar die tegel vlak boven je hoofd.’ Vrouwen zijn wispelturig, mannen materialistisch. Lekker diepgaand, maar daar is het ook een tegel voor. ‘En ben je het ermee eens?’, vraag ik licht sarcastisch. ‘Ja, ik kan me er wel in vinden’, antwoordt ze, terwijl de glimlach om haar lippen haar antwoord kracht lijkt bij te zetten. O, o, die hebzuchtige mannen toch, lijkt ze te denken. Of: die twijfelende vrouwen ook altijd. ‘En jij?’, vraagt ze. ‘Volgens mij is het onzin’, zeg ik stelliger dan ik wil.

Zo’n tegelwijsheid past perfect bij een plek als deze, dat wel. Ze is weinig verrassend en dat is Kinderdijk ook. Toen ik de pont af reed, verwachtte ik toeristen, molens en horeca te zien en dat was precies wat ik aantrof. Ik parkeerde mijn auto achter een Franse. Nadat ik was uitgestapt, wees een tegel in het trottoir met een molentje en een pijl me naar waar ik niet heen wilde. Honderden toeristen kuierden langs de molens. Op de menukaart van het restaurant stonden de gerechten in het Engels en de dienstbaarheid van het personeel was ver te zoeken.

De ene tegel wilde me laten doen wat de massa doet, de ander wilde me laten denken wat de massa denkt. En dat terwijl ik hier alleen maar kwam om te lunchen. Ik kan niet tegen dit soort plekken. Ze zijn voorspelbaar, vervelend en gaan tegen mijn gevoel in. Net als onware cliché’s over mannen en vrouwen.

© Sjaak van Haaster

 

Een warm welkom

Al rijdend in het donker op de Øresundbrug tussen Denemarken en Zweden waan ik me onderdeel van de Scandinavische misdaadserie ‘The Bridge’. Terwijl de weg in het licht van mijn koplampen kilometers lang een flauwe curve naar links vertoont om daarachter in het ogenschijnlijk oneindige te verdwijnen, knipperen de lampen bovenop de brugpijlers met korte tussenpozen. Ik beeld me in dat ik binnen enkele seconden een lijk op het wegdek aan zal treffen dat met een ijzige gelaatsuitdrukking blijk geeft van de kort daarvoor plaatsgevonden gruwelijkheden. Het zal ontdaan zijn van enkele ledematen en de aanzet zijn tot maatschappelijke onrust die in de volledige internationale pers zal weerklinken. Voor het in gang zetten van deze massale hysterie zal ik een essentiële schakel zijn door bij de ontdekking terstond het Deense dan wel Zweedse noodnummer op mijn telefoon in te toetsen, niet voordat ik mijn maaginhoud over de reling van de brug heb geloosd bij het aanschouwen van het weerzinwekkende tafereel.

Aan de Zweedse zijde van de brug word ik bruut uit mijn lugubere dagdroom gehaald. Of ik even tweeënvijftig euro wil aftikken. Nee, ik heb niet te hard gereden, dit is de reguliere tol die je voor een enkelvoudig tripje over de fameuze brug moet betalen. Voorbij de tolpoortjes wacht mij een heuse grenscontrole. De douaniers vinden het nodig om de doos met de industriële weegschaal, wiens neefje een voltallige fabriek in Värnamo heeft lamgelegd en de reden is van mijn reis, door een drugshond te laten bespringen. De fanatieke herder verliest vrij snel zijn interesse. Ook in de cabine treft hij geen genotsmiddelen of explosieven naar zijn gading aan. Ik krijg mijn paspoort weer terug. Welkom in Zweden.

De vorige keer dat ik de oversteek naar Zweden maakte, was mij ook al geen warm welkom gegund. Het was voor de verdediging van het proefschrift van mijn toenmalige zwager in Göteborg, die ik voordien nog niet ontmoet had. Hij zou aanstonds promoveren in de natuurkunde en wij zouden getuige zijn van dit heuglijke feit en meedelen in de vreugde. Althans, dat was het idee.

Toen ik me aan mijn zwager voorstelde, keek hij naar mijn uitgestoken hand alsof deze in brand stond en ik zag dwars door zijn schedel heen hoe zijn hersenen even kortsluiting maakten. Goed, hij is wat onwennig in situaties met onbekenden, dacht ik nog. Weldra zou hij zeggen: ‘Zo, dus jij bent de vriend van mijn zus?’ Of: ‘Wat leuk dat jullie helemaal voor mij naar Göteborg zijn gekomen. Hebben jullie een goede reis gehad?’ Maar vragen bleven uit. Een gesprek ook.

De avond voor de plechtigheid zou plaatsvinden, zaten mijn schoonouders, mijn zwager, mijn vriendin en ik klaar voor het diner. We deden ons tegoed aan vissen, die Vladimir, mijn schoonvader, zelf een dag ervoor uit een Zweeds meer had opgehengeld en nu op het aanrecht met een enorm zakmes van hun graten ontdeed. Met datzelfde mes verwijderde hij voor mij de dop van een bierflesje. Zo doen Russische mannen dat.

Twee maanden later zou hij mij in een klein sovjetflatje in een buitenwijk van Moskou zijn gewerenverzameling laten zien. De metalen kast waarin die opgeborgen zat, verdeelde de kleine hal in tweeën. Vladimir was allang blij dat er een man in huis was die interesse toonde in zijn wapenarsenaal. Dat die interesse geveinsd was, hoefde hij niet te weten. De geweren stalde hij uit op bed, de bijbehorende patronen legde hij ernaast. Door de telescoop van een zwart geweer keek ik zo de huiskamers in van de ertegenover staande flat. ‘Hiermee kun je een hert omleggen’, zei Vladimir terwijl hij een kogel ter grootte van een pink tussen zijn duim en zijn wijsvinger hield. ‘En met deze vel je een beer’, glunderde hij, al wijzend op een iets grotere kogel. Vervolgens pakte hij de grootste van allemaal en merkte op: ‘En hiermee schiet je een olifant kapot.’

Tijdens het diner sprak mijn zwager de verwarrende woorden: ‘Jullie hoeven morgen niet naar mijn verdediging te komen, hoor. Het is voor jullie waarschijnlijk toch niet interessant.’ Nee, allicht niet, maar daar komen we verdomme toch voor, dacht ik geïrriteerd. Langzaamaan drong het besef tot me door dat mijn aanwezigheid er niet toe deed. Dat voelt teleurstellend als je twaalf uur voor iemand in de auto hebt gezeten. Ik kon het hem echter moeilijk kwalijk nemen; hij leek rechtstreeks uit ‘The big bang theory’ te zijn weggelopen.

Na zijn verdediging, waar ik zo weinig van begreep dat ie net zo goed in het Hebreeuws had kunnen zijn, klonken we wat champagneglazen met bubbeltjeslimonade met de aanwezige professoren. Vrienden waren er niet. Toen de hoogleraren waren afgedropen, ging mijn zwager, ondanks dat we gezamenlijk het plan hadden gemaakt om uit eten te gaan, zijn kantoor leegruimen. En ja, dat moest per se nu gebeuren, want stel je voor dat volgende week zijn pasje niet meer werkte en hij het gebouw niet meer in kon; de universiteit van Göteborg had blijkbaar de gewoonte om trouwe, volhardende promovendi na hun verdediging onmiddellijk de toegang tot al hun gebouwen te ontzeggen. Hij liet ons meer dan een uur in de uitgestorven hal van het universiteitsgebouw wachten. Op een in sociaal opzicht broodnodig excuus rekende ik bij zijn terugkomst al niet meer. Na het eten namen we afscheid van elkaar. Of nou ja, afscheid, hij zei ‘doei’ en liep weg.

Een kwartier voor ik aankom bij de fabriek in Värnamo draai ik het mobiele nummer van de contactpersoon in Zweden, dat ik vooraf van mijn klant gekregen heb. ‘Sven Anderson’, spreekt een stem aan de andere kant van de lijn. ‘Ah, you are the courier. Did you have a good trip? Great that you’re already here. Was the traffic okay? Yes? I’m glad to hear that. Do you already have a place to stay for tonight? Otherwise I can recommend you a hotel nearby.’ Zijn fabriek staat stil en dat kost een fortuin, maar toch informeert hij eerst hoe mijn reis was. Hij is duidelijk geen autist.

© Sjaak van Haaster

Pesten bestond niet

Wanneer de huizenrij aan mijn linkerkant eindigt, wordt het kale, modderige terrein waarop ooit mijn basisschool stond stukje bij beetje zichtbaar. Ze hebben hem tegen de vlakte gegooid, met de grond gelijk gemaakt, die kloteschool. De gymzaal, die zich ernaast bevond, is verworden tot een laag zand, net iets lager gelegen dan de omliggende grond. Een rij struiken markeert het schoolplein waar ik ontelbare keren heb gevoetbald. De doelen bestonden uit een houten bankje aan de ene kant en twee betonnen paaltjes aan de andere kant. Als enige jongen van mijn klas speelde ik in een team met de lagere klassen. Mijn klasgenoten wilden mij er niet bij hebben. Toch was ik helemaal geen prutser. In het jaar dat ik bij SEH eindelijk naar de selectie zou gaan, bepaalde het lot echter dat we naar Warnsveld verhuisden.

Ons huis is er nog wel. Het staat –letterlijk– op een steenworp afstand van de gesloopte school. Talloze malen heb ik de honderd meter naar het schoolplein met lood in mijn schoenen afgelegd. Ik loop het doodlopende steegje in dat naar de poort leidt die toegang gaf tot onze achtertuin. Achterin blijf ik staan. Ik hoor een schuurdeur sluiten en meteen daarna een vrouwenstem. Terstond zet ik me in beweging – een gesprek met mijn voormalige, nieuwsgierige buurvrouw is het laatste waar ik op zit te wachten. Zei ze nou ‘hé Sjaak’ of vergis ik me? Resoluut loop ik door. De stem blijft weg.

Ik loop de steeg uit en ga linksaf, langs het hoekhuis. Op de hoek woonde de dominee. Tegen het zijraam van het huis, waarvan rond verkiezingstijd de doorkijk ontnomen werd door een poster van de Reformatorisch Politieke Federatie, gooiden we in de winter naar hartenlust sneeuwballen. Hij kwam dan razend naar buiten gestoven, ongetwijfeld om ons even wat onvervalste, christelijke tucht bij te brengen. Eenmaal bleef ik staan en dreef ik het nét iets te veel op de spits; hij haalde uit en sloeg de bril van m’n hoofd. Wegrennen voorkwam erger. Mijn bril kon ik later gewoon pakken, die had ie netjes op de heg neergelegd.

Tegenover die bewuste heg staat een auto geparkeerd. De man achter het stuur herken ik als mijn vroegere buurjongen. Hij is lelijk geworden, dat doet me deugd. Terwijl ik langsloop, word ik gegroet door zijn vader, die op het punt staat om bij zijn zoon in de auto te stappen. Hij herkent me niet, gelukkig, maar het was geen kwaaie vent eigenlijk, in tegenstelling tot zijn vrouw. Ze wilde liever niet dat ik op zondag de auto van mijn vader waste. Ook gaf ze me op de dag des Heeren geen gulden voor mijn rapport, een gulden geven aan een achtjarige buurjongen verbrak de zondagsrust. De rookbom die we eens onder haar raam gooiden, deed dat zeker. Het feit dat ze net de ramen had gelapt en het op de Rustdag niet kon doen, vervulde ons met plezier.

Ik begeef me weer richting de school. De bankjes en de paaltjes zijn weg, evenals de bomen, de zandbak, het klimrek en de tegels. Alleen het betegelde trapje, waarover ik als kind dikwijls met een steen in mijn maag het plein betrad, ligt er nog. Het eindigt nu echter in een rommelig niemandsland, precies waar de school me acht jaar lang op voorbereidde. Symboliek is vaak tragisch.

‘Waar er twee ruzie hebben, hebben er twee schuld’, reclameerden de onzalige juffen en meesters zonder enige realiteitszin na elke schaamteloze charge van mijn kwelgeesten. Nee, pesten bestond niet bij ons op school.

Wij waren import en dan hoor je er niet bij. ‘Je bent niet van hier’, zo zegt men dat in deze contreien. Mijn ouders kwamen weliswaar uit het westen, ik was geboren in een iets verderop gelegen dorp. Daar hadden de arbeiderskinderen uit mijn klas vast geen boodschap aan gehad. Onder invloed van hun ouders die de onderwijzers klaarblijkelijk angst inboezemden, leek mijn school meer op een kolonie die van buitenaf bestuurd werd, met een handvol meesters en juffen als marionettenregering.

Het geeft een vreemd contrast, mijn nieuwe bus naast wat ooit mijn oude school was. Iets wat ik zelf heb opgebouwd naast iets wat ik graag zelf had afgebroken. Een groot bord geeft aan wat er op het kale terrein gebouwd gaat worden: twee royale hoekwoningen, vijf royale tussenwoningen en vier royale schakelwoningen. Niet-royale woningen bestaan niet meer. Het woord royaal heeft op deze plek voor mij een vreemde betekenis. Mijn school en zijn leraren waren enkel royaal in hun nalatigheid.

© Sjaak van Haaster