Mens-erger-je-niet

De halve deuren zijn verdwenen, althans, ik zie ze nooit meer. Vroeger thuis hadden we er een. Je weet wel, die deuren waarvan de onderste helft dicht is en de bovenste helft openstaat. Zo’n deur waarop je met je onderarmen leunend, je handen losjes over de rand, een sigaret tussen je vingers en samengeknepen ogen tegen de zon de eerste warme lentedag begroet. Zo’n deur waar acteurs in oude komedies altijd theatraal overheen vallen, waarbij hun hoofd tijdens de duikeling door hun benen wordt ingehaald. Bij ‘Het wapen van Scheveningen’ hebben ze hem nog wel, de halve deur. Het is vandaag dan ook de eerste warme lentedag.
Bij ‘Het wapen van’ denk ik aan een ietwat saai, doch degelijk grand café waar je rond het middaguur tosti’s en uitsmijters kunt bestellen, terwijl op de achtergrond Lionel Richie of Celine Dion op fluistertoon de uitgestorven ruimte vult. Zo niet bij ‘Het wapen van Scheveningen’. Niets is vanmiddag zoals ik het verwacht. De strakblauwe lucht ging halverwege Den Haag over in wat sluierbewolking die ter hoogte van de Scheveningse dorpsgrens plaatsmaakte voor een witte, ondoorzichtige deken, die door de wind vanaf het strand in verdunde vorm de bebouwing in werd gejaagd. Op het strand was de deken op het zand neergedaald en ik hoorde de zee, maar ik zag hem niet. Wandelaars doemden als geesten op uit de mist om daarna vijftig meter verderop evenzo te verdwijnen. Ik bevond me in een witte kamer, waarvan de zanderige vloer met tussenpozen overspoeld werd met zout, schuimend water. Voor het eerst ervoer ik zoiets als claustrofobie, hoewel de zee voor me zich uitstrekte tot aan de Engelse kust.

 

♪…en ik voelde mij daar zo alleen…♪

 

Met een doorrookte stem begroet de barvrouw op leeftijd mij bij binnenkomst. Afgezien van André Hazes is het oorverdovend stil. Haar rimpelige hoofd is getooid met kort, blond geverfd haar. Haar ogen staan vriendelijk wanneer ze opkijkt van haar spelletje mens-erger-je-niet. Haar medespelers zijn een dik opgemaakte dame van middelbare leeftijd, wiens donkere, golvende haar in een imposante knot op haar hoofd is gedraaid en een reus gekleed in een Adidas-trainingsbroek, felgekleurde Nike-sportschoenen en een grijs t-shirt waar ik minstens drie keer in pas en dat ondanks het reusachtige formaat strak om zijn imposante schouders gespannen staat. Zijn nek is zo dik als mijn bovenbeen en tussen de twee vetrollen die zich door zijn ineengekrompen houding gevormd hebben, klemt een dikke, gouden schakelketting. Aan de pilaar in het midden van de ruimte hangt een metalen bord waarop gedrukt staat: ‘Verboden voor Feyenoorders’. Achter de bar hangt een bordje met de tekst: ‘Heren, bij plassen bril omhoog, bij poepen broek omlaag’. Zo’n kroeg dus.

 

♪…ja, ik denk nog steeds, hoe het was geweest…♪

 

Vanaf de wc komt een manke, kale man langs de bar terug gestrompeld. Hij neemt zijn plek in aan de ronde mens-erger-je-niet-tafel zonder deel te nemen aan het spel, legt zijn rechterarm te rusten op het oubollige, schurende bloemetjestafelkleed en slaat met een onderuitgezakte houding de eenzame, zwijgende mannen in de kroeg gade.

 

♪…Als ik wist wat jij toen dacht, had ik nooit op jou gewacht…♪

 

In het hoog-Haags steekt hij van wal: ‘Jezus, wa een pleuriszeui hier! Kèèk ze nou, al die èèkels met hun mobiele telefeun, godverdomme, je gaat toch naar de kroeg om met elkar te aawehoere, wa is di nou voor kutzeui? Stelletje mongeulen, flikker da ding toch weg. We kenne hier toch geweun een gesprek voere, ja toch? Dar gaj-je toch voor naar de kroeg, of nie-tan? Hé, jè dar met je pààrdestààr, lèèster je wel? Wa kom je hier doen aj-je toch allèèn mar op dà ding leupt te kleutvieulen?’ Het is alsof ik in een sketch van Harrie Jekkers terecht ben gekomen.

 

♪…Als een kind zat ik te dromen…♪

 

Hij heeft het tegen mij, zoveel is wel duidelijk. Al zit ik half met mijn rug naar hem toe gedraaid, ik ben hier de enige met lang haar, en hoewel ik geen paardenstaart maar een knotje heb, lijkt het benadrukken van dit verschil me nu geen goede zet. Terwijl ik quasi-nonchalant het kopje koffie, dat zojuist voor me is ingeschonken door de barvrouw, richting mijn mond breng – ‘het is met liefde gezet, dat scheelt een hoop’, zei ze er nog bij – , ratelen mijn hersenen. Hoe moet ik hierop reageren? Ik kan hem niet negeren, maar ik heb zo een-twee-drie ook geen ad remme reactie paraat waarmee ik de door hem opgebouwde spanning in een keer kan vloeren. Ik ben bang om een opmerking te maken die een averechts effect zal hebben. Ik ga voor het onschuldigste: ik besluit me om te draaien en te glimlachen met de kop koffie nog aan mijn lippen. Zo maak ik duidelijk dat ik hem niet negeer, maar geef ik mezelf nog enkele seconden respijt om te bedenken wat
ik nu in hemelsnaam moet zeggen.

 

♪…Maar die droom ging snel voorbij…♪

 

‘Nà, zeg es, wààr kom je vandààn?’ Daar gaat mijn bedenktijd. ‘Zutphen’, antwoord ik zo nonchalant mogelijk. ‘Euké, en wa doe je hier?’ ‘Ik ben koerier en ik heb net iets afgeleverd in Den Haag.’ ‘Kèèk, nà hebbe we èn gesprek, zeu moeilijk is da toch nie? En jè?’, vraagt hij aan een magere man met een klein rond buikje, die tot nu toe zwijgzaam voor zich uit heeft zitten staren. Tot mijn opluchting ben ik weer even buiten schot.
‘En Nelly, ben je nog vreemd geweest van het weekend?’ vraagt een magere, bebrilde man aan de bar aan de barvrouw, die kortstondig haar plaats aan de mens-erger-je-niet-tafel verlaten heeft om een biertje te tappen. ‘Nee, Nico, ik heb alleen maar aan jou gedacht’, reageert ze quasi-verveeld. Nico vervolgt zijn gesprek over voetbal met een andere stamgast. ‘Ja, volgens mij is het een Turk hoor, die scheidsrechter.’ ‘Nee, het is geen Turk, en ach, wat ken het ook verrotte waar ie vandaan komt, hij ken nie fluite, die eikel. Ophangen motte ze ‘m.’ Waarop Nico zegt: ‘Of eindigt z’n naam op ‘tsjek’, want dan kan het ook nog een Tsjech zijn.’
Even later keert de kale zich weer tot mij. ‘Kèèk, zeu doen we da hier. As je op je telefeun wil koekeloere, dan doe je da màr op de hoek van de stràt. Ik wee nie hoe da gaa bè jaw in Utrecht of war je dan euk weunt, maar in èn kroeg pràà je mè elkààr.’ Ik besluit me niet zonder slag of stoot terecht te laten wijzen en in de tegenaanval te gaan, dat werkt bij dit soort mensen soms toch gewoon het best. ‘Nou, dat praten met jou heeft weinig zin. Ik heb je net verteld waar ik woon, maar dat ben je nu alweer vergeten’, zeg ik, terwijl ik hem smalend aankijk. Er gaat een lachsalvo door de kroeg. Stilletjes geniet ik ervan. ‘Kèèk, di bedoel ik nà, nu hebbe we teminste èn discusjie.’

 

♪…ik moet even weg, maar ben zo terug…♪

 

Mijn telefoon gaat over. Terwijl ik het ding al aan mijn oor houd, zeg ik bij het naar buiten lopen demonstratief tegen de kale: ‘Ik ga even bellen’. Weer heb ik de lachers op mijn hand. Hij lacht zelf ook. Kijk, daar houd ik van. Als je een grote bek hebt, moet je ook over incasseringsvermogen beschikken. Ik ken veel mensen die dat minder goed kunnen dan mijn Haagse gesprekspartner. Hij gaat er dan wel met gestrekt been in, hij laat zich ook van repliek dienen. En bovenal kaart hij een wezenlijk probleem aan. ‘kèk, hè hep wel wa geleerd, hè gà in ieder geval nar buiten’, hoor ik hem nog triomfantelijk verkondigen, terwijl ik de halve deur achter me dichttrek. Ik kan een glimlach niet onderdrukken.
Als hij weggaat, geeft ie de barvrouw een zoen en mij een hand. ‘Lèèster nar wa ik zeg, jonge. Leg da ding es èn keer weg, dan lèr je nog es wa.’
Kan ik hier pinnen? Nee? Ach, natuurlijk, dat had ik kunnen weten. De reus stuurt me naar een pinautomaat verderop in de straat. Nelly heeft echter niet terug van een briefje van twintig. ‘Hep d’r iemand twèè tientjes voor mè?’ Een van de stamgasten schiet een tientje bij. Het andere trekt Nelly van zijn rekening af. ‘Zeuw, euk weer opgelost.’ Lang leve de communicatie.
© Sjaak van Haaster

 

Noord-Macedonië

Vannacht droomde ik dat een klant me in de vroege avond belde voor een rit naar Macedonië. Ze wilden aanvankelijk alleen weten of ik in de gelegenheid was (ja!), en groen licht zou voor de volgende ochtend volgen. Ik verzocht ze nog wel om niet midden in de nacht te bellen als dat niet strikt noodzakelijk was, want van Zutphen naar Skopje is 2112 kilometer en een slordige twintig uur rijden; aan zo’n reis moet je fris beginnen.

Toen ik wakker werd, realiseerde ik me dat het land Macedonië niet meer bestaat. Het heet sinds kort Noord-Macedonië. Daarmee is een einde gekomen aan een langslepend conflict tussen Griekenland en haar noorderburen. Háár noorderburen, ja, want Griekenland is een vrouwelijk woord, of een vrouwelijk land, zo u wilt. Wat zouden de Grieken daar van vinden?

In het noorden van Griekenland ligt de provincie Macedonië. Dat het nieuwe buurland na de verworven onafhankelijkheid in 1991 dezelfde naam aannam, was de Grieken een doorn in het oog. Waarom? Voornamelijk om de volgende twee redenen: ze waren bang dat het nieuwe land op termijn aanspraak zou maken op delen van de gelijknamige Griekse provincie én hun historische grond zou stelen door Alexander de Grote als hun voorvader en zijn nalatenschap als hun eigen cultuur te beschouwen. Alexander de Grote was namelijk afkomstig uit het Macedonische rijk dat in de vierde eeuw voor christus delen van beide landen omvatte.

Ik droom onzinnige dingen, maar na een droom denk ik als gevolg van een ongefilterde maalstroom van gedachten bijkans nog onzinnigere dingen. Nog gedesoriënteerd (moet ik nu wel of niet halsoverkop naar (Noord-)Macedonië rijden?) lijken mijn gedachten een eigen leven te leiden waar ik weinig controle over heb. Slaapdronken stelde ik me voor hoe België zichzelf zou hernoemen tot Brabant en hoe dat in Nederland tot verontwaardiging zou leiden. Straks zouden onze zuiderburen de provincie Noord-Brabant bij hun grondgebied willen trekken en Brabantse culturele verworvenheden als carnaval en Guus Meeuwis als de hunne beschouwen. Ik realiseerde me hoe absurd dat zou zijn, vooral de vergelijking van carnaval en Guus Meeuwis met Alexander de Grote dan natuurlijk.

De wereld draait alleen maar om geld, zegt het cliché, maar volgens mij is nationalisme een goede tweede. Zonder geld ben je dan in ieder geval nog Nederlander, Amerikaan, Griek of Noord-Macedoniër. Dat schijnt een geruststellende gedachte te zijn. Mijns inziens komen nationalistische sentimenten voort uit een schizofrene mengelmoes van trots, agressie, blijdschap, verontwaardiging en een gebrekkig historisch besef, maar bovenal angst. Het leidt ertoe dat mensen rare dingen gaan doen, zoals naamsveranderingen eisen van buurlanden, hekken bouwen bij grenzen of stemmen op quasi-intellectuele, narcistische, lavendel snuivende volksmenners, die ik zelfs vanuit mijn luie stoel en zonder enige psychiatrische achtergrondkennis met minstens twee persoonlijkheidsstoornissen kan diagnosticeren.

In de donkere kamer dreef de maalstroom me naar landen die met de woorden ‘zuid’ en ‘noord’ beginnen, maar ik kwam niet verder dan Zuid-Afrika. Toen ik mijn vriendin ’s ochtends hierover vertelde, zei ze zonder na te denken: ‘Noord- en Zuid-Korea’. O ja, dankjewel.

© Sjaak van Haaster

De schepen uit Grimbergen

De E34 van Antwerpen naar Eindhoven en vice versa heeft een grondige onderhoudsbeurt gehad. De weg die tot enkele jaren terug nog voorzien was van jaren 70-asfalt, is nu opgewaardeerd tot een on-Belgisch biljartlaken. Tot tien kilometer voor de grens, dat wel. De Vlaamse overheid lijkt gedacht te hebben: als je zo nodig naar Nederland wilt, krijg dan maar de tering. Dientengevolge krijg je in de auto bij de beruchte overgang van het strakke Nederlandse naar het overjarige Belgische asfalt nog steeds een flinke optater. Andersom trouwens ook, want de snelweg van onze zuiderburen ligt allesbehalve gelijk met de onze.

Als je om je heen kijkt in het door de taalgrens hopeloos verdeelde land, geef je er geen stuiver voor. Alles is rommelig. In de dorpen bestaat het wegdek veelal uit gescheurde betonplaten, geen twee huizen zijn hetzelfde en langs regionale wegen strekt de lintbebouwing zich uit tot aan de horizon. Ambtenaren die verantwoordelijk waren voor de ruimtelijke ordening lijken bij het ondertekenen van de bouwplannen steevast te veel Leffe blond, Duvel of Westmalle dubbel achter de kiezen te hebben gehad.

Het Belgische wegennet laat de weggebruiker ook dikwijls verward achter. In België passeer ik knooppunten die ik niet na kan vertellen. Niet omdat ik ze niet overleef, maar omdat het onmogelijk is om ze achteraf te beschrijven. Wie ooit bij Luik vanuit het noorden knooppunt Cheratte driekwart rond heeft gepakt, kent dat gevoel. Voor de richting Verviers wissel je drie keer van rijstrook via weefvakken die amper vijftig meter lang zijn om vervolgens via een veel te korte invoegstrook bergop in te voegen op de reguliere rijbaan. Het is dan ook niet verwonderlijk dat het relatieve aantal verkeersdoden in België boven het gemiddelde van de Europese Unie ligt. In Slowakije loop je minder kans om te komen in het verkeer. Sterker nog, verkeerstechnisch is de Waalse provincie Luxemburg de onveiligste regio van de gehele Europese Unie. De provincie met het hoogste aantal verkeersdoden ligt niet in Roemenië, niet in Letland, maar in België. Desalniettemin functioneert het land zeer behoorlijk, zelfs wanneer het anderhalf jaar zonder regering zit –lang formeren blijkt zo slecht nog niet.

Bovenal houd ik van het Vlaams, want dat taaltje is zo zacht (om maar even het beste citaat van een slechte Nederlandse band aan te halen, en nee, vriendschap is geen illusie). Daarom kijk ik naar Reizen Waes, luister ik naar Michel Wuyts en José de Cauwer en kijk ik naar Evi Hanssen, waar ze ook is en wat ze ook doet. Ook voor Griet Op de Beeck in Zomergasten blijf ik thuis.

Terwijl ik op de R0 rijd (dat is de ring van Brussel), luister ik naar de Vlaamse radio. ‘Wij hebben nu contact met een schepen van Grimbergen die gaat reageren op de commotie die is ontstaan bij de bewoners van het rusthuis als gevolg van de aangekondigde sluiting.’ Als ik later oud ben, wil ik mij wanen in de negentiende eeuw, Grimbergen blond en dubbel drinken en rusten in plaats van verzorgd worden. Daar zal ik dan wel voor naar België moeten.

Nadat ik bij Arendonk weer de grens ben overgedokkerd –dokkeren doe je eigenlijk met een racefiets over kasseien, maar hier is de term wel op z’n plaats, vind ik– schakel ik over op Radio 1. Binnen een kwartier hoor ik dingen als: ‘Hun moeten’, ‘het is een gezelschap die‘ en ‘ik irriteer me aan‘. België mag dan rommelig zijn, zo nauwgezet als de Vlamingen omgaan met hun taal, daar kunnen de Nederlanders nog een puntje aan zuigen.

© Sjaak van Haaster

Tegen mijn gevoel in

Mijn bestemming Krimpen aan de Lek ligt naast Krimpen aan den IJssel. Krimpen aan den IJssel ligt tegenover Capelle aan den IJssel en naast Ouderkerk aan den IJssel, niet te verwarren met Ouderkerk aan de Amstel. Neem je de pont vanuit Krimpen aan de Lek, dan kom je in Kinderdijk.

Weggezonken in gedachten zit ik achter het tweepersoons tafeltje dat me even hiervoor stellig is toegewezen door de mollige serveerster met het Spaanse uiterlijk die me aanvankelijk in het Engels aansprak. Toen ik er in eerste instantie voorbij liep om na te gaan of het raam iets verderop uitkeek op de voornamelijk bij buitenlanders beroemde molenrij, hoorde ik haar stem achter me: ‘Meneer, het is wel de bedoeling dat u aan een tafeltje voor twee gaat zitten.’ ‘Ik wilde alleen even uit het raam kijken’, reageerde ik geprikkeld. Ze ging er niet op in. Het restaurant was op twee mensen na volledig uitgestorven toen ik binnenkwam.

Twee Chinese jongens die na mij het pand betreden, nemen plaats aan de vierpersoonstafel. Binnen een minuut verschijnt er een andere serveerster, die de Aziaten vriendelijk verzoekt van tafel te wisselen. Ze verplaatsen zich gedwee naar een plek schuin voor mij, gedwee zoals alleen Chinezen en Japanners dat kunnen. Een half uur later zijn alle tweepersoonstafels bezet, maar tweetallen overspoelen vanmiddag deze tent. De slotsom is dat alle tafels bezet zijn, maar enkel en alleen met duo’s, alle inspanningen van de bediening ten spijt.

O, mijn thee! Ik schrik op uit mijn gedachten en als door een wesp gestoken omsluit ik met mijn hand het nog altijd hete glas, alsof ik met een snelle beweging had kunnen voorkomen dat het theewater was afgekoeld. Ik lach in mezelf om mijn spastische reactie.

Als ik mijn hoofd naar links draai, lees ik: ‘Women never know what they want. Men never know what they have.’ Wanneer ik vervolgens naar rechts kijk, zie ik een vrouw van middelbare leeftijd in een motorpak gebiologeerd naar me kijken. Net voordat het ongemakkelijk wordt, glimlach ik naar haar: ‘Hoi!’ ‘O, hoi, ja, ik zit te kijken naar die tegel vlak boven je hoofd.’ Vrouwen zijn wispelturig, mannen materialistisch. Lekker diepgaand, maar daar is het ook een tegel voor. ‘En ben je het ermee eens?’, vraag ik licht sarcastisch. ‘Ja, ik kan me er wel in vinden’, antwoordt ze, terwijl de glimlach om haar lippen haar antwoord kracht lijkt bij te zetten. O, o, die hebzuchtige mannen toch, lijkt ze te denken. Of: die twijfelende vrouwen ook altijd. ‘En jij?’, vraagt ze. ‘Volgens mij is het onzin’, zeg ik stelliger dan ik wil.

Zo’n tegelwijsheid past perfect bij een plek als deze, dat wel. Ze is weinig verrassend en dat is Kinderdijk ook. Toen ik de pont af reed, verwachtte ik toeristen, molens en horeca te zien en dat was precies wat ik aantrof. Ik parkeerde mijn auto achter een Franse. Nadat ik was uitgestapt, wees een tegel in het trottoir met een molentje en een pijl me naar waar ik niet heen wilde. Honderden toeristen kuierden langs de molens. Op de menukaart van het restaurant stonden de gerechten in het Engels en de dienstbaarheid van het personeel was ver te zoeken.

De ene tegel wilde me laten doen wat de massa doet, de ander wilde me laten denken wat de massa denkt. En dat terwijl ik hier alleen maar kwam om te lunchen. Ik kan niet tegen dit soort plekken. Ze zijn voorspelbaar, vervelend en gaan tegen mijn gevoel in. Net als onware cliché’s over mannen en vrouwen.

© Sjaak van Haaster

 

Een warm welkom

Al rijdend in het donker op de Øresundbrug tussen Denemarken en Zweden waan ik me onderdeel van de Scandinavische misdaadserie ‘The Bridge’. Terwijl de weg in het licht van mijn koplampen kilometers lang een flauwe curve naar links vertoont om daarachter in het ogenschijnlijk oneindige te verdwijnen, knipperen de lampen bovenop de brugpijlers met korte tussenpozen. Ik beeld me in dat ik binnen enkele seconden een lijk op het wegdek aan zal treffen dat met een ijzige gelaatsuitdrukking blijk geeft van de kort daarvoor plaatsgevonden gruwelijkheden. Het zal ontdaan zijn van enkele ledematen en de aanzet zijn tot maatschappelijke onrust die in de volledige internationale pers zal weerklinken. Voor het in gang zetten van deze massale hysterie zal ik een essentiële schakel zijn door bij de ontdekking terstond het Deense dan wel Zweedse noodnummer op mijn telefoon in te toetsen, niet voordat ik mijn maaginhoud over de reling van de brug heb geloosd bij het aanschouwen van het weerzinwekkende tafereel.

Aan de Zweedse zijde van de brug word ik bruut uit mijn lugubere dagdroom gehaald. Of ik even tweeënvijftig euro wil aftikken. Nee, ik heb niet te hard gereden, dit is de reguliere tol die je voor een enkelvoudig tripje over de fameuze brug moet betalen. Voorbij de tolpoortjes wacht mij een heuse grenscontrole. De douaniers vinden het nodig om de doos met de industriële weegschaal, wiens neefje een voltallige fabriek in Värnamo heeft lamgelegd en de reden is van mijn reis, door een drugshond te laten bespringen. De fanatieke herder verliest vrij snel zijn interesse. Ook in de cabine treft hij geen genotsmiddelen of explosieven naar zijn gading aan. Ik krijg mijn paspoort weer terug. Welkom in Zweden.

De vorige keer dat ik de oversteek naar Zweden maakte, was mij ook al geen warm welkom gegund. Het was voor de verdediging van het proefschrift van mijn toenmalige zwager in Göteborg, die ik voordien nog niet ontmoet had. Hij zou aanstonds promoveren in de natuurkunde en wij zouden getuige zijn van dit heuglijke feit en meedelen in de vreugde. Althans, dat was het idee.

Toen ik me aan mijn zwager voorstelde, keek hij naar mijn uitgestoken hand alsof deze in brand stond en ik zag dwars door zijn schedel heen hoe zijn hersenen even kortsluiting maakten. Goed, hij is wat onwennig in situaties met onbekenden, dacht ik nog. Weldra zou hij zeggen: ‘Zo, dus jij bent de vriend van mijn zus?’ Of: ‘Wat leuk dat jullie helemaal voor mij naar Göteborg zijn gekomen. Hebben jullie een goede reis gehad?’ Maar vragen bleven uit. Een gesprek ook.

De avond voor de plechtigheid zou plaatsvinden, zaten mijn schoonouders, mijn zwager, mijn vriendin en ik klaar voor het diner. We deden ons tegoed aan vissen, die Vladimir, mijn schoonvader, zelf een dag ervoor uit een Zweeds meer had opgehengeld en nu op het aanrecht met een enorm zakmes van hun graten ontdeed. Met datzelfde mes verwijderde hij voor mij de dop van een bierflesje. Zo doen Russische mannen dat.

Twee maanden later zou hij mij in een klein sovjetflatje in een buitenwijk van Moskou zijn gewerenverzameling laten zien. De metalen kast waarin die opgeborgen zat, verdeelde de kleine hal in tweeën. Vladimir was allang blij dat er een man in huis was die interesse toonde in zijn wapenarsenaal. Dat die interesse geveinsd was, hoefde hij niet te weten. De geweren stalde hij uit op bed, de bijbehorende patronen legde hij ernaast. Door de telescoop van een zwart geweer keek ik zo de huiskamers in van de ertegenover staande flat. ‘Hiermee kun je een hert omleggen’, zei Vladimir terwijl hij een kogel ter grootte van een pink tussen zijn duim en zijn wijsvinger hield. ‘En met deze vel je een beer’, glunderde hij, al wijzend op een iets grotere kogel. Vervolgens pakte hij de grootste van allemaal en merkte op: ‘En hiermee schiet je een olifant kapot.’

Tijdens het diner sprak mijn zwager de verwarrende woorden: ‘Jullie hoeven morgen niet naar mijn verdediging te komen, hoor. Het is voor jullie waarschijnlijk toch niet interessant.’ Nee, allicht niet, maar daar komen we verdomme toch voor, dacht ik geïrriteerd. Langzaamaan drong het besef tot me door dat mijn aanwezigheid er niet toe deed. Dat voelt teleurstellend als je twaalf uur voor iemand in de auto hebt gezeten. Ik kon het hem echter moeilijk kwalijk nemen; hij leek rechtstreeks uit ‘The big bang theory’ te zijn weggelopen.

Na zijn verdediging, waar ik zo weinig van begreep dat ie net zo goed in het Hebreeuws had kunnen zijn, klonken we wat champagneglazen met bubbeltjeslimonade met de aanwezige professoren. Vrienden waren er niet. Toen de hoogleraren waren afgedropen, ging mijn zwager, ondanks dat we gezamenlijk het plan hadden gemaakt om uit eten te gaan, zijn kantoor leegruimen. En ja, dat moest per se nu gebeuren, want stel je voor dat volgende week zijn pasje niet meer werkte en hij het gebouw niet meer in kon; de universiteit van Göteborg had blijkbaar de gewoonte om trouwe, volhardende promovendi na hun verdediging onmiddellijk de toegang tot al hun gebouwen te ontzeggen. Hij liet ons meer dan een uur in de uitgestorven hal van het universiteitsgebouw wachten. Op een in sociaal opzicht broodnodig excuus rekende ik bij zijn terugkomst al niet meer. Na het eten namen we afscheid van elkaar. Of nou ja, afscheid, hij zei ‘doei’ en liep weg.

Een kwartier voor ik aankom bij de fabriek in Värnamo draai ik het mobiele nummer van de contactpersoon in Zweden, dat ik vooraf van mijn klant gekregen heb. ‘Sven Anderson’, spreekt een stem aan de andere kant van de lijn. ‘Ah, you are the courier. Did you have a good trip? Great that you’re already here. Was the traffic okay? Yes? I’m glad to hear that. Do you already have a place to stay for tonight? Otherwise I can recommend you a hotel nearby.’ Zijn fabriek staat stil en dat kost een fortuin, maar toch informeert hij eerst hoe mijn reis was. Hij is duidelijk geen autist.

© Sjaak van Haaster

Pesten bestond niet

Wanneer de huizenrij aan mijn linkerkant eindigt, wordt het kale, modderige terrein waarop ooit mijn basisschool stond stukje bij beetje zichtbaar. Ze hebben hem tegen de vlakte gegooid, met de grond gelijk gemaakt, die kloteschool. De gymzaal, die zich ernaast bevond, is verworden tot een laag zand, net iets lager gelegen dan de omliggende grond. Een rij struiken markeert het schoolplein waar ik ontelbare keren heb gevoetbald. De doelen bestonden uit een houten bankje aan de ene kant en twee betonnen paaltjes aan de andere kant. Als enige jongen van mijn klas speelde ik in een team met de lagere klassen. Mijn klasgenoten wilden mij er niet bij hebben. Toch was ik helemaal geen prutser. In het jaar dat ik bij SEH eindelijk naar de selectie zou gaan, bepaalde het lot echter dat we naar Warnsveld verhuisden.

Ons huis is er nog wel. Het staat –letterlijk– op een steenworp afstand van de gesloopte school. Talloze malen heb ik de honderd meter naar het schoolplein met lood in mijn schoenen afgelegd. Ik loop het doodlopende steegje in dat naar de poort leidt die toegang gaf tot onze achtertuin. Achterin blijf ik staan. Ik hoor een schuurdeur sluiten en meteen daarna een vrouwenstem. Terstond zet ik me in beweging – een gesprek met mijn voormalige, nieuwsgierige buurvrouw is het laatste waar ik op zit te wachten. Zei ze nou ‘hé Sjaak’ of vergis ik me? Resoluut loop ik door. De stem blijft weg.

Ik loop de steeg uit en ga linksaf, langs het hoekhuis. Op de hoek woonde de dominee. Tegen het zijraam van het huis, waarvan rond verkiezingstijd de doorkijk ontnomen werd door een poster van de Reformatorisch Politieke Federatie, gooiden we in de winter naar hartenlust sneeuwballen. Hij kwam dan razend naar buiten gestoven, ongetwijfeld om ons even wat onvervalste, christelijke tucht bij te brengen. Eenmaal bleef ik staan en dreef ik het nét iets te veel op de spits; hij haalde uit en sloeg de bril van m’n hoofd. Wegrennen voorkwam erger. Mijn bril kon ik later gewoon pakken, die had ie netjes op de heg neergelegd.

Tegenover die bewuste heg staat een auto geparkeerd. De man achter het stuur herken ik als mijn vroegere buurjongen. Hij is lelijk geworden, dat doet me deugd. Terwijl ik langsloop, word ik gegroet door zijn vader, die op het punt staat om bij zijn zoon in de auto te stappen. Hij herkent me niet, gelukkig, maar het was geen kwaaie vent eigenlijk, in tegenstelling tot zijn vrouw. Ze wilde liever niet dat ik op zondag de auto van mijn vader waste. Ook gaf ze me op de dag des Heeren geen gulden voor mijn rapport, een gulden geven aan een achtjarige buurjongen verbrak de zondagsrust. De rookbom die we eens onder haar raam gooiden, deed dat zeker. Het feit dat ze net de ramen had gelapt en het op de Rustdag niet kon doen, vervulde ons met plezier.

Ik begeef me weer richting de school. De bankjes en de paaltjes zijn weg, evenals de bomen, de zandbak, het klimrek en de tegels. Alleen het betegelde trapje, waarover ik als kind dikwijls met een steen in mijn maag het plein betrad, ligt er nog. Het eindigt nu echter in een rommelig niemandsland, precies waar de school me acht jaar lang op voorbereidde. Symboliek is vaak tragisch.

‘Waar er twee ruzie hebben, hebben er twee schuld’, reclameerden de onzalige juffen en meesters zonder enige realiteitszin na elke schaamteloze charge van mijn kwelgeesten. Nee, pesten bestond niet bij ons op school.

Wij waren import en dan hoor je er niet bij. ‘Je bent niet van hier’, zo zegt men dat in deze contreien. Mijn ouders kwamen weliswaar uit het westen, ik was geboren in een iets verderop gelegen dorp. Daar hadden de arbeiderskinderen uit mijn klas vast geen boodschap aan gehad. Onder invloed van hun ouders die de onderwijzers klaarblijkelijk angst inboezemden, leek mijn school meer op een kolonie die van buitenaf bestuurd werd, met een handvol meesters en juffen als marionettenregering.

Het geeft een vreemd contrast, mijn nieuwe bus naast wat ooit mijn oude school was. Iets wat ik zelf heb opgebouwd naast iets wat ik graag zelf had afgebroken. Een groot bord geeft aan wat er op het kale terrein gebouwd gaat worden: twee royale hoekwoningen, vijf royale tussenwoningen en vier royale schakelwoningen. Niet-royale woningen bestaan niet meer. Het woord royaal heeft op deze plek voor mij een vreemde betekenis. Mijn school en zijn leraren waren enkel royaal in hun nalatigheid.

© Sjaak van Haaster

Sjaak

Ik sla het portier dicht nadat ik mijn auto met het paarse bedrijfslogo achteruit heb ingeparkeerd. Een te luide stem achter mij trekt mijn aandacht. Terwijl de sloten van de auto zich met een holle klik vergrendelen, kijk ik achteloos om naar de richting waaruit de stem afkomstig is. In de deuropening van een nabij huis ontwaar ik een man die iets in mijn richting lijkt te roepen. Ik schat hem een jaar of 45. Zijn golvende, grijzende haar hangt tot over zijn oren. Hij draagt een lichtblauwe sweater die zijn uitdijende buik niet meer kan verbloemen. Zijn hals is opgesierd met een suf, beige sjaaltje. Een prototype kakker, zo op het eerste gezicht. Enkele meters bij hem vandaan staan een man en een vrouw die duidelijk door hem uitgelaten worden.

‘Haaster! Koerier! Haaster Koeriersdienst! Hé, heb je haast?!’ Hij roept het echt. Ondertussen kijkt hij me aan met een grijns die een ongezonde dosis zelfvoldaanheid verraadt. Wat moet ik hier in godsnaam op antwoorden? Hoe reageer je op een tenenkrommend slechte grap, waarmee de maker ervan toch erg in zijn nopjes is? Het irriteert me. Niet om het zeer voor de hand liggende verband dat hij legt tussen mijn bedrijfsnaam en de branche waarin ik werkzaam ben, nee, dat is juist de bedoeling; ik heb niet voor niets mijn eigen achternaam daarvoor ingezet. Nee, de oorzaak van mijn irritatie is het feit dat hij een open deur intrapt en doet alsof hij een briljante link heeft gelegd. Want waarom zou je er anders een grap over maken? De reacties die ik vaak van klanten krijg, zijn: ‘Wat een toepasselijke naam voor een koeriersbedrijf!’ of: ‘Jij boft maar met zo’n achternaam als koerier!’ Daar blijft het dan bij.

Ik ben het niet gewend om bespot te worden met mijn achternaam. Mijn voornaam daarentegen is al mijn hele leven een bron van plezier en een mikpunt van spot voor anderen. Even overwoog ik te zeggen: ‘Hé, mijn voornaam is Sjaak. Daar kun je vast ook nog wel iets mee.’

De kinderen op mijn basisschool konden er in ieder geval altijd wel iets mee. Sjakie van de Hoek, Sjakie van Flodder, Sjaak en de bonenstaak, Sjakie en de chocoladefabriek, Sjaak afhaak, de Sjaak zijn, ik heb ze allemaal honderd keer gehoord. Op de voetbal noemden ze me ‘Sjakie en de wondersloffen’, naar een stripheld die de sterren van de hemel speelde wanneer hij de oude, aftandse schoenen van zijn held Voltreffer Vick droeg, maar geen deuk in een pakje boter trapte wanneer hij zijn sloffen kwijt was. Als kind dacht ik: als ik eenmaal groot ben, zal ik hier geen last meer van hebben want volwassenen doen zulke dingen niet. Maar volwassenen doen zulke dingen óók. Ik heb feestjes meegemaakt waar mensen me niet geloofden wanneer ik me aan hen voorstelde en zei dat ik Sjaak heet. Laatst ging ik in de middag samen met mijn vriendin reserveren in een restaurant, met de intentie daar enkele uren later terug te keren. ‘Op welke naam mag ik de reservering zetten?’ vroeg de serveerster. ‘Sjaak’, antwoordde ik. Het was de goden verzoeken. ‘Ik ben de Sjaak’, zei ze met een raar stemmetje terwijl ze onze reservering noteerde. Ik was verbijsterd, we zijn er niet meer gaan eten. De reservering heb ik laten staan.

Mijn ouders heb ik er regelmatig om vervloekt, maar zij konden in 1984 ook niet weten dat de toen traditioneel Hollandse naam in de decennia erop zou uitgroeien tot een mikpunt van grenzeloze spot. Bij tijd en wijle overwoog ik mijn naam te veranderen, maar dat voelde als capituleren voor al die mensen met hun kinderachtige grappen. Iemand zei me eens: ‘Je bent een aparte gozer en daar hoort een aparte naam bij.’ Dat heeft me enorm geholpen om mijn naam niet langer te haten, maar om hem te omarmen. Toen ik mijn vriendin net kende en ze in de kroeg aan een andere vrouw vertelde dat ik Sjaak heet, reageerde die met: ‘Fantastisch! Iedereen wil toch een vriend die Sjaak heet!’ Zo zal het vast niet zijn, desalniettemin helpt het me wel.

De man met het golvende, grijze haar kijkt me nog steeds grijnzend aan, wachtend op een reactie die ik eigenlijk niet wil geven. ‘Goeie grap’, pers ik cynisch uit mijn lippen terwijl ik aanstalten maak om weg te lopen. ‘Tsja, dat krijg je ervan, hè?’ reageert hij triomfantelijk. Ja, het is allemaal mijn schuld.

© Sjaak van Haaster

Van alle tijden

De enorme hoeveelheden pekel die door duizenden strooiwagens over de stad worden uitgestort, hebben de sneeuw veranderd in een natte, korrelige drab. De veegwagens, die dagelijks ook in groten getale uitrukken, stuwen de geel-bruine brij tegen de stoepranden op. De auto is hier koning, de voetgangers zijn de klos; ze zakken soms tot halverwege hun kuiten weg in de drek wanneer ze vanaf het trottoir de weg trachten te betreden. Eroverheen stappen is vaak ondoenlijk. Fietsers vertonen zich hier niet. En waarom zouden ze in godsnaam ook? De weg is het domein van gloednieuwe en peperdure mercedessen en suv’s met geblindeerde ramen die op maniakale wijze over het ijzige asfalt blazen.

De onophoudelijke sneeuwval in combinatie met de mistroostige Sovjetflats in de buitenwijken schept een vertrouwde Oostblok-sfeer. In het centrum is echter al jaren duidelijk dat deze vergankelijk is. Het imposante Rode Plein, dat ooit het decor was van militaire parades met onafzienbare rijen synchroon marcherende soldaten is verworden tot een commerciële speeltuin. Als je het Kremlin en het Nationaal Historisch Museum wegdenkt, zou het plein zijn naam evengoed te danken kunnen hebben aan de overvloedige, rode kerstversieringen. Het gevoel van ruimtelijkheid wordt ernstig aangetast door een kerstmarkt en een schaatsbaan, die het zicht zodanig belemmeren dat een vrije blik op het plein onmogelijk is. Pleinen horen leeg te zijn, alleen dan komen ze volledig tot hun recht, alleen dan zijn ze echt een plein. In het GOeM, het voormalige staatswarenhuis dat zich langs de flank van het plein uitstrekt van het museum tot aan de Basilius-kathedraal, kun je gemakkelijk overprikkeld raken: mensenmassa’s, kletterende fonteinen, knipperende neonlichten en schelle volksmuziek creëren tezamen zo’n overdadige stroom van prikkels dat epilepsiepatiënten er spontaan een insult van zouden krijgen. Alle bekende ketens zijn in het GOeM vertegenwoordigd. De westerse merken hebben reeds lang geleden hun intrede gedaan in de voormalige Sovjet-Unie. Bij de opening van de eerste McDonald’s in de jaren ’90 stonden de Moskovieten in de rij voor een Big Mac of een cheeseburger. Het was het startschot voor ongebreidelde consumptie.

Bijna nergens is de kloof tussen de oudere en de jongere generaties zo groot als in Rusland. Veel ouderen denken met weemoed terug aan Brezjnev, onder wiens bewind de Sovjet-Unie stilstond, maar het wel duidelijk was waar je op kon rekenen en gezondheidszorg gratis en dus toegankelijk was voor iedereen. Nu moet je elke arts eerst wat smeergeld toeschuiven, voordat ie überhaupt overweegt om je te opereren. Ze verachten Gorbatsjov en Jeltsin die de Russische waarden te grabbel hebben gegooid en hen opzadelden met de anarchie van de jaren ’90, waarin de nieuwe Russen zich verrijkten en dat de nieuwe norm werd. De jongeren daarentegen verliezen zich in het grenzeloze consumentisme en sluiten wurgleningen af om een dure auto te kopen en zo in ieder geval de schijn te wekken welvarend te zijn.

Schuifelend in de nieuwjaarsdrukte tussen de metro-ingang ‘Ochotny Rjad’ en het exclusieve Four Seasons Hotel voel ik me bedroefd en verloren. Het voelt alsof een stukje nog tastbare geschiedenis dat mij bovenmatig interesseert langzaam uit mijn handen glipt en wordt toegedekt met overdadige verlichting, schreeuwerige reclames en haastige, behoeftige mensen. Dat de Sovjetburgers klaar waren met het totaal uit de hand gelopen communistische experiment begrijp ik, maar is dit echt wat ze wilden?

Zo vervreemd als ik me voel van deze stad, zo onmachtig voel ik me in de Russische taal. De taal waarin ik tientallen keren de weg heb gevraagd in Oost-Europese steden, kennis heb gemaakt met Moldavische fruitverkoopsters en gebluft heb tegen Oekraïense grensbeambten, lijkt zich los te hebben geweekt van mijn brein. Op vragen die ik stel, krijg ik onbegrijpelijke woordenstromen als antwoord. In het restaurant waar ik specifiek om een Russische menukaart vraag, geeft de serveerster me toch voor de zekerheid ook maar een Engelse mee. Ik voel me beledigd, maar bovenal ontmoedigd en gedesillusioneerd. Ik begin ernstig aan mezelf en mijn taalvermogen te twijfelen. Misschien moet ik er maar gewoon mee stoppen, de gedachte dringt zich met de dag pregnanter op in mijn hoofd. Het brengt me ertoe mijn vriendin de prangende vraag voor te leggen: “Lief, wat zal ik doen: stoppen met Russisch leren of nóg harder mijn best doen?” “Nog harder je best doen”, antwoordt zij resoluut en zonder er lang over na te denken.

Nu weet ik gelukkig ook dat Moskou niet (meer) de beste plek is om mijn Russisch in de praktijk te brengen. Ik gedij het best in informele situaties met mensen die de tijd hebben en bereid zijn om moeite te doen, misschien gaat dat in het algemeen wel op. Op het Oekraïense platteland bijvoorbeeld kom ik goed tot mijn recht, taaltechnisch dan natuurlijk. Gaandeweg weet ik mezelf gerust te stellen. Natuurlijk, het ligt aan de gejaagdheid van Moskou en niet aan mij. Gelukkig maar.

In de auto luister ik nu naar een Russische podcast met de titel ‘Kak zjiet?’, ofwel: hoe te leven? Wanhopige luisteraars sturen vragen in en drie gedecideerde Russinnen komen in een minuut of tien tot een gedegen advies. De vragen variëren van ‘hoe ontkom ik aan de bemoeizucht van mijn schoonmoeder?’ tot ‘ik heb geen geld, wat kan ik met Nieuwjaar voor mijn geliefden kopen zonder ze te beledigen?’ Naast dat het leerzaam is, stelt het me ook gerust. Ondanks revoluties en economische omwentelingen zijn de meeste problemen gewoon van alle tijden.

© Sjaak van Haaster

Wat is geluk?

‘Wat is geluk?’ Zo heet het nieuwe boekje van Maarten van Rossem dat ik onlangs luisterde in de auto. Het is mij een raadsel waarom een gerenommeerd historicus meer van geluk zou weten dan de gemiddelde stratenmaker, slager of verzekeringsagent. Maarten van Rossem is een schoenmaker die duidelijk niet bij zijn leest blijft. In recente jaren maakte hij cabaret, schoof aan bij voetbalpraatprogramma’s als ouwe zeurkous en is in de Nederlandse editie van ‘De Slimste Mens’ geen schim van de Vlaamse Philippe Geubels. En nu schrijft hij dus over geluk, of nou ja, vooral over zijn éígen geluk. Een aanzienlijk deel van het boekje bestaat uit tips over welke films je zou moeten zien en welke negentiende-eeuwse boeken je zou moeten lezen. Daarnaast trapt hij terloops wat open geluksdeuren in. En dat terwijl zijn hoorcolleges over Amerika, de Tweede Wereldoorlog en communistisch Rusland een genot zijn voor het oor. Maar ook een armzalig boekje kan je aanzetten tot nadenken.

Geld maakt niet gelukkig. Roem overigens ook niet. Een grotere dooddoener is bijna niet denkbaar. En tóch is het zo, of in ieder geval deels. Geld maakt gelukkig(er) tot een dubbel modaal inkomen, zeg maar zo’n slordige 75.000 euro per jaar. Alles daarboven draagt niet meer bij aan je geluk. Voor je welbevinden maakt het dus niet uit of je 75.000 euro per jaar verdient óf miljardair bent. Anders gezegd, het aanschaffen van dure, exclusieve spullen geeft een kortstondig gevoel van tevredenheid maar dat gevoel ebt snel weg. Om het geluksgevoel vast te houden, moet je dus steeds weer nieuwe spullen kopen.

Wat wel gelukkig maakt? Zinvol bezig zijn. Het verklaart denk ik waarom mensen met veel geld of roem zo raar gaan doen. Ze lijken niet te begrijpen dat het aanschaffen van een luxueus jacht niet zaligmakend is en roem niet bevredigend is wanneer je niets wezenlijks bijdraagt aan de samenleving. Volgens mij beseffen ze het diep van binnen wel, maar willen ze dat naar zichzelf niet erkennen. Want als je je rijkdom en aanzien niet rechtmatig verkregen hebt, wat is dan nog de zin van je (luxueuze) bestaan?

Onlangs was ik bij een concert van de jaren 90-rapper Coolio. Je weet wel, jeugdsentiment en nostalgie en zo. De 55-jarige, doorgesnoven idioot die op het podium verscheen, liet goed zien wat geld en roem met je kan doen. Hij trapte het concert af met het verzoek aan iedereen in de zaal om zijn middelvinger naar hem op te steken en ‘fuck you!’ te roepen. Even later trok hij zeven vrouwen het podium op die werden aangespoord sensueel te dansen op het nummer ‘I like girls’, terwijl hij het publiek probeerde op te zwepen om de titel van het nummer te scanderen. Dat gaf daar vrijwel geen gehoor aan. Hij legde de muziek stil en herhaalde agressief zijn verzoek. Het liefst had ik mijn middelvinger naar hem opgestoken en alles overstemmend ‘fuck you!’ geschreeuwd, maar ik durfde niet. Hij leidde de vrouwen een voor een weg naar achteren. Sommigen voelden daar zichtbaar weinig voor, maar durfden ten overstaan van een volle zaal niet te breken met het vooropgezette plan. Het was een afgrijselijke en vrouwonterende vertoning. En dan laat ik de twee rastasprieten die door zijn pet naar buiten staken en iets later zijn kale hoofd ontsierden nog onbesproken. Na een uur hield de rapper het voor gezien. Hij had zijn geld toch al binnen.

In een luisterboek over de Russische inmenging bij de Amerikaanse presidentsverkiezingen en de banden van president Trump met Russische oligarchen hoorde ik voor het eerst over de Russische miljardair Rybolovlev. Hij is een van de velen die tijdens de wetteloze jaren 90 in Rusland zijn fortuin bij elkaar heeft gejat. In een bepaalde passage wordt verteld hoe de steenrijke Rus met zijn luxueuze jacht ligt aangemeerd in de Kroatische stad Dubrovnik. Laat ik nou net daar begin juli wat onderdelen hebben afgeleverd ten behoeve van de reparatie aan boord van een jacht. De Nederlandse monteur die ter plaatse was, wist me te vertellen dat er voor de waarde van dergelijke boten een vuistregel wordt aangehouden: een miljoen per meter. Met andere woorden, een jacht van veertig meter lang kost een slordige veertig miljoen euro. In de haven lagen zo’n tien witte jachten op een rij die enkel op basis van futiele details van elkaar te onderscheiden waren. De een heeft bijvoorbeeld gouden deurklinken en de ander niet. Een maximum inkomen van 75.000 euro is zo gek nog niet.

Twee adviezen van Maarten van Rossem neem ik graag ter harte: leef klein en vergelijk jezelf niet met anderen. Want als ik bedenk dat ik als loopjongen van een Russische oligarch een hele nacht door heb gereden, frustrerende grensformaliteiten heb doorstaan en hemel en aarde heb bewogen om mijn lading op tijd af te leveren, word ik gek.

© Sjaak van Haaster

Lekker jezelf zijn

Het is half september maar de zon knalt striemend neer op mijn al behoorlijk gebruinde huid. Het dek is zó heet dat ik mijn blote voet er niet op kan zetten. De stormachtige wind op de boot doet daar niets aan af. Zodra ik een ledemaat van het witte, plastic ligbed optil, wappert het onbedekte stuk van mijn badhanddoek abrupt onder me vandaan. De continue windstroom brengt een ruis in mijn oren teweeg, die me het gevoel geeft dat ik langs een drukke snelweg sta. Niets is minder waar; ik lig op een boot midden in de Middellandse Zee, tussen Palma de Mallorca en Barcelona om precies te zijn. Zo ver mijn blik reikt niets dan blauw op mijn netvlies.

Gebruind of niet, als ik me niet insmeer, word ik levend geroosterd. Ik zie me geplaatst voor het aloude dilemma van de eenzame zonaanbidder: ga ik iemand vragen om mijn rug in te smeren? En zo ja, wie? Ik besluit dat het zo ja wordt. Ik kan kiezen uit de helft, want alle mannen vallen af. Mannen kun je dat niet vragen. Dat is te verwarrend voor ze. Je weet wel, ambivalente gevoelens ten opzichte van homoseksualiteit en hun eigen identiteit en zo. Blijven dus de vrouwen over. Ik scan het dek af. Het is een helikopterdek. Op het midden van de donkere vloer is een enorme witte cirkel gedrukt met daarbinnen een reusachtige ‘H’. Aan de andere kant van de cirkel zitten twee vrouwen, waarvan de een de anders rug insmeert. De een is slank, heeft lang, stijl, zwart haar en draagt een zwarte bikini, de ander heeft een spijkerrokje en een beige shirtje aan en is wat gezetter. De bikini-vrouw lijkt het meest benaderbaar. Gek dat je dat van zo ver kunt zien. Wat mimiek en lichaamstaal al niet prijsgeeft.

Wanneer ik opsta, wordt mijn ligbed meteen door de wind opgelicht. Ik duw het ding tegen de wand van het dek aan. De luwte en mijn rugzak, die ik er op zet, houden ‘m op zijn plek.

De bikini-vrouw, die mij en de fles zonnebrand in mijn rechterhand van achter haar zonnebril oppikt wanneer ik tot enkele meters genaderd ben, maakt mijn vraag bij voorbaat overbodig door de fles meteen aan te pakken. Als ik vraag of ze het geen vervelend verzoek vindt, reageert ze nonchalant: “No, not at all. When you’re alone, it’s normal.” Ze heeft een opvallend lage stem en haar bikinitopje staat strak gespannen om haar siliconenborsten. Ze smeert me in zoals een vrouw dat doet: zacht, en voelbaar zonder schroom. Ze tilt zelfs mijn armen op om bij mijn zij te kunnen. “Is it enough?” vraagt ze terwijl ze stopt. “Yes,” antwoord ik, “thank you.” Terug bij mijn ligbed observeer ik de vrouwen een tijdje. Nu pas zie ik dat de bikini-vrouw een string draagt.

Naast het restaurant op de boot is een winkel die volhangt met trendy handtassen, sieraden en allerhande prullaria. De twee vrouwen hebben het dek net als ik verlaten en kijken wat rond in het winkeltje. Drie Spaanse mannen –ze zijn beduidend ouder dan ik– hebben hen ook gespot en zijn ze zichtbaar en hoorbaar belachelijk aan het maken. De vrouwen horen het, maar gaan ogenschijnlijk ongestoord verder met het beoordelen van de glitterende tassen in het winkeltje. De mannen schaterlachen en slaan elkaar bij iedere geslaagde grap joviaal op de schouders. De aanblik van het tafereel maakt me misselijk.

Ik begrijp nooit waarom mensen aanstoot nemen aan het gedrag of uiterlijk van anderen als niemand daar schade aan ondervindt. Al die mensen die zo ‘lekker zichzelf zijn’, maar het niet kunnen verkroppen als anderen ‘zichzelver’ zijn dan zijzelf. Als jij jezelf mag zijn, waarom zou iemand anders dat dan niet mogen? Lekker jezelf zijn komt voor veel mensen blijkbaar neer op lekker inconsequent zijn. Maar zeg nou zelf, wat is moeilijker: lekker jezelf zijn en anderen bekritiseren of jezelf zijn, geslachtsveranderende operaties ondergaan en bekritiseerd worden?

En wat ís in vredesnaam jezelf zijn? En hoe weet je dat je jezelf bent, los van dat je iedere dag in hetzelfde lichaam wakker wordt en herinneringen hebt? Het doet me denken aan een interview van FlabberTV: “Jij bent ook een bijzonder geval hè?” Vrouw: “Ik ben gewoon uniek, ik ben gewoon mezelf. Interviewer: “Jij ook al?”

Plots vraag ik me af of de miljardair, voor wie ik naar Mallorca ben gereden, ook zo lekker zichzelf is met zijn kostbare jacht dat in de haven van Palma naast dat van andere schatrijken ligt.

Na de insmeerbeurt op de boot ben ik ‘gewoon mezelf’ gebleven. Ik ben niet gaan twijfelen over mijn geaardheid, ik voel me niet bedreigd en de neiging om vrouwenkleren aan te trekken is nog steeds te verwaarlozen. Bovenal ben ik niet verbrand, en daar ging het om.

© Sjaak van Haaster