Het leven, reiskutjes en de dood

Mijn leven ging verder met mij waar andere levens stopten. Een vlinder raakte verstrikt in mijn ruitenwisser en fladderde er door de rijwind vrolijk op los. Schijn bedriegt. Het gebeurde op de Hunebed Highway, een moderne menselijke constructie, vernoemd naar een prehistorisch menselijk bouwwerk. De geschiedenis moet bewaard blijven, vooral als deze heldhaftig is. Directer nog werd ik geconfronteerd met de vergankelijkheid op een steenworp van mijn huis. Een rood-wit lint, politieagenten, mondkapjes en bezorgde buren. De weeïge lijkenlucht die bij het voorbijrijden via het ventilatiesysteem van de auto mijn neus binnendrong, liet weinig aan de verbeelding over.

Elke avond hoor ik vanuit mijn woonkamer hoe de klokken op de Broederenkerk het sluiten van de stadspoorten aankondigen. Vroeger was dit het teken voor mensen die zich buiten de stadsmuren bevonden om zich als de sodemieter naar binnen te begeven. Was je te laat, dan sliep je buiten. De poorten zijn verdwenen, de stadsmuur is veranderd in een ruïne. Het is een mooie traditie als je het mij vraagt. Als historicus fascineert het mij wat mensen meenemen uit het verleden en wat ze overlaten aan de vergankelijkheid of verkiezen te vergeten. Tradities worden in ere gehouden, maar harde lessen vergeten. Maar ach, wat valt er te verwachten van een intelligente diersoort die veelal niet weet wie die zelf is, laat staan zichzelf in het verleden. Leuk was het en leuk zal het zijn.

Een mens denkt wat na onder het autorijden. Als een koe die op de eerste mooie lentedag springend en schoppend de wei betrad, zo lanceerde ik mezelf richting Dresden. De stad zelf vormde een wijze les uit het verleden; in 1945 werd Dresden het slachtoffer van een onzinnig bombardement waarbij 25.000 mensen het leven lieten. Ik raasde met 140 kilometer per uur over de Duitse autobahn, wurmde me door krappe baustellen en als ik niet raasde stond ik op wc’s waar je travelpussy’s uit een automaat kon trekken. Nog nooit was ik in de verleiding geraakt om zo’n reiskutje (geen autocorrectie nodig!) mee te nemen, niet in de laatste plaats omdat ik me niet kon voorstellen dat zo’n ding het op enig vlak haalde bij een echte. Anders was het voor vijf euro zeker geen slechte koop. Even later was ik getuige van een macaber tafereel waarbij de dood wederom opdringerig zijn neus aan het venster drukte, als-ie zich niet al had aangediend; uit de totaal verpulverde vrachtwagencabine aan de overzijde van de vangrail kon geen levend mens gekropen zijn. Ook geen dood mens trouwens. Ik lachte in mezelf om het idee dat de chauffeur in kwestie was afgeleid door zijn reiskutje. Een vriendin opperde dat een reiskutje ook de benaming kon zijn voor een vrouw die je meenam op reis. Hilarisch. Verwerpelijk ook, maar van een beetje associëren is nog nooit iemand slechter geworden. Of wel?

Wat was het tegenovergestelde van de dood? De meesten zouden zeggen: leven! Maar wat was leven? De vriendin van het reiskutje introduceerde me in de wereld van de non-dualiteit waarin het enige verschil tussen leven en dood bewustzijn is. Wij zijn bewustzijn. Op televisie zag ik een filosoof die de vraag ‘wie ben ik’ ontleedde tot er niets meer over was. De vraag raakte verdwaald in mijn hoofd. Welke zijwegen ik ook nam, er was geen bevredigend antwoord. Ik liep ermee rond, totdat een caféganger op een nabij terras het treffender verwoordde dan wie dan ook dat tot nu toe gedaan had. Hij zat daar gewoon, gehuld in gerafelde kleren, met slierterig, vettig haar dat langs zijn slapen hing. Op zijn schoot hield hij een gitaar vast waarop hij liedjes speelde zoals zijn ingevingen hem toekwamen. Luidkeels zong hij mee, dan weer stak hij een sigaret op en keek met een verzaligde glimlach om zich heen, waardoor je de neiging kreeg hem op z’n zalvende bek te rammen. Toen een vrouw hem vroeg waarom hij daar zat en muziek speelde, antwoordde hij: “Ik kan alleen maar zeggen dat ik gewoon ben.” Gadverdamme. Maar die klootzak had wel gelijk.

© Sjaak van Haaster

Een donker hol

Ik moest van spullen af. Sterker nog, ik moest van veel spullen af. Ik was geïnfecteerd geraakt door het minimalismevirus, al was het een milde vorm. Maar spullen raak je niet zomaar kwijt. Iemand moet ze willen hebben en ze moeten verplaatst worden, meestal door middel van fysieke kracht. Aangezien geïnteresseerden niet uit zichzelf aan de deur komen – net als potentiële partners, heb ik me wel eens laten vertellen – was ik aangewezen op marktplaats en obscure facebook-groepen via welke enorme hoeveelheden rotzooi van de ene zolder naar de andere werden verplaatst. Als gevolg daarvan was mijn huis wekenlang een zoete inval van markante figuren die zich via de donkere krochten van het internet een weg hadden gebaand richting mijn restafval.

Zo was er een man – laten we hem Sjonnie noemen – die mijn tapijt wel wilde hebben. Sjonnie hield echter niet van sjouwen en flikkerde de vier meter lange en zo’n vijftig kilo wegende rol tapijt van tweehoog van de balustrade terwijl hij iets mompelde over de wet van Newton. Dan was er nog de dikke kale, die mijn ondervloer wel wilde hebben. De dikke kale was minder goed op de hoogte van natuurkundige wetten met betrekking tot zwaartekracht dan Sjonnie en na twee keer naar boven te zijn gelopen leunde hij al hijgend tegen de muur terwijl het zweet van zijn kop gutste. “Ik ben dit niet gewend”, meldde hij totaal overbodig, terwijl hij het zweet met zijn kingsize-hemd van zijn knalrode kop veegde en mij daarbij uitzicht bood op zijn enorme behaarde buik, die eerder op zijn knieën dan op zijn riem rustte. Mijn gasfornuis sleet ik aan Madelon, maar de gast die de volgende dag voor mijn deur stond, leek in de verste verte niet op wat voor Madelon dan ook. Alvorens ik een waterpomptang ging zoeken om de gasaansluiting los te koppelen, informeerde ‘Madelon’ of ik het al met de hand had geprobeerd. Ik knikte. Madelon draaide met zijn blote hand en een minimale inspanning de bout los, kon het niet laten om toch even smalend te benoemen dat ik niet erg sterk was, drukte me 25 euro in m’n handen en vertrok met mijn gasfornuis.

Via mijn werk heb ik weinig contact met particulieren, want die lijken niet te willen begrijpen dat je als koerier moet leven van je werk. Ze haken af wanneer je niet voor drie tientjes heen en weer rijdt naar Amsterdam, want hé, het kastje dat ik gekocht heb was maar twintig euro. Alsof ik daar iets mee te maken heb. Desalniettemin zijn er mensen die wel een reëel beeld hebben van de kosten die ik beroepsmatig maak. Zo was er de man die een appartement bewoonde aan het Vondelpark. Hij had zijn keukendesigntafel via marktplaats verpatst voor vierduizend euro, omdat hij ging verhuizen naar een appartement twee etages hoger, “want ik wil wel eens een ander uitzicht”, zo verklaarde hij. Toen de tafel gedemonteerd moest worden, zocht hij het hele huis af naar een ouderwetse tekendoos waarin enkele schroevendraaiers lagen te verstoffen. Het zou me verbaasd hebben als hij ze ooit had aangeraakt. Terwijl ik het tafelblad achterin mijn bus tilde, verkondigde hij dat ik een betrouwbare indruk maakte, wat vooral iets zei over het beeld dat hij van koeriers in het algemeen had. Misschien had ie verwacht dat ik het tafelblad op mijn knie doormidden zou breken om de losse delen vervolgens achteloos in mijn bus te werpen. Dan viel het natuurlijk alleszins mee.

Een andere keer haalde ik samen met een alcoholverslaafde een terrarium inclusief twee baardagamen op. Bij binnenkomst in het huis in Deventer werd ik bijna aan stukken gereten door een enorme hond die met een massieve plank in de keuken werd gehouden, maar het niet naliet om er met zijn voorpoten overheen te springen en de indruk te maken me te verscheuren als hij maar de kans kreeg. Op de terugweg werd ik onafgebroken aangestaard door twee baardagamen, waarbij een van de twee één keer zijn hoofd draaide. Dat was het.

En dan was er nog een tonnetje-ronde man die een nieuw matras had aangeschaft. Laten we hem Peter noemen. Peter wilde met mij meerijden, maar deed er vijf minuten over om zich in mijn wagen te hijsen. Ik maakte voor hem de gordel vast, want dat kon hij zelf niet. De gordel paste niet over zijn kolossale buik heen maar moest er bovenlangs waardoor hij als een terdoodveroordeelde door ophanging naast me zat. Tijdens het ritje dat hooguit tien minuten duurde, hadden we het bizar genoeg toch vrij snel over viagra. Peter was door een hele waslijst aan fysieke ongemakken (die hij ook stuk voor stuk de revue liet passeren) seksueel onthand. Waarom ik dat per se weten moest, ontging me. Hoe dan ook, viagra was hartstikke duur en dat zat Peter dwars. Hoe deze kolossale man zijn piemel omhoog moest krijgen om vervolgens ook nog een vrouw te beklimmen, was mij een raadsel, viagra of niet.

Hoe het ook zij, ik raakte mijn spullen kwijt. Links en rechts werd mijn huis door bonte types ontmanteld en leeggetrokken. Ik was klaar voor een nieuwe start met een nieuw huis en nieuwe spullen. Niet nieuw-nieuw, maar nieuw omdat ze anders waren. Anders als in vrolijk, anders als in kleurrijk. En godverdomme, wat was ik daar aan toe. Wat dit alles mogelijk maakte, was geluk. Heel veel geluk. Dat, en een vriend die me zei dat ik in een donker hol woonde. Ook daar heb je vrienden voor.

© Sjaak van Haaster

Nieuwe dingen

Bij een nieuwe fase horen nieuwe dingen: nieuwe mensen, nieuwe indrukken, nieuwe hobby’s, nieuwe gesprekken, nieuwe buren. Nee, niet allemaal tegelijk, want dat kan een mens niet aan. Een voor een, dat is beter.

Dat mijn telefoon zou gaan had ik wel verwacht, dat dat om tien over zes zou zijn echter niet. “Hoi Sjaak, gefeliciteerd met je verjaardag!” zei een vrouw aan de andere kant van de lijn. “Ik heb even wat langer doorgewerkt zodat ik je een leuk cadeau kon geven op je verjaardag. Alle papieren zijn rond, gefeliciteerd met je nieuwe huis!” Kan ik haar in dienst nemen?

Nieuwe dingen dwingen je afscheid te nemen van oude dingen. Ik moet afscheid nemen van mijn huis. Ik moet afscheid nemen van mijn buren, mijn kleurrijke buren mag ik wel zeggen.

Naast mij woont Jan. Jan is een man van middelbare leeftijd met een sterke voorkeur voor buitenlandse vrouwen. Eerst had hij een Colombiaanse, daarna een Poolse. Toen die raar ging doen, stapte hij over op een Vietnamese. Stuk voor stuk waren ze luid. Ze skypten met familie in den verre en vulden mijn appartement zo met achtergrondgeschetter. In het begin vond Jan mij niet zo aardig, later gelukkig wel. Hij vind het jammer dat ik wegga, want ja, ‘je weet maar nooit wat ervoor terugkomt’. Aardige vent wel.

Verderop woont Jekaterina. Jekaterina komt uit Rusland. Ze is bijna 80, maar ziet eruit als 55. Ze wil dat ik met haar nicht ga trouwen. Tegen betaling, dat dan weer wel. Erg verleidelijk lijkt het me niet, trouwen met een vrouw die alleen maar bij mij is voor een verblijfsvergunning en met wie ik alleen maar samen ben omdat ik er een zak geld voor krijg. Erg romantisch is het ook al niet, maar als je op die manier je droomvrouw tegen het lijf loopt, dat is verdomme wel een goed verhaal!

Aan de andere kant woont Lucas. Lucas is een horder en verzamelt alles wat los en vast zit, maar vooral alles wat los zit. Zijn huis staat vol met ondefinieerbare rotzooi waar hij nog plannen mee heeft. In de woonkamer staan de dozen opgestapeld tot het plafond, een nauw paadje leidt naar de bank en het toilet. Stapels tijdschriften liggen her en der verspreid op de tafel en de grond. Een paspop met een jurk van metalen ringen decoreert zijn woonkamer. Lucas kweekt zijn eigen ecosystemen, opdat hij in de toekomst ecologische muggenvallen kan verkopen. Daarnaast verzamelt hij blikjes, ‘want daar kun je een straaljager van maken’. Ook loopt hij rond met ‘fantastische ideeën voor nieuwe spellen’. Lucas maakt plannen, dat is zijn werk. Leuke vent. Aan de meeste leuke mensen zit wel een steekje los.

Een nieuw huis, een nieuw droomhuis nog wel. Wie had dat gedacht? Soms lacht het geluk je gewoon toe, denk ik. Dus: wie heeft er nog verhuisdozen?

© Sjaak van Haaster

Vieze karretjes

“Meneer, de vieze karretjes staan aan de andere kant”, zei een blond pubermeisje tegen me toen ik in gedachten verzonken mijn winkelwagen in een rij andere wilde laten verdwijnen. Vies? Och, ik heb ‘m alleen maar aangeraakt, kwam er in mijn gedachten op als verweer. Ik sprak het niet uit. Grappig hoe woorden in enkele maanden tijd een totaal andere lading konden krijgen. Dat ging niet alleen op voor het woord ‘vies’, ook andere woorden waren de laatste tijd sterk aan inflatie en deflatie onderhevig. Vies. Schoon. Sociaal. Asociaal. Verbondenheid. Vrijheid.

De dag waarop de vrijheid gevierd diende te worden, was onopgemerkt en geruisloos voorbijgegaan, als een blaadje in de wind. Vlaggen hingen uit, maar de straten waren leeg. ‘Vier de vrijheid, maar doe het thuis’, luidde het advies. Dat advies reduceerde de vrijheid in zeven woorden tot een lege huls. Dat is best een beetje cynisch. En grappig. Sommige cynische grappen schrijven zichzelf.

Het hele leven draait om vrijheid en verbondenheid en de balans daartussen. Elke relatie, elk gesprek, elke ruzie, elke vrijpartij. Dus als er van overheidswege verordonneerd wordt om afstand te houden, dan ben ik alert. En als een zekere afstand prevaleert boven een fundamenteel menselijk grondrecht, dan ben ik verbaasd. En als noodverordeningen zo snel mogelijk een wettelijke basis moeten krijgen, dan word ik bezorgd.

Voor de bewoners van het verzorgingshuis waar ik driemaal per week eten bracht, hadden alle woorden hun betekenis allang verloren. De oudjes dwaalden als stuurloze grasmaaiers rusteloos over het terrein. De een begaf zich met een rollator op het gazon, een ander raakte verstrikt in de struiken, steeds op een andere plek, alsof het groen een magische aantrekkingskracht op haar had. Hier wisten de mensen niet meer wat vrijheid was en zaten ze al jaren gevangen in hun eigen hoofd. De een wachtte op een pakketje uit Londen –”nee, meneer, ik denk dat het morgen komt”–, de ander op mensen die hem naar de maan zouden brengen –”Wilt u graag naar de maan?” “Nou, nee, niet per se.” “Ik denk dat u wel hier mag blijven wonen, hoor.” “O, dat zou geweldig zijn!”

En dan was er nog Tillie. In de zomer pakte zij af en toe met beide handen mijn blote biceps vast, kneedde er zachtjes in en bracht dan mompelend uit: “Ik vind dit toch zo lekker, hè.” Als ik me dan voorzichtig van haar probeerde te ontdoen, klampte ze zich jammerend aan me vast, als een kind aan zijn moeder op de allereerste schooldag aan de rand van het schoolplein. Onderwijl keek ik hulpzoekend rond, ten einde door het verzorgend personeel van haar bevrijd te worden. De dood was hier nabijer dan de vrijheid en de wanhoop nabijer dan de dood.

De taal ging niet teloor zoals de sociale conventies, maar veranderde wel op een veelzeggende manier. Was het zo dat de mensen de verloren verbinding te lijf wilden gaan door te pas en te onpas het woord ‘inderdaad’ te gebruiken, dat instemming met de gesprekspartner suggereerde hoewel deze nooit had plaatsgevonden? Was het daarom dat mensen het hadden over ‘je’ in plaats van ‘ik’, zodat alle persoonlijke emoties gemeengoed werden en als zodanig gereduceerd werden tot een collectieve wetmatigheid die bij iedereen in een vergelijkbare situatie zou zijn opgetreden, in plaats van een persoonlijke, al dan niet schaamtevolle ervaring? Woorden veranderden, maar menselijke behoeften niet. Konden we daar niet gewoon open over zijn?

© Sjaak van Haaster

De kwartjeshoer en andere echo’s

Ik kwam met haar in contact via een klasgenoot, Talitha. Het was mijn eerste middelbareschoolvriendinnetje en daar was ik als dertienjarige maar wat blij mee. Via Talitha kreeg ik een briefje van haar. ‘Ik hou van jou, ik ben van jou en ik blijf je altijd trouw’ stond erop geschreven. Ik mocht dan dertien zijn en vrijwel geen ervaring hebben met meisjes op wat voor manier dan ook, dit kwam zelfs mij erg goedkoop en cliché over. Desalniettemin zette ik dapper door. Hé, ze stuurde me in ieder geval een briefje. Toch begon onze tweedaagse relatie na een dag al wat scheuren te vertonen. “Nikki is een kwartjeshoer”, zei Talitha. Ik vroeg me af of ik haar goed verstaan had. “Ze neukt met jongens voor een kwartje”, vulde ze cryptisch aan. Nu liet mijn zelfvertrouwen op dit gebied nogal te wensen over en ik was allang blij dat ik een vriendinnetje had, maar een kwartjeshoer, dat leek me toch niet al te best. Nochtans wist ik wie het zei: Talitha zelf was ook niet van onbesproken gedrag, op school grapten we veelzeggend dat haar tweede naam chlamydia was. De volgende dag in de bus naar huis vernam een schoolgenoot van Nikki dat ik een relatie met haar had. Ze reageerde: “Als je aids wil, moet je met haar nemen.” Het was de druppel die de schaamte ondraaglijk maakte. Ik maakte het uit en liet Talitha de boodschap aan Nikki overbrengen, zoals het hoorde. De kwartjeshoer heb ik nooit meer gezien.

*

Het vierde jaar op de middelbare school was net een week begonnen en ik zat onderuitgezakt op mijn stoel de klas gade te slaan in de gebruikelijke hectiek voordat de leraar het klaslokaal betrad. Nora, een knap rossig meisje dat het jaar overdeed en omdat ze een jaar ouder was al wat ronder was dan de andere meisjes, keek naar me en zei toen vanuit het niets: “Jij blijft dit jaar zitten. Ik zie het aan je; je blik, je houding, alles.” Verbaasd keek ik haar aan. Wellicht herkende ze iets van zichzelf in mij, zij was immers de ervaringsdeskundige. Misschien zei ze het in een opwelling, misschien was het uit rancune en wilde ze dat meer leerlingen ten prooi vielen aan het zittenblijven, zodat ze niet meer de enige mislukte was. Het blijft gissen. Hoe het ook zij, ze kreeg gelijk. Ik bleef zitten als een baksteen. Rond de kerst stond ik er al zo slecht voor dat ik de rest van het jaar vrijwel niets meer heb gedaan. Op mijn eindrapport prijkte één voldoende, een 6 voor gym. Het zou belachelijk zijn om Nora de schuld te geven van mijn matige prestaties dat jaar, maar misschien was het wel zo dat ze mijn gebrekkige vertrouwen in een goede afloop van het vierde jaar al meteen in het begin de grond in boorde. Hoe het ook zij, achteraf blijken haar woorden van voorspellende waarde te zijn geweest.

*

Elke pauze hingen we buiten op het plein zoals alleen pubers kunnen hangen. We staken het ene sjekkie met het andere aan en tussen de teugen tabaksrook door goten we zwarte koffie naar binnen. Frans, de conciërge van de school, was een van de weinige volwassenen die ons daar niet uit de weg ging. Hij bezat de gave overweg te kunnen met alle jongeren, zelfs sympathie af te dwingen door al dan niet geveinsd interesse te tonen en vragen te stellen die amicaal en oprecht waren of het op z’n minst leken. Toen hij mij vroeg of het schooltoneel niets voor mij was, schudde ik schuchter mijn hoofd, terwijl ik quasi-nonchalant een hijs van mijn peuk nam om mezelf een houding te geven. Terwijl hij mijn vrienden hardop door hem geschikt bevonden fictieve rollen voor een goedkope western toebedeelde, zei hij bij mij aanbeland: “Sjaak zou dan de bad guy zijn, daar is ie helemaal geschikt voor. Hij heeft zo’n echte daltonkin.” Ik voelde me gevleid en onzeker tegelijk. Als rokende en drinkende, tegen-alles-aan-schoppende 17-jarige voelde ik me best een bad guy, en zijn woorden bevestigden mij in mijn totaal niet met de werkelijkheid strokende zelfbeeld. Maar de daltonkin galmde nog lang na. Hij kon ook niet weten dat ik al twee jaar opzag tegen een kaakoperatie die rond mijn twintigste plaats zou moeten vinden. Dat ze mijn gehemelte in wilden zagen, mijn kaak wilden breken, dat ik zes weken lang vloeibaar voedsel zou moeten eten en wat voor ellende al niet meer. Dat ik al jaren niet naar mezelf kon kijken op foto’s die van opzij genomen waren, omdat die klotekin alles verpestte. Dat ik mijn beginnende baardgroei gebruikte om dat uitstekende ding zo veel mogelijk te maskeren. Natuurlijk kon hij dat niet weten.

*

Het was een scharrel als alle andere. Niks bijzonders: niet bijzonder knap, niet bijzonder aantrekkelijk, niet bijzonder leuk. Ze vertelde over haar ex-vriend die Spaans aan het leren was. “Het was voor hem best makkelijk om al die s-klanken uit te spreken, want hij slist een beetje, net als jij.” Net. Als. Jij. Het waren maar drie woorden, maar het besef dat ze aandroegen vond zijn weerklank in drieduizend woorden. Slissen? Ik? Nog nooit had ik er over nagedacht, nog nooit had ik er zelfs maar bij stilgestaan en nog nooit had iemand het tegen me gezegd: ik was iemand die sliste. Opeens dacht ik het te horen wanneer ik met iemand praatte en opeens was het het enige wat ik terughoorde in spraakberichten die ik verstuurde. Ik was iemand die sliste, niets aan te doen.

*

Het leek een aardige vent, zoals hij daar achter zijn rollator met kleine pretoogjes zijn omgeving bekeek. Hij vroeg me de weg, ik gaf hem die en we raakten aan de praat. Het was gezellig, zoals het dat alleen kan zijn met mensen die geen haast hebben. Hij vousvoyeerde me en ik hem. “Wat doet u voor werk?” vroeg hij. “Ik ben koerier”, antwoordde ik. “O ja, en heeft u ook nog een echte baan?” Heeft u ook nog een echte baan, wat moet je daarop zeggen?

*

De woorden resoneerden lang na, maar er ontkiemde verlichting bij het verstrijken van de tijd. De echo galmde uit en de waakvlammen doofden. Kortom, de woorden verloren hun lading zoals woorden dat horen te doen. Daarnaast was het lot me goedgezind. Ik verzekerde mezelf ervan dat ik een echte baan had, de kaakoperatie ging niet door, ik maakte mijn vwo af en ik liet me niet meer in met kwartjeshoeren. Het slissen bleef bestaan, maar enkel in mijn hoofd – zoals de meeste dingen.

– Alle namen in dit stuk zijn gefingeerd

© Sjaak van Haaster

 

Bidden of zwijgen

Meanderend langs de Fries-Groningse provinciegrens zapte ik langs radiozenders op zoek naar iets wat wel veel soeps was. De maatschappelijke discussie was ontaard in een tweestrijd tussen de sceptici en de apocalyptici – zoals alle discussies eigenlijk –, die naargeestig trachtten de ethiek af te bakenen met taal. Onmogelijk natuurlijk, laat staan met duidelijke taal. De vrijheid was inmiddels gesneuveld, nu was het de beurt aan het plezier en de privacy.

In het foute uur – ook wel het schaamte-uur genoemd (door mij) – zong Billy Joel over getroebleerde zielen die in een pianobar troost zoeken in de muziek en bij elkaar. Troost zoeken bij elkaar mocht niet meer, luisteren naar een lied waarin andere mensen dat doen nog wel, maar dan alleen in het foute uur want daarbuiten was ook dit lied taboe verklaard. Net als al mijn muzikale jeugdsentimenten trouwens. Je schuldig voelen was de nieuwe mores, schaamte de nieuwe norm.

Ik dwaalde af naar 1995, een tijd waarin de preutsheid nog onder de oppervlakte borrelde. Vastgekluisterd aan de televisie verslond ik videoclips op de net opgerichte muziekzender TMF. The Nightcrawlers, Tokyo Ghetto Pussy en Sin with Sebastian (‘Shut up and sleep with me’) gaven op een surrealistische doch fantastische manier kleur aan mijn leven. De net iets te expliciete clips wakkerden mijn heimelijk ontluikende seksuele gevoelens nog verder aan. Dat, en het tijdschrift Aktueel, dat ik wekelijks uit de leesmap mee naar mijn slaapkamer smokkelde om me te vergapen aan de blote vrouwen, die me uitgedost met grote bossen schaamhaar verlokkelijk aankeken.

1995 was één lange zomer, net als mijn hele jeugd trouwens. Alles gebeurde in 1995. Ik kreeg een zusje en mijn eerste racefiets. Ik had 170 gulden bij elkaar gespaard, mijn ouders legden 30 gulden bij. Twee dagen later reed ik met diezelfde racefiets op een auto. Toen ik door vier mannen de huisartspraktijk binnengedragen werd, kwam ik weer bij kennis. Het was een geluk bij een ongeluk dat ik verongelukte op de kruising waar onze huisarts woonachtig was. Het eerste wat ik vroeg was: ‘Is mijn fiets nog heel?’ Het geeft maar weer aan hoe wij mensen in tijden van crises volstrekt verkeerde prioriteiten stellen. Het stuur was krom, het voorwiel dubbelgevouwen. De fietsenmaker* herstelde mijn fiets kosteloos. Van mijn moeder moest ik een bos bloemen voor hem kopen. Dankbaarheid uiten kun je leren, ik word er al iets beter in. Met mijn arm in een mitella won ik enkele dagen later het songfestival op onze school. 25 jaar later hield het virus huis in mijn geboortedorp, een gevolg van de ‘sterke gemeenschapszin’, aldus de loco-burgemeester. Mensen verzinnen de gekste dingen om het onverklaarbare verklaarbaar te maken, maar daar waren ze in deze contreien altijd al goed in.

Ik passeerde dorpen en gehuchten met illustere namen als Sebaldeburen, Gaarkeuken en Ruigewaard. Boven de landerijen ten noorden van Grijpskerk kreeg de wind vrij spel en werd mijn busje geteisterd door slagregens en rukwinden. Het stuur hield ik iets scheef om het geweld te weerstaan en rechtuit te blijven gaan. In de tuin van een huis wapperden een Israëlische en een Jordaanse vlag aan een en dezelfde hoge vlaggenstok gebroederlijk naast elkaar. Verder gebeurde hier niets.

Boven de landerijen in de verte trotseerde een torenvalk de stormachtige wind en zweefde statig tegen de achtergrond van een grauwe wolkenmassa. Een dierbaar iemand vertelde me dat dit bidden heet. Ik noemde het altijd zwijgen, sommige verbindingen in de hersenen zijn hardnekkig. Maar zeg nou zelf, hoe ver liggen bidden en zwijgen nu echt uit elkaar?

© Sjaak van Haaster

*Met dank aan Jan Mulder

Iedereen een paria, iedereen een held

Voor het eerst was de weg op vrijdagmiddag vanuit het westen naar huis filevrij. De ineens krankzinnig geworden wereld, die in een razend tempo gereduceerd was tot één probleem, had tot een kaalslag geleid op de Nederlandse wegen. De verlaging van de snelheid was een niet noemenswaardige gebeurtenis gebleken. In diezelfde wereld was toegeven aan je meest essentiële menselijke behoeften gebombardeerd tot de nieuwe hufterigheid en het nieuwe egoïsme. Iedereen was een paria en diende zich navenant te gedragen.

Voor de mensen die in die wereld leefden, waren tegenslagen verworden tot iets uit vervlogen tijden. Tijden van schaarste, tijden van oorlog, tijden waarin het leven hard en onrechtvaardig was. In de veertiende eeuw werd datzelfde continent via dezelfde laars die daaraan bungelde, getroffen door iets dat zich aandiende in de vorm van zwarte bulten en diens slachtoffers in twee tot drie dagen op gruwelijke wijze de dood in joeg. Gebieden raakten ontvolkt, steden werden lamgelegd. Mensen om de lijken te begraven waren er niet meer. Mensen om het land te verbouwen waren er ook niet meer. De bevolking decimeerde en huiverde. Die tijden waren gelukkig voorgoed voorbij. Het leven was genieten, het leven was maakbaar, het leven was streven naar geluk. Niets zou dat geluk in de weg staan, ook tegenslagen niet.

Het meisje van anderhalf begreep er maar weinig van. Waarom kreeg ze geen aai meer over haar bol van de mensen die dat gewoon waren te doen? Waarom liep iedereen met zo’n wijde boog om haar heen? Had ze misschien iets verkeerd gedaan? De bejaarde man in wiens hoofd het al jaren schemerde staarde de hele dag door het raam naar buiten, wachtend op bezoek dat nooit zou komen, terwijl de laatste herinneringen aan zijn kinderen en kleinkinderen zonder de noodzakelijke voeding langzaam oplosten. De depressieve stewardess, die verordonneerd werd zich twee maanden in haar eigen huis op te sluiten, werd het te veel en hing zichzelf op.

In het land waarin altijd maar dan ook altijd de gewoonheid zegevierde, dreef de gekte mensen ertoe in groepsverband op pannen te slaan en zich te voorzien van overbodige proviand, waardoor de kwetsbaren misgrepen. Opeens was iedereen ‘die zich met gevaar voor eigen leven in de frontlinie begaf’ een held, want zonder oorlogsretoriek geen helden. Maar hoe zat het dan met die miljoenen helden van 75 jaar geleden?

De gezagsdragers hadden elk voorjaar hun mond vol van vrijheid. Vrijheid was het waard om voor te vechten, vrijheid was het grootste goed, vrijheid was onbetaalbaar. De bevolking moest dankbaar zijn, want vrijheid was niet vanzelfsprekend. Vierhonderdduizend Amerikanen, zes miljoen Duitsers, vijfentwintig miljoen Russen en ontelbaar veel anderen konden dit bevestigen, ware het niet dat ze vanaf de andere wereld levenloos toekeken hoe de vrijheid waarvoor zij hun leven gaven in enkele weken te grabbel werd gegooid.

De boodschap van de moralisten bleek een lege huls. De máákbaarheid was onbetaalbaar, niet de vrijheid. Desalniettemin lieten de mensen het zich apathisch aanleunen, bleven thuis en buitelden over elkaar heen om elkander de les te lezen. De maatschappelijke prijs voor de maakbaarheid, die in de nabije toekomst betaald zou moeten worden, was onmetelijk groot en zo onzichtbaar als de vijand, maar daarom niet minder reëel of ingrijpend. Een generatie pubers werd achtervolgd door de herinnering aan een onverdiend en daarom onbevredigend diploma, honderdduizenden banen gingen verloren, depressies grepen om zich heen, mensen stierven zonder hun dierbaren nabij te hebben en de eenzaamheid regeerde. Honderden, zo niet duizenden vragen werden gesteld, behalve die over het middel en de kwaal. En niemand die het aandurfde om die o zo gevoelige, doch prangende vraag te stellen: wat is de prijs van vrijheid?

© Sjaak van Haaster

De tragiek van het ongezegde

Zoals hij daar zat, zwijgzaam kijkend door het vale raam dat uitzicht gaf op een inktzwart wolkendek dat zich langzaam over de weilanden voorttrok, straalde hij een sereenheid uit die alleen oude mensen over zich hebben. Zijn berustende blik was er een van een mens dat zijn leven geleefd had en zich geen illusies meer maakte over de nabije, laat staan de verre toekomst. Het handvat van de bruin leren aktetas, die overdwars op zijn schoot stond, omklemde hij met twee rimpelige handen waarop de ouderdomsvlekken het huidkleurige pigment reeds sinds lange tijd aan het verdringen waren. Hij leek op een kind dat een deftige jockey imiteerde. Zijn benen vormden een perfecte hoek van negentig graden en uit het eind van de bruine ribbroek met wijde pijpen staken twee dunne enkels. Zijn voeten, in donkerbruine, suède schoenen gestoken die te grof leken voor zijn tengere lichaam, stonden iets naar binnen.

‘Mag ik naast u zitten?’, vroeg ik op gedempte toon, bang dat ik was om zijn rust te verstoren. ‘Ja, hoor’, antwoordde hij, terwijl hij onnodig nog enkele centimeters richting het raam opschoof en kort zijn ogen naar me opsloeg om de jongeman gade te slaan die hem zojuist uit zijn trance had gehaald. Aanvankelijk zwegen we, maar de stilte duurde kort. Met het in beweging komen van de trein kwam ook ons gesprek op gang.

We praatten over de onheilspellende lucht die langzaam donker kleurde, over het zorgwekkende telefoongebruik onder jongeren en over de teloorgang van het intermenselijk contact, kortom, over datgene waar men over praat als men elkaar niet kent. En over de oorlog.

‘Alle volwassen mannen werden in Duitsland tewerkgesteld. Mijn vader zat echter ondergedoken. Eens in de zoveel tijd hielden ze razzia’s in onze wijk. Dat was wel ongemakkelijk, want al die moeders en kinderen zagen dat onze vader in tegenstelling tot de hunne er niet bij stond. Dat leverde natuurlijk wel scheve gezichten op’, vertelde hij, terwijl een ongemakkelijke glimlach rond zijn mond verscheen.

Hij vervolgde: ‘Tijdens de hongerwinter liep ik met mijn broer helemaal naar de Veluwe, op zoek naar voedsel.’ Nu pas viel zijn overduidelijke Rotterdamse tongval me op. ‘Ik was toen negen jaar oud, mijn broer was vijftien. We kregen eten en hij gaf de helft meteen aan mij, de rest bewaarde hij. Toen ik een half uur later vroeg of ik nog iets mocht, had hij het zelf opgegeten. Ik werd ontzettend boos op hem. Ja, stom hè? Hij had natuurlijk ook vreselijke honger.’ Met een schuldbewuste blik keek hij voor zich uit. Ik had met hem te doen.

Mijn gedachten dwaalden af. Wat deed ik toen ik negen was? Ik jatte supermarkten leeg, ik verkocht het favoriete speelgoed van mijn broer voor drie kwartjes aan het vreselijkste joch uit de hele straat en ik legde rookbommen onder de ramen van de buren. Bovenal dacht ik nooit 35 te zullen worden, maar ik werd 35 en het kwam toch nog aardig goed met me. Volgens mij kun je iemand iets wat ie op zijn negende deed niet eindeloos nadragen.

‘Op de terugweg belandden we in een geallieerde luchtaanval. Mijn broer duwde mij een greppel in, maar werd zelf getroffen door een bomscherf. Hij overleed ter plekke. Ik ben naar huis gebracht door een vreemde man, achterop zijn fiets. Veertig kilometer heb ik achterop gezeten en weet je wat het gekke is,’ gefascineerd keek ik hem aan en schudde mijn hoofd, ‘de hele weg hebben we niets tegen elkaar gezegd. Raar, hè? We zeiden al die tijd helemaal niets tegen elkaar. Kun je je dat voorstellen?’ ‘Nee’, antwoordde ik zachtjes. ‘Ik heb mijn vader nooit zien huilen,’ ging hij verder, ‘maar toen ik thuiskwam huilde hij. Zijn ene zoon was dood, de ander was levend teruggekomen. Ik vond het zo raar om mijn vader te zien huilen, dat weet ik nog zo goed. Dat had ik nog nooit gezien.’

Ach ja, mannen en huilen. Is er in 75 jaar iets veranderd?

‘Weet je wat me soms zo irriteert,’ vroeg hij, terwijl het overduidelijk was dat hij de vraag weldra zelf zou beantwoorden, ‘dat mijn kinderen nooit het hele verhaal hebben gehoord. Dan zeggen ze: “Pa, dat verhaal over de oorlog kennen we al.” ‘Verdrietig keek hij voor zich uit. ‘Hebt u een goede band met uw kinderen?’, vroeg ik. ‘Ja, dat wel’, antwoordde hij.

De trein reed station Arnhem binnen. We namen afscheid van elkaar. ‘Ik hoop dat je het niet vervelend vond’, zei hij op verontschuldigende toon. ‘Helemaal niet!’, reageerde ik met klem, hopend daarmee zijn onzekerheid weg te nemen. Op de trap kruisten onze wegen nog een keer. ‘Weet u,’ begon ik voorzichtig, terwijl hij verbaasd naar opzij keek, ‘ik heb er even over nagedacht en ik denk dat u uw kinderen het hele verhaal gewoon eens moet vertellen. U kunt ze opbellen, uitnodigen en zeggen dat u dat graag wilt. Dat zullen ze toch wel begrijpen? Nu kan het nog, misschien is het anders te laat.’ ‘Ja, misschien heb je gelijk. Dankjewel.’

© Sjaak van Haaster

En zo was het ook

De misschien wel warmste winter ooit diende zich aan als een wreed monster en openbaarde zich als de langste winter ooit. Meer dan ik me heugen kon snakte ik naar de krokussen die zich ten langen leste als langgekoesterde hoop ontvouwden uit de koude grond, zoals ze dat elk jaar deden, en blijk gaven van een circulaire wetmatigheid die onvermijdelijk en o zo welkom was. De paarse, gele en witte bloemen toverden kleine stukjes groene buitenwereld om tot kleurrijke paletten en trokken zich niets aan van de binnenwereld die zo lang kleurloos en pikdonker was geweest. Ze lieten eens te meer zien dat er altijd verandering is, al is die verandering soms onzichtbaar en kwellend traag, en dat er altijd continuïteit is, want alles gaat door, net als cliché’s.

De winterbanden, die ik weer trouw had aangeschaft, sleten zonder een noemenswaardige functie te vervullen en werden door de winter in de steek gelaten. Kilometer voor kilometer gleed het te warme asfalt onder ze door, maar godzijdank. Alles stond stil en ging toch door. De klanten bleven bellen, de koerier bleef leveren, de Russische taal bleek een neembare horde en de goede dingen dienden zich aan, eerst mondjesmaat, daarna als roze olifanten die al het andere in de bovenkamer naar verre hoeken verdrongen.

Met herwonnen levenszin en wilskracht omarmde ik de eindigheid van de dingen die zo oneindig hadden geleken en desalniettemin onvermoed aantoonden dat er geen einde was, althans, geen allesomvattend einde. Leonard Cohen verliet de tafel en keerde maar zelden terug. En als hij terugkeerde, vertolkte de krachteloze stem niet langer de wanhoop, maar de hoop, de troost en het vertrouwen. De zon behield haar licht, de koude en bittere wind raasde uit, de uitgewiste sporen keerden terug, de eindeloze nacht werd een dag. En zo was het ook, verdomme.

© Sjaak van Haaster

Een eindeloze nacht

Ik wilde er niet meer zijn. Of nee, ik wilde niets zijn. Want niets wil niets en niets voelt niets. Maar ik was er en ik wilde en ik voelde. Waar zou ik nog een vrouw vinden die aan de Franse kust met mij zou slapen in mijn bus bij temperaturen onder nul, die ik in Ierland kon verrassen met een onaangekondigd bezoek en die samen met mij naakt zou paraderen in kleine stukjes paradijs?

Ik leerde dat er vragen zijn die een antwoord verdienen, maar dat nooit krijgen. Ik leerde dat verdriet kan voelen als een dolk die op willekeurige momenten in je buik gestoken wordt en in je maag wordt rondgedraaid. Niet te doen. Ik leerde dat missen soms het enige is wat je kunt doen. Ik leerde dat slapen de enige pijnloze bezigheid op een dag kan zijn. Ik leerde dat in mijn lijf een pavlovreactie plaatsvond bij het tegenkomen van haar spullen, het lezen van Zwolle op borden boven de weg en het oprakelen van zoete, doch pijnlijk geworden herinneringen. Ik leerde dat een koerier die na een lange dag op weg is naar vrouwelijke geborgenheid een andere is dan de koerier die op weg is naar niets.

‘Niet een handvol, maar een land vol’, er was echt iemand die dat zei. Een grotere miskenning van mijn emotionele toestand was niet denkbaar. Stompzinnigheid is hardnekkig, en soms verwijtbaar.

De broodnodige hulp kwam soms uit onverwachte hoek. Ik hield lijntjes met Leuven, Utrecht, Zutphen, Deventer en Zwolle. Of zij hielden lijntjes met mij. Ik ben ze er dankbaar voor.

En als ik door de overweldigende leegte verzwolgen dreigde te worden, dan was er Leonard Cohen, die met een krachteloze en doorrookte stem precies dat verwoordde, wat niet te verwoorden was. Versteende bloemen, een zee enkel van zand, mensen die je pijn deed en daarvan nooit zouden helen, een eindeloze nacht. Zo zou het zijn. En zo was het, verdomme.

© Sjaak van Haaster