Sjaak

Ik sla het portier dicht nadat ik mijn auto met het paarse bedrijfslogo achteruit heb ingeparkeerd. Een te luide stem achter mij trekt mijn aandacht. Terwijl de sloten van de auto zich met een holle klik vergrendelen, kijk ik achteloos om naar de richting waaruit de stem afkomstig is. In de deuropening van een nabij huis ontwaar ik een man die iets in mijn richting lijkt te roepen. Ik schat hem een jaar of 45. Zijn golvende, grijzende haar hangt tot over zijn oren. Hij draagt een lichtblauwe sweater die zijn uitdijende buik niet meer kan verbloemen. Zijn hals is opgesierd met een suf, beige sjaaltje. Een prototype kakker, zo op het eerste gezicht. Enkele meters bij hem vandaan staan een man en een vrouw die duidelijk door hem uitgelaten worden.

‘Haaster! Koerier! Haaster Koeriersdienst! Hé, heb je haast?!’ Hij roept het echt. Ondertussen kijkt hij me aan met een grijns die een ongezonde dosis zelfvoldaanheid verraadt. Wat moet ik hier in godsnaam op antwoorden? Hoe reageer je op een tenenkrommend slechte grap, waarmee de maker ervan toch erg in zijn nopjes is? Het irriteert me. Niet om het zeer voor de hand liggende verband dat hij legt tussen mijn bedrijfsnaam en de branche waarin ik werkzaam ben, nee, dat is juist de bedoeling; ik heb niet voor niets mijn eigen achternaam daarvoor ingezet. Nee, de oorzaak van mijn irritatie is het feit dat hij een open deur intrapt en doet alsof hij een briljante link heeft gelegd. Want waarom zou je er anders een grap over maken? De reacties die ik vaak van klanten krijg, zijn: ‘Wat een toepasselijke naam voor een koeriersbedrijf!’ of: ‘Jij boft maar met zo’n achternaam als koerier!’ Daar blijft het dan bij.

Ik ben het niet gewend om bespot te worden met mijn achternaam. Mijn voornaam daarentegen is al mijn hele leven een bron van plezier en een mikpunt van spot voor anderen. Even overwoog ik te zeggen: ‘Hé, mijn voornaam is Sjaak. Daar kun je vast ook nog wel iets mee.’

De kinderen op mijn basisschool konden er in ieder geval altijd wel iets mee. Sjakie van de Hoek, Sjakie van Flodder, Sjaak en de bonenstaak, Sjakie en de chocoladefabriek, Sjaak afhaak, de Sjaak zijn, ik heb ze allemaal honderd keer gehoord. Op de voetbal noemden ze me ‘Sjakie en de wondersloffen’, naar een stripheld die de sterren van de hemel speelde wanneer hij de oude, aftandse schoenen van zijn held Voltreffer Vick droeg, maar geen deuk in een pakje boter trapte wanneer hij zijn sloffen kwijt was. Als kind dacht ik: als ik eenmaal groot ben, zal ik hier geen last meer van hebben want volwassenen doen zulke dingen niet. Maar volwassenen doen zulke dingen óók. Ik heb feestjes meegemaakt waar mensen me niet geloofden wanneer ik me aan hen voorstelde en zei dat ik Sjaak heet. Laatst ging ik in de middag samen met mijn vriendin reserveren in een restaurant, met de intentie daar enkele uren later terug te keren. ‘Op welke naam mag ik de reservering zetten?’ vroeg de serveerster. ‘Sjaak’, antwoordde ik. Het was de goden verzoeken. ‘Ik ben de Sjaak’, zei ze met een raar stemmetje terwijl ze onze reservering noteerde. Ik was verbijsterd, we zijn er niet meer gaan eten. De reservering heb ik laten staan.

Mijn ouders heb ik er regelmatig om vervloekt, maar zij konden in 1984 ook niet weten dat de toen traditioneel Hollandse naam in de decennia erop zou uitgroeien tot een mikpunt van grenzeloze spot. Bij tijd en wijle overwoog ik mijn naam te veranderen, maar dat voelde als capituleren voor al die mensen met hun kinderachtige grappen. Iemand zei me eens: ‘Je bent een aparte gozer en daar hoort een aparte naam bij.’ Dat heeft me enorm geholpen om mijn naam niet langer te haten, maar om hem te omarmen. Toen ik mijn vriendin net kende en ze in de kroeg aan een andere vrouw vertelde dat ik Sjaak heet, reageerde die met: ‘Fantastisch! Iedereen wil toch een vriend die Sjaak heet!’ Zo zal het vast niet zijn, desalniettemin helpt het me wel.

De man met het golvende, grijze haar kijkt me nog steeds grijnzend aan, wachtend op een reactie die ik eigenlijk niet wil geven. ‘Goeie grap’, pers ik cynisch uit mijn lippen terwijl ik aanstalten maak om weg te lopen. ‘Tsja, dat krijg je ervan, hè?’ reageert hij triomfantelijk. Ja, het is allemaal mijn schuld.

© Sjaak van Haaster

Van alle tijden

De enorme hoeveelheden pekel die door duizenden strooiwagens over de stad worden uitgestort, hebben de sneeuw veranderd in een natte, korrelige drab. De veegwagens, die dagelijks ook in groten getale uitrukken, stuwen de geel-bruine brij tegen de stoepranden op. De auto is hier koning, de voetgangers zijn de klos; ze zakken soms tot halverwege hun kuiten weg in de drek wanneer ze vanaf het trottoir de weg trachten te betreden. Eroverheen stappen is vaak ondoenlijk. Fietsers vertonen zich hier niet. En waarom zouden ze in godsnaam ook? De weg is het domein van gloednieuwe en peperdure mercedessen en suv’s met geblindeerde ramen die op maniakale wijze over het ijzige asfalt blazen.

De onophoudelijke sneeuwval in combinatie met de mistroostige Sovjetflats in de buitenwijken schept een vertrouwde Oostblok-sfeer. In het centrum is echter al jaren duidelijk dat deze vergankelijk is. Het imposante Rode Plein, dat ooit het decor was van militaire parades met onafzienbare rijen synchroon marcherende soldaten is verworden tot een commerciële speeltuin. Als je het Kremlin en het Nationaal Historisch Museum wegdenkt, zou het plein zijn naam evengoed te danken kunnen hebben aan de overvloedige, rode kerstversieringen. Het gevoel van ruimtelijkheid wordt ernstig aangetast door een kerstmarkt en een schaatsbaan, die het zicht zodanig belemmeren dat een vrije blik op het plein onmogelijk is. Pleinen horen leeg te zijn, alleen dan komen ze volledig tot hun recht, alleen dan zijn ze echt een plein. In het GOeM, het voormalige staatswarenhuis dat zich langs de flank van het plein uitstrekt van het museum tot aan de Basilius-kathedraal, kun je gemakkelijk overprikkeld raken: mensenmassa’s, kletterende fonteinen, knipperende neonlichten en schelle volksmuziek creëren tezamen zo’n overdadige stroom van prikkels dat epilepsiepatiënten er spontaan een insult van zouden krijgen. Alle bekende ketens zijn in het GOeM vertegenwoordigd. De westerse merken hebben reeds lang geleden hun intrede gedaan in de voormalige Sovjet-Unie. Bij de opening van de eerste McDonald’s in de jaren ’90 stonden de Moskovieten in de rij voor een Big Mac of een cheeseburger. Het was het startschot voor ongebreidelde consumptie.

Bijna nergens is de kloof tussen de oudere en de jongere generaties zo groot als in Rusland. Veel ouderen denken met weemoed terug aan Brezjnev, onder wiens bewind de Sovjet-Unie stilstond, maar het wel duidelijk was waar je op kon rekenen en gezondheidszorg gratis en dus toegankelijk was voor iedereen. Nu moet je elke arts eerst wat smeergeld toeschuiven, voordat ie überhaupt overweegt om je te opereren. Ze verachten Gorbatsjov en Jeltsin die de Russische waarden te grabbel hebben gegooid en hen opzadelden met de anarchie van de jaren ’90, waarin de nieuwe Russen zich verrijkten en dat de nieuwe norm werd. De jongeren daarentegen verliezen zich in het grenzeloze consumentisme en sluiten wurgleningen af om een dure auto te kopen en zo in ieder geval de schijn te wekken welvarend te zijn.

Schuifelend in de nieuwjaarsdrukte tussen de metro-ingang ‘Ochotny Rjad’ en het exclusieve Four Seasons Hotel voel ik me bedroefd en verloren. Het voelt alsof een stukje nog tastbare geschiedenis dat mij bovenmatig interesseert langzaam uit mijn handen glipt en wordt toegedekt met overdadige verlichting, schreeuwerige reclames en haastige, behoeftige mensen. Dat de Sovjetburgers klaar waren met het totaal uit de hand gelopen communistische experiment begrijp ik, maar is dit echt wat ze wilden?

Zo vervreemd als ik me voel van deze stad, zo onmachtig voel ik me in de Russische taal. De taal waarin ik tientallen keren de weg heb gevraagd in Oost-Europese steden, kennis heb gemaakt met Moldavische fruitverkoopsters en gebluft heb tegen Oekraïense grensbeambten, lijkt zich los te hebben geweekt van mijn brein. Op vragen die ik stel, krijg ik onbegrijpelijke woordenstromen als antwoord. In het restaurant waar ik specifiek om een Russische menukaart vraag, geeft de serveerster me toch voor de zekerheid ook maar een Engelse mee. Ik voel me beledigd, maar bovenal ontmoedigd en gedesillusioneerd. Ik begin ernstig aan mezelf en mijn taalvermogen te twijfelen. Misschien moet ik er maar gewoon mee stoppen, de gedachte dringt zich met de dag pregnanter op in mijn hoofd. Het brengt me ertoe mijn vriendin de prangende vraag voor te leggen: “Lief, wat zal ik doen: stoppen met Russisch leren of nóg harder mijn best doen?” “Nog harder je best doen”, antwoordt zij resoluut en zonder er lang over na te denken.

Nu weet ik gelukkig ook dat Moskou niet (meer) de beste plek is om mijn Russisch in de praktijk te brengen. Ik gedij het best in informele situaties met mensen die de tijd hebben en bereid zijn om moeite te doen, misschien gaat dat in het algemeen wel op. Op het Oekraïense platteland bijvoorbeeld kom ik goed tot mijn recht, taaltechnisch dan natuurlijk. Gaandeweg weet ik mezelf gerust te stellen. Natuurlijk, het ligt aan de gejaagdheid van Moskou en niet aan mij. Gelukkig maar.

In de auto luister ik nu naar een Russische podcast met de titel ‘Kak zjiet?’, ofwel: hoe te leven? Wanhopige luisteraars sturen vragen in en drie gedecideerde Russinnen komen in een minuut of tien tot een gedegen advies. De vragen variëren van ‘hoe ontkom ik aan de bemoeizucht van mijn schoonmoeder?’ tot ‘ik heb geen geld, wat kan ik met Nieuwjaar voor mijn geliefden kopen zonder ze te beledigen?’ Naast dat het leerzaam is, stelt het me ook gerust. Ondanks revoluties en economische omwentelingen zijn de meeste problemen gewoon van alle tijden.

© Sjaak van Haaster

Wat is geluk?

‘Wat is geluk?’ Zo heet het nieuwe boekje van Maarten van Rossem dat ik onlangs luisterde in de auto. Het is mij een raadsel waarom een gerenommeerd historicus meer van geluk zou weten dan de gemiddelde stratenmaker, slager of verzekeringsagent. Maarten van Rossem is een schoenmaker die duidelijk niet bij zijn leest blijft. In recente jaren maakte hij cabaret, schoof aan bij voetbalpraatprogramma’s als ouwe zeurkous en is in de Nederlandse editie van ‘De Slimste Mens’ geen schim van de Vlaamse Philippe Geubels. En nu schrijft hij dus over geluk, of nou ja, vooral over zijn éígen geluk. Een aanzienlijk deel van het boekje bestaat uit tips over welke films je zou moeten zien en welke negentiende-eeuwse boeken je zou moeten lezen. Daarnaast trapt hij terloops wat open geluksdeuren in. En dat terwijl zijn hoorcolleges over Amerika, de Tweede Wereldoorlog en communistisch Rusland een genot zijn voor het oor. Maar ook een armzalig boekje kan je aanzetten tot nadenken.

Geld maakt niet gelukkig. Roem overigens ook niet. Een grotere dooddoener is bijna niet denkbaar. En tóch is het zo, of in ieder geval deels. Geld maakt gelukkig(er) tot een dubbel modaal inkomen, zeg maar zo’n slordige 75.000 euro per jaar. Alles daarboven draagt niet meer bij aan je geluk. Voor je welbevinden maakt het dus niet uit of je 75.000 euro per jaar verdient óf miljardair bent. Anders gezegd, het aanschaffen van dure, exclusieve spullen geeft een kortstondig gevoel van tevredenheid maar dat gevoel ebt snel weg. Om het geluksgevoel vast te houden, moet je dus steeds weer nieuwe spullen kopen.

Wat wel gelukkig maakt? Zinvol bezig zijn. Het verklaart denk ik waarom mensen met veel geld of roem zo raar gaan doen. Ze lijken niet te begrijpen dat het aanschaffen van een luxueus jacht niet zaligmakend is en roem niet bevredigend is wanneer je niets wezenlijks bijdraagt aan de samenleving. Volgens mij beseffen ze het diep van binnen wel, maar willen ze dat naar zichzelf niet erkennen. Want als je je rijkdom en aanzien niet rechtmatig verkregen hebt, wat is dan nog de zin van je (luxueuze) bestaan?

Onlangs was ik bij een concert van de jaren 90-rapper Coolio. Je weet wel, jeugdsentiment en nostalgie en zo. De 55-jarige, doorgesnoven idioot die op het podium verscheen, liet goed zien wat geld en roem met je kan doen. Hij trapte het concert af met het verzoek aan iedereen in de zaal om zijn middelvinger naar hem op te steken en ‘fuck you!’ te roepen. Even later trok hij zeven vrouwen het podium op die werden aangespoord sensueel te dansen op het nummer ‘I like girls’, terwijl hij het publiek probeerde op te zwepen om de titel van het nummer te scanderen. Dat gaf daar vrijwel geen gehoor aan. Hij legde de muziek stil en herhaalde agressief zijn verzoek. Het liefst had ik mijn middelvinger naar hem opgestoken en alles overstemmend ‘fuck you!’ geschreeuwd, maar ik durfde niet. Hij leidde de vrouwen een voor een weg naar achteren. Sommigen voelden daar zichtbaar weinig voor, maar durfden ten overstaan van een volle zaal niet te breken met het vooropgezette plan. Het was een afgrijselijke en vrouwonterende vertoning. En dan laat ik de twee rastasprieten die door zijn pet naar buiten staken en iets later zijn kale hoofd ontsierden nog onbesproken. Na een uur hield de rapper het voor gezien. Hij had zijn geld toch al binnen.

In een luisterboek over de Russische inmenging bij de Amerikaanse presidentsverkiezingen en de banden van president Trump met Russische oligarchen hoorde ik voor het eerst over de Russische miljardair Rybolovlev. Hij is een van de velen die tijdens de wetteloze jaren 90 in Rusland zijn fortuin bij elkaar heeft gejat. In een bepaalde passage wordt verteld hoe de steenrijke Rus met zijn luxueuze jacht ligt aangemeerd in de Kroatische stad Dubrovnik. Laat ik nou net daar begin juli wat onderdelen hebben afgeleverd ten behoeve van de reparatie aan boord van een jacht. De Nederlandse monteur die ter plaatse was, wist me te vertellen dat er voor de waarde van dergelijke boten een vuistregel wordt aangehouden: een miljoen per meter. Met andere woorden, een jacht van veertig meter lang kost een slordige veertig miljoen euro. In de haven lagen zo’n tien witte jachten op een rij die enkel op basis van futiele details van elkaar te onderscheiden waren. De een heeft bijvoorbeeld gouden deurklinken en de ander niet. Een maximum inkomen van 75.000 euro is zo gek nog niet.

Twee adviezen van Maarten van Rossem neem ik graag ter harte: leef klein en vergelijk jezelf niet met anderen. Want als ik bedenk dat ik als loopjongen van een Russische oligarch een hele nacht door heb gereden, frustrerende grensformaliteiten heb doorstaan en hemel en aarde heb bewogen om mijn lading op tijd af te leveren, word ik gek.

© Sjaak van Haaster

Lekker jezelf zijn

Het is half september maar de zon knalt striemend neer op mijn al behoorlijk gebruinde huid. Het dek is zó heet dat ik mijn blote voet er niet op kan zetten. De stormachtige wind op de boot doet daar niets aan af. Zodra ik een ledemaat van het witte, plastic ligbed optil, wappert het onbedekte stuk van mijn badhanddoek abrupt onder me vandaan. De continue windstroom brengt een ruis in mijn oren teweeg, die me het gevoel geeft dat ik langs een drukke snelweg sta. Niets is minder waar; ik lig op een boot midden in de Middellandse Zee, tussen Palma de Mallorca en Barcelona om precies te zijn. Zo ver mijn blik reikt niets dan blauw op mijn netvlies.

Gebruind of niet, als ik me niet insmeer, word ik levend geroosterd. Ik zie me geplaatst voor het aloude dilemma van de eenzame zonaanbidder: ga ik iemand vragen om mijn rug in te smeren? En zo ja, wie? Ik besluit dat het zo ja wordt. Ik kan kiezen uit de helft, want alle mannen vallen af. Mannen kun je dat niet vragen. Dat is te verwarrend voor ze. Je weet wel, ambivalente gevoelens ten opzichte van homoseksualiteit en hun eigen identiteit en zo. Blijven dus de vrouwen over. Ik scan het dek af. Het is een helikopterdek. Op het midden van de donkere vloer is een enorme witte cirkel gedrukt met daarbinnen een reusachtige ‘H’. Aan de andere kant van de cirkel zitten twee vrouwen, waarvan de een de anders rug insmeert. De een is slank, heeft lang, stijl, zwart haar en draagt een zwarte bikini, de ander heeft een spijkerrokje en een beige shirtje aan en is wat gezetter. De bikini-vrouw lijkt het meest benaderbaar. Gek dat je dat van zo ver kunt zien. Wat mimiek en lichaamstaal al niet prijsgeeft.

Wanneer ik opsta, wordt mijn ligbed meteen door de wind opgelicht. Ik duw het ding tegen de wand van het dek aan. De luwte en mijn rugzak, die ik er op zet, houden ‘m op zijn plek.

De bikini-vrouw, die mij en de fles zonnebrand in mijn rechterhand van achter haar zonnebril oppikt wanneer ik tot enkele meters genaderd ben, maakt mijn vraag bij voorbaat overbodig door de fles meteen aan te pakken. Als ik vraag of ze het geen vervelend verzoek vindt, reageert ze nonchalant: “No, not at all. When you’re alone, it’s normal.” Ze heeft een opvallend lage stem en haar bikinitopje staat strak gespannen om haar siliconenborsten. Ze smeert me in zoals een vrouw dat doet: zacht, en voelbaar zonder schroom. Ze tilt zelfs mijn armen op om bij mijn zij te kunnen. “Is it enough?” vraagt ze terwijl ze stopt. “Yes,” antwoord ik, “thank you.” Terug bij mijn ligbed observeer ik de vrouwen een tijdje. Nu pas zie ik dat de bikini-vrouw een string draagt.

Naast het restaurant op de boot is een winkel die volhangt met trendy handtassen, sieraden en allerhande prullaria. De twee vrouwen hebben het dek net als ik verlaten en kijken wat rond in het winkeltje. Drie Spaanse mannen –ze zijn beduidend ouder dan ik– hebben hen ook gespot en zijn ze zichtbaar en hoorbaar belachelijk aan het maken. De vrouwen horen het, maar gaan ogenschijnlijk ongestoord verder met het beoordelen van de glitterende tassen in het winkeltje. De mannen schaterlachen en slaan elkaar bij iedere geslaagde grap joviaal op de schouders. De aanblik van het tafereel maakt me misselijk.

Ik begrijp nooit waarom mensen aanstoot nemen aan het gedrag of uiterlijk van anderen als niemand daar schade aan ondervindt. Al die mensen die zo ‘lekker zichzelf zijn’, maar het niet kunnen verkroppen als anderen ‘zichzelver’ zijn dan zijzelf. Als jij jezelf mag zijn, waarom zou iemand anders dat dan niet mogen? Lekker jezelf zijn komt voor veel mensen blijkbaar neer op lekker inconsequent zijn. Maar zeg nou zelf, wat is moeilijker: lekker jezelf zijn en anderen bekritiseren of jezelf zijn, geslachtsveranderende operaties ondergaan en bekritiseerd worden?

En wat ís in vredesnaam jezelf zijn? En hoe weet je dat je jezelf bent, los van dat je iedere dag in hetzelfde lichaam wakker wordt en herinneringen hebt? Het doet me denken aan een interview van FlabberTV: “Jij bent ook een bijzonder geval hè?” Vrouw: “Ik ben gewoon uniek, ik ben gewoon mezelf. Interviewer: “Jij ook al?”

Plots vraag ik me af of de miljardair, voor wie ik naar Mallorca ben gereden, ook zo lekker zichzelf is met zijn kostbare jacht dat in de haven van Palma naast dat van andere schatrijken ligt.

Na de insmeerbeurt op de boot ben ik ‘gewoon mezelf’ gebleven. Ik ben niet gaan twijfelen over mijn geaardheid, ik voel me niet bedreigd en de neiging om vrouwenkleren aan te trekken is nog steeds te verwaarlozen. Bovenal ben ik niet verbrand, en daar ging het om.

© Sjaak van Haaster

De weerzinwekkende koerier

Onlangs werd ik benaderd door een vrouw die een pakket wilde verzenden voor een belangrijke bijeenkomst. Ze kwam hier twee maanden van tevoren mee, dus ik kan wel zeggen dat ze ruim op tijd was. Twee uur is in mijn branche gebruikelijker.

Na het eerste telefoontje wilde ze een bevestiging per e-mail ontvangen met datum, tijd en prijs. Dat begrijp ik; het is fijn om zulke afspraken zwart op wit te hebben. Wat ik minder goed begrijp, is dat ze mij nadien nog minstens vier keer heeft gebeld om te controleren of ik de afspraak niet al vergeten was. Er verstreken een paar weken en dan ging de telefoon weer: “De afspraak staat nog steeds, hè?” “Jaahaa, de afspraak staat nog steeds.” “Een extra bevestiging is niet nodig?” “Neehee, een extra bevestiging is niet nodig.” Ik heb nog nooit iemand ontmoet die zo veel bevestiging nodig had, afgezien van enkele vrouwen die ik heb gedatet. Hoezeer ik haar ook op het hart drukte dat ze zich geen zorgen hoefde te maken, dat ik de afspraak niet zou vergeten en dat ik op tijd zou komen, ze bleef bellen tot de voorlaatste dag. Gelukkig ben ik een geduldig mens.

Blijkbaar kon ze zich niet voorstellen dat als je een koerier belt en met hem een afspraak maakt, hij ook daadwerkelijk komt opdagen op het afgesproken moment. Wellicht was het de eerste keer dat ze een koerier in de arm nam. En toen moest ik plots terugdenken aan míjn eerste ervaring met een koerier. Als zij een vergelijkbare ervaring had, dan begreep ik haar wel.

Ik was 22 jaar oud en zocht een bijbaantje naast mijn studie. Op internet vond ik een vacature voor een nachtroute. Ik belde, maar kreeg geen gehoor. Zodoende stuurde ik een sms en vroeg wat voor route het was. Ik kreeg terug: ‘Het betreft om een krantenroute.’ Toen had ik misschien al beter moeten weten. Anderzijds, als koerier hoef je geen taalvirtuoos te zijn.

De krant waar het om ging, was de ‘Metro’. Je weet wel, dat smoezelige, gratis krantje dat je aan het eind van de dag besmeurd met koffie op en onder alle banken in de trein terugvindt. Ik besloot het een kans te geven. De nacht die volgde kan ik alleen maar omschrijven als een volstrekt surrealistische en weerzinwekkende ervaring.

Om half twee ’s nachts hadden we twee pallets vol met kranten geladen bij de drukkerij van Metro. Mijn leermeester trapte de nacht af met een drag race tegen een andere koerier op het industrieterrein van Diemen. Superverstandig met duizend kilo aan kranten achterin de bus. Het was een verontrustende voorbode van wat komen zou.

Op de snelweg reed hij 150, in de bebouwde kom 100. Hij wist precies waar de flitspalen stonden en ging op die plekken vol in de ankers, reed even 50 om vervolgens het gas weer vol in te trappen. Het was half maart, maar het zijraam stond continu open. Hij was om zeven uur die ochtend begonnen met werken en kon anders niet wakker blijven.

In Gorinchem stuitten we op een grootscheepse politiecontrole. “Hmm,” zei de agent aan het raam, “er is iets met uw rijbewijs. We trekken het even na.” Even later kwam hij terug. “Klopt het dat uw rijbewijs een tijdje ingenomen is geweest?” “Ja”, antwoordde de koerier. Nadat we door mochten rijden, vroeg ik hem ernaar. Hij had in een dronken bui samen met een vriend iemand aangereden. De rijbevoegdheid was hem destijds een jaar ontzegd. “Hoe heb je dat dan met je werk gedaan?” vroeg ik ongelovig. “O, gewoon doorgereden”, antwoordde hij laconiek.

Ergens in de Betuwe reden we in het pikkedonker over een kruising van landwegen. Op de hoek stond een kleine boerderij. “Daar woont mijn vader,” zei hij, “maar ik zie hem nooit. Het is een klootzak. Als ik hem zou zien, rijd ik over hem heen.” Als ik mijn verachtelijke, pafferige autogenoot zo bekeek, begreep ik wel dat er vroeger het een en ander mis moest zijn gegaan, maar in dit geval was ik toch meer geneigd om het voor zijn voor mij onbekende vader op te nemen.

De telefoon ging. Andere gesprekken voerde hij via de carkit, maar voor dit hield hij de telefoon in zijn linkerhand, terwijl hij met rechts stuurde en schakelde. De helft die ik van het gesprek meekreeg, vervulde me met een onbeschrijfelijke weerzin. Hij zei dingen als: ‘O, hmm, dat lijkt me wel lekker…’ en ‘wanneer heb je tijd voor me?’ Ongevraagd vertelde hij dat het een vrouw van de basisschool was die hij onlangs bij een reünie weer gezien had. Met tegenzin hoorde ik het aan. Intussen schoof ik onbewust zo dicht mogelijk tegen het portier aan. Het liefst was ik er doorheen gekropen. De bestelbus was niet groot genoeg om hem buiten mijn persoonlijke ruimte te houden; in dit geval had dat minimaal een paar meter moeten zijn.

Logischerwijze besloot ik niet meer terug te komen. Ik belde hem op om dat te zeggen én dat ik graag wel betaald wilde worden voor die ene werknacht. Hij zei dat ik naar m’n centen kon fluiten en hing op. Ik heb ‘m net zo lang gestalkt tot hij het geld overmaakte. Het was een schamele genoegdoening voor een vreselijke nacht.

Het is eigenlijk een wonder dat ik nadien alsnog koerier ben geworden. Aan de andere kant, vanaf toen wist ik dat ik me in de koerierswereld kon onderscheiden. Hopelijk heeft de-vrouw-die-zo-veel-bevestiging-nodig-had dit gemerkt.

© Sjaak van Haaster – Tekstbureau de Taalformule

Een verstopt oor en Tsjechische artsen

Tsjechië is een lief land. Een beetje kneuterig ook. Althans, zo oogt het als je door de groene heuvels van de Zuid-Bohemen rijdt. Er zijn maar weinig dingen die verraden dat het land tot zo’n dertig jaar geleden deel uitmaakte van het voormalige Oostblok. Het land is dan ook het welvarendste van alle voormalige Oostbloklanden. ‘Het doet het goed’, zou je kunnen zeggen.

Die verandering is snel gegaan. Toen ik in 2001 op werkweek met school voor het eerst in Tsjechië kwam, voelde het totaal anders. In de eerste plaats had je nog grenscontroles -het zou nog drie jaar duren eer het land lid zou worden van de Europese Unie en Schengen. Bij aankomst in hotel ‘Sandra’ verlangde ik na vijftien lange uren in de bus naar een zacht bed. De matras waar ik echter vol overtuiging met een snoekduik op sprong, begroette me met een klap in mijn gezicht. Het gaf net zo veel mee als de metalen celdeur van een Oost-Duitse gevangenis. In Praag werd ik in vijf dagen tijd zo’n tien keer aangesproken door prostituees. Buiten de stad rook het overal naar bruinkool. Toen we een tripje maakten naar een plaatselijke glasblazerij was het beeld voor mij compleet: een gespierde, bezwete, gebruinde man gekleed in een wit, bevlekt hemd omklemde met beide handen de pijp waarmee hij het glas in de juiste vorm blies. Tussendoor nam hij een stevige trek van een sigaret, die tijdens het blazen achteloos tussen de wijs- en middelvinger van zijn rechterhand uitstak. De hitte in het pand was moordend. Het enige wat ik nog weet, is dat ik dacht: die man wordt niet oud.

De week was er een zoals je je die voorstelt bij een uitje met school. Het bad in onze gedeelde badkamer in hotel Sandra hadden we vol laten lopen met koud water om de blikken goedkoop Tsjechisch bier te koelen. Ik rookte een pakje Gauloises per dag. We zwierven van kamer naar kamer (bij voorkeur die met meisjes) en vielen rond half vier in slaap. Om acht uur ’s ochtends werden we gewekt door een van de docenten. Overdag namen we als zombies deel aan het dagprogramma. Op de laatste dag viel ik in slaap op een bankje op het Oude Stadsplein. Mijn vrienden kwamen me wekken toen de bus gereed stond om huiswaarts te keren. Dat soort toestanden. Ze kunnen mijn beeld van Tsjechië destijds enigszins vertroebeld hebben.

Toch gebeuren er hier ook rare dingen. Geen schokkende dingen, gewoon rare dingen. Dingen die je niet begrijpt. Dingen die anders gaan dan je gewend bent. Daar kom je achter als je oor verstopt zit en je op zoek bent naar een bereidwillige, Tsjechische arts die het wil uitspuiten.

De website ‘hoevindjeeenhuisartsintsjechië.nl’ bestaat niet. Apotheken daarentegen liggen in het buitenland vaak voor het oprapen. Je herkent ze aan de groene kruizen die vaak overdreven knipperen, flikkeren of anderszins de aandacht trekken, maar nimmer statisch zijn. Daar weten ze waar de artsen zich verschuilen. Maar dan dient het volgende probleem zich aan: alle artsen scheien er tegen het middaguur mee uit. De enige arts in Benesov die tot één uur ’s middags praktijk houdt, smijt de deur zonder pardon en zonder uitleg om kwart voor één recht in je neus dicht. Gelukkig is er ook een praktijk in Uherský Brod. Aangezien je daar toch al naartoe zou gaan, loont het wellicht de moeite om daar de volgende dag een nieuwe poging te wagen. En wat blijkt? In het verzamelgebouw waar de artsen zich ophouden, heeft alleen de kno-arts spreekuur en laat dat nou net degene zijn die je moet hebben!

In de wachtkamer, waarin de verf van de muren bladdert en waarvan de stoelen regelrecht uit een verhoorkamer van de Stasi lijken te komen, is het druk. Er zijn zeker al zo’n vijf mensen voor mij en de deur naar de praktijk blijft het eerste kwartier gesloten. Gelukkig is Margot mee. Zij kan de parkeerschijf in de auto aanpassen zonder dat ik mijn plek hoef op te geven. En ach, ze haalt meteen maar even een boek op, want dit kan wel even gaan duren. Als ze net weg is, gebeurt er iets merkwaardigs: wanneer de arts-assistente in de deuropening verschijnt, rennen alle patiënten op haar af en duwen hun zorgpas in haar hand, ook de mensen die na mij de wachtkamer betraden. Voor ik me realiseer wat er gebeurt, is de deur alweer gesloten. Heb ik nu net in mijn onwetendheid iedereen voor laten gaan?

Ongeveer om het halve uur worden er drie mensen naar binnen geroepen, totdat iedereen die voor mij was verdwenen is. Nu is het verdomme mooi geweest. Margot en ik besluiten het looppad naar de deur met ons lichaam te barricaderen. Dat helpt. Zodra de deur weer opent, zijn wij de eersten die naar binnen gaan. Twee vrouwelijke patiënten vergezellen ons. We belanden in een tussenruimte; een soort sluis tussen de wachtkamer en de praktijk. De vrouw die ná mij de wachtkamer inkwam en wiens naam door de assistente wordt omgeroepen, probeert voor ons langs naar binnen te sneaken. Mijn uitgestrekte arm en onze priemende blikken missen hun uitwerking niet. Ze schikt in en kijkt schuldbewust. Maar hé, het viel toch te proberen?

De arts spreekt goed Engels. Ja, we komen uit Nederland. Oh, u kent een arts uit Bussum? Goh, wat leuk. Ja, Marco van Basten was inderdaad een goede voetballer. Het probleem is ‘ear wax’? Dat vermoedde ik al een beetje, ja.

Met een enorme spuit spuit hij mijn oor leeg. Daarna maakt hij het schoon met een wattenstaafje. ‘Niet in de gehoorgang steken’ gaat hier blijkbaar niet op. Maar dat is misschien wel iets hopeloos betuttelends uit Nederland, net als spinazie geen tweede keer opwarmen (want dan wordt het giftig! Ofzo…). De arts schrijft een factuur uit en ik reken contant af. Voor de kleine ontsteking die zich volgens hem in mijn oor bevindt, schrijft hij druppels voor. Prima. Ik kan weer horen, daar was het allemaal om te doen.

We rijden verder. Aan de rand van de weg ligt een doorgetrokken, witte streep, in het midden een onderbroken streep. Een rond bord met een rode rand waar ’90’ op staat geeft de maximumsnelheid weer. Een auto haalt ons links in. Deze wereld begrijp ik tenminste.

© Sjaak van Haaster – Tekstbureau de Taalformule

De nieuwe auto

Een tijdje geleden schreef ik over antropomorfismen, toeschrijvingen van menselijke eigenschappen aan niet-levende dingen. Ik doe dat dus bij mijn auto, zoals ik toen al ruimhartig bekende.

Een van de bekendste voorbeelden van antropomorfisme is de film ‘Cast Away’, waarbij Tom Hanks jaren alleen doorbrengt op een onbewoond eiland en zich -om de schrijnende eenzaamheid draaglijk te maken- hecht aan een bal die hij ter gelegenheid een naam en een gezicht heeft gegeven. Het is een waardeloze film als je het mij vraagt, maar veel mensen zullen de scène waarin hij ‘Wilson’ op zee verliest als hartverscheurend ervaren.

Nou, zo’n soort drama stelde ik me ook voor bij het afscheid nemen van mijn oude auto. Ik ging ervan uit dat het vervangen van mijn enige echte werkpartner een emotionele gebeurtenis zou zijn die gepaard zou gaan met een heus rouwproces en schuldgevoelens over het zo snel al hebben van een nieuwe partner.

Het ging echter heel anders. Auto’s blijken namelijk vervangbaar, zoals alle levenloze voorwerpen. Tom Hanks was gehechter aan zijn bal dan ik aan mijn auto. Hij had zijn vriend een naam gegeven: Wilson. Dat heb ik nooit gedaan. Wellicht was dat al een indicatie van de onvolledige hechting die ik met mijn auto ben aangegaan.

Het moment van vervangen (dat klinkt al best kil als ik het zo opschrijf) diende zich sneller aan dan verwacht. Op advies van een bevriende automonteur -ik ben hem er zeer dankbaar voor- ging ik rondkijken en viel mijn oog op een andere, maar vooral nieuwere en luxueuzere Nissan NV200, hetzelfde model waarin ik reeds driehonderdduizend kilometer heb doorgebracht. Hoeveel uur dat is, weet ik niet.

Toen ik eenmaal een proefrit in de nieuwe had gemaakt, was ik mijn oude meteen zat. Ik ging me ergeren aan het pookje van de cruise control dat wat wiebelig was, de minuscule roestplekjes bij de achterdeur en het barstje in de rechter dodehoekspiegel. In plaats van verdriet over het aanstaande afscheid voelde ik vooral ergernis; ik wil van dat barrel af, dacht ik terwijl ik schrok van mijn eigen gedachten. Het arme ding heeft me nooit, maar dan ook letterlijk nooit laten staan. Hij heeft me over de erbarmelijkste Oekraïense wegen geleid, me links leren rijden in Engeland, me talloze keren over de Alpen en andere gebergten geloodst, me onderdak geboden in heel Europa en me gered van een wisse dood op de Poolse snelweg. Wat ben ik toch een ondankbare klootzak.

De nieuwe auto is al drie maanden een feit, maar hij voelt niet zo. De bekleding is hetzelfde, het dashboard is hetzelfde, de kleur is hetzelfde en de bestickering aan de buitenkant inmiddels ook. Het is alsof ik doorrijd in mijn oude bolide en nooit een ander heb gehad. Wat wij nodig hebben, mijn nieuwe auto en ik, zijn nieuwe avonturen, nieuwe landen, nieuwe bestemmingen. We zijn hard op weg. Ritten naar Dubrovnik, Regensburg, Berlijn, Manchester en Palma de Mallorca helpen daar goed bij. Het heeft al veel nieuwe verhalen opgeleverd. Ik hecht eraan ze van tijd tot tijd tot jullie te brengen.

© Sjaak van Haaster – Tekstbureau de Taalformule

De droom van de Franse gastvrouw

Als ik de schuifpui open doe, staat mijn Franse gastvrouw in de keuken pannenkoeken te bakken. De tafel is gedekt voor twee. Blijkbaar ontbijten we samen. Als beleg is er alleen jam. Vier soorten, dat wel, maar fantasierijk kun je de Fransen op dit punt niet noemen. Ze vertelt me wat voor jam het is, maar bij de vierde ben ik de eerste twee alweer vergeten. Abrikoos, meloen en nog twee. Ik probeer alle vier uit op de flinterdunne pannenkoekjes, terwijl de Française tegenover me na het uitwisselen van de standaard fatsoenlijkheden begint te vertellen.

In januari heeft ze een burn-out gehad en daarna is ze gestopt met haar werk. Ze was onderwijzeres. Haar openhartigheid bevalt me. Als we dan toch met elkaars gezelschap opgescheept zitten, kunnen we maar beter een goed gesprek hebben.

Zij en haar man hebben het huis verkocht. Ze draait wat van me af en reikt haar handen naar de globe die schuin achter haar staat. Terwijl ze met haar ene hand de bol langzaam laat draaien, glijdt de vinger van haar andere over de wereld. Het lijkt op roulette, die spanning dat je niet weet waar het balletje –in dit geval haar vinger– blijft liggen, al hangt er nu wel iets minder van af. Haar wijsvinger houdt stil midden in de Stille Oceaan. “Hawaii?”, vraag ik weifelend. “Tahiti!”, antwoordt ze glunderend. “Het eiland heet Moorea.” Daar gaan ze dus wonen. Maar waarom?

Naast haar werk is ze het weer hier zat. “Het is hier winter van september tot april.” Dat lijkt me wat overdreven voor Noord-Frankrijk, maar het gesprek is inmiddels behoorlijk eenzijdig geworden en de behoefte om enige nuance in haar verhaal aan te brengen, is me reeds ontgaan.

Het is wel bijzonder: in haar bed and breakfast, waar ze het haar gasten naar de zin zou moeten maken, plaatst zij zichzelf als gastvrouw centraal.

Die avond zal ik in Céret overnachten, een schilderachtig dorp aan de rand van de Pyreneeën. Door het nachthemd waarin mijn gastvrouw aldaar opendoet, is haar zwarte string duidelijk zichtbaar wanneer ze mij voorgaat naar mijn kamer. Een andere manier, maar dezelfde schreeuw?

Mijn vriendin denkt dat de meeste mensen die gasten ontvangen, zélf aandacht, troost, goedkeuring of wat dan ook zoeken. Volgens mij heeft ze gelijk.

De gastvrouw zet haar monoloog voort. “Het is hier zo smerig”, zegt ze met een gezicht vol walging. “Daar zitten de mensen met tafels en stoelen in het water te drinken, maar weet je hoeveel flessen we na twee weken duiken hebben gevonden?” Ik trek mijn lippen samen, zo van: weet ik veel. “Een!”, geeft ze zelf meteen het antwoord. “Hier in het dorp gooit iedereen alles van zich af!” Als je dat dan zo belangrijk vindt, denk ik in mezelf, blijf dan hier en doe er wat aan, want op Tahiti speelt het probleem klaarblijkelijk niet. Ook haar struisvogelmentaliteit laat ik onbesproken. Ik wil weg.

Hoe langer ze praat, hoe meer medelijden ik met haar krijg. Ach, arme vrouw. Je denkt op Tahiti het paradijs te vinden, maar je neemt je hoofd, waarin al je gedachten en angsten opgeslagen liggen, gewoon met je mee. Dat geldt ook voor mensen die een half jaar naar Thailand of Australië gaan om ‘zichzelf te ontdekken’. Het zou prachtig zijn als een nieuwe omgeving een nieuw mens van je maakt, maar het is een illusie.

Ze pakt er een reisgids bij, hoewel ik reeds aanstalten maak om te vertrekken. Ik kan blijkbaar niet gaan zonder een foto van haar nieuwe droomwereld gezien te hebben. Tot drie keer toe bladert ze het ding tergend langzaam door (om de betreffende foto niet te missen ongetwijfeld), zich ondertussen verontschuldigend voor het feit dat ze me ophoudt. Ik wacht op het moment dat ze zal zeggen: “Ach, laat ook maar”, maar dat moment komt niet; ik moet en zal een foto van Moorea zien. Hoeveel gasten zouden mij zijn voorgegaan, hun desinteresse en ongeduld verbijtend, puur uit fatsoen en medelijden? Eindelijk heeft ze de foto gevonden, die ze trots aan me laat zien. Op de luchtfoto zie ik een tropisch eiland als alle andere: groen, met een wit strand en een azuurblauwe kring eromheen.

Zelf ben ik voor m’n werk op weg naar Mallorca, toch ook geen onaardig eiland. Daar hebben we het eigenlijk niet over gehad. Vol verwachting over de reis die voor me ligt, verlaat ik Dompierre. Het is het schoonste dorp dat ik ooit heb gezien.

© Sjaak van Haaster – Tekstbureau de Taalformule

Uiterlijke schijn

Op mijn weg terug vanuit Kroatïe (waarbij ik dus ook Bosnië aandeed), strijk ik neer in Ptuj. Rare naam, Ptuj. In Slavische talen komen (soms onuitspreekbare) medeklinkercombinaties voor die wij niet kennen. Zoals een ‘p’ gevolgd door een ‘t’. Maar wat te denken van woorden waarin klinkers helemaal ontbreken, zoals de naam van het Kroatische eiland ‘Krk’ of het Sloveense woord voor plein: trg. De eerste keer dat ik in Ljubljana was, dacht ik dat ‘trg’ een afkorting was.

Voor mijn noodzakelijke overnachting verkies ik een Sloveens spookhuis boven een smakeloos, Oostenrijks gasthaus, al zou ik waarschijnlijk alles verkiezen boven Oostenrijk. Het Alpenland is schitterend, leuk om doorheen te rijden, daar niet van, maar bij de aanblik van te net gelakte houten huizen en statige balkons waar geraniums aan hangen word ik nerveus. Zo veel orde en netheid kan alleen maar ontstaan onder sociale druk. Sociale druk leidt tot uiterlijke schijn en uiterlijke schijn verbergt frustraties, angsten en trauma’s. Waarom zou je je in vredesnaam druk maken over de verwelkte geraniums van de buren? Oostenrijk lijkt hierin het kleine broertje van Duitsland.

Vrienden van mij die in Duitsland hebben gewoond, vertelden me dat ze er door hun buren op aan werden gesproken als ze naar diens mening het gazon te lang niet hadden gemaaid. Andere kennissen kregen van omwonenden te horen dat er wat zaken tussen hun afvalplastic lagen die daar echt niet thuishoorden.

Veel mensen roepen dat er in Nederland te veel regels zijn, maar mijns inziens is moreel geterroriseerd worden door je buren veel erger dan een overheid die regels instelt om ongewenst gedrag binnen de perken te houden. En ach, zo erg is het nou ook weer niet bij ons. In Oostenrijk mag je niet met z’n tweeën op een fiets rijden. Dat vind ik een ernstige inperking van de vrijheid van alle verliefde stelletjes. Ik ben blij dat ik me op mijn vierendertigste nog altijd een beetje puber kan voelen. Hand in hand naast elkaar fietsen kan toch niet tippen aan een mooie vrouw achter op je bagagedrager die haar handen om je middel slaat en haar hoofd tegen je aan vlijt, terwijl jij je het schompes trapt om een vals platte weg op te fietsen en het zweet over je rug gutst?

De mentale overeenkomsten tussen Duitsland en Oostenrijk zijn naar mijn mening evident. Vind je het gek dat Hitler Oostenrijk als een deel van Het Derde Rijk beschouwde en het daarom reeds voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog bij Duitsland voegde: de zogeheten Anschluss. Overigens werden de Nazi’s er met open armen ontvangen, maar dat bleken de Oostenrijkers na de oorlog vergeten te zijn. Zodoende heeft het land nooit afgerekend met zijn geschiedenis. Maar ja, welk land heeft dat wel?

Nederland heeft na honderden jaren nog steeds niet afgerekend met zijn slavernijverleden, de Armeense genocide wordt door de Turken nog steeds niet erkend en de overlevenden van het beleg van Leningrad worden door de Russische overheid nog altijd neergezet als oorlogshelden, maar hoezeer voel je je een held als je destijds het vlees van je eigen ouders gegeten hebt om niet van de honger om te komen? Geen land komt in het reine met zijn eigen verleden als de zaken niet zo worden voorgesteld zoals ze daadwerkelijk waren.

Wanneer ik de volgende dag in Oostenrijk de snelweg op draai, hangt er een spandoek boven de weg: ‘Die A9 ist kein Müllplatz’. Het verbaast me niks dat een land dat zijn onderdanen aanspreekt alsof het kinderen zijn, niet in staat is af te rekenen met zijn eigen verleden. De geraniums zullen nog wel lang aan de balkons blijven hangen.

© Sjaak van Haaster – Tekstbureau de Taalformule

Het achterland van Europa

Goed, ik was dus in Bosnië. Het land in komen was een fluitje van een cent, zoals ik eerder al vertelde. Een ongewoonheid voor dit soort landen. Op mijn heenreis naar Dubrovnik, Kroatië kwam ik de Bosnische Neum-corridor niet in, een kuststrookje van negen kilometer dat de Kroatische kust ruw onderbreekt met twee grenscontroles. Er was blijkbaar iets mis met mijn vrachtbrief waarop wat ondefinieerbare onderdelen waren omschreven die ik af moest leveren bij een luxueus jacht dat in de haven van Dubrovnik lag. Toen ik de douanier beleefd vroeg waarom ik er niet in kwam, antwoordde hij zoals het een hulpvaardige ambtenaar betaamt: “Because I say so.” Kijk, zoiets verwacht je tenminste. Hoe die geschiedenis afliep, vertel ik misschien nog wel eens.

Alles is hier dus zoals het hoort te zijn; Bosnië vertoont alle kenmerken van de Europese periferie. Mocht je nou ooit eens twijfelen of je nu wel of niet in de EU bent (en ben je de grenscontrole alweer vergeten), let dan op de volgende kenmerken.

      1. Norse en corrupte overheidsdienaars

Zie het voorbeeld hierboven. Ben je niet overtuigd? Rijd met je auto naar Oekraïne.

      2. Toestand van de wegen en de rijstijl van de locals

De infrastructuur is gebrekkig. Dit kan in het geval van Bosnië het beste worden verduidelijkt aan de hand van een voorbeeld. Stel, je bent in Osijek, het uiterste noordoosten van Kroatië, en je wilt naar Dubrovnik, het uiterste zuiden, dan ligt er een enorm obstakel in de vorm van het land Bosnië tussen. Het is dus verreweg het kortst om dit land simpelweg te doorkruisen; een trip van zo’n 530 kilometer. Maar: Bosnië kent vrijwel geen snelwegen. Als je omrijdt via Zagreb, wordt de reis 350 kilometer langer maar de reistijd blijft hetzelfde. Bovendien rijd je over biljartlakens van asfalt in plaats van hobbelige, bochtige wegen waar een snelheidsbeperking geldt van tachtig kilometer per uur en de corrupte politie je achter elke bocht een poot wil uitdraaien door middel van laserguns, flitspalen en allerlei onzinnige verkeerscontroles. In het uitzonderlijke geval dat je van Osijek naar Dubrovnik moet reizen, kies je uiteraard wel gewoon voor de laatste optie. Waarom? Omdat Bosnië adembenemend mooi is. Voor strakke snelwegen ga je wel gewoon naar Nederland, nietwaar?

Op de Balkan wordt anders autogereden dan wij gewend zijn. In het algemeen geldt voor landen: hoe slechter de wegen, hoe slechter de rijstijl. Inhalen is overal geoorloofd; over een doorgetrokken streep, voor een bocht, op een helling en op andere momenten waarop een westerling het niet in zijn gezonde verstand zou halen om een inhaalactie te plannen (Duitsers uitgezonderd misschien). Overigens gaat het altijd goed. Of nou ja, het ging goed op de momenten dat ik er getuige van was. Het kan dus wel, maar op mij maakt het toch een licht suïcidale indruk.

      3. Zwerfhonden

Geen Balkanland zonder zwerfhonden. Ik ben de grens nog geen tweehonderd meter voorbij, of er sprint een dolle hond luid blaffend recht op mijn auto af. Een halve meter voor het gestoorde dier verpletterd zal worden onder het rubber van mijn banden, keert ie om.

In Jajce trof ik op de stoep een vechtende roedel zwerfhonden aan. Niemand trok zich er iets van aan. Het schijnt dat ze je aanvallen als je ze aankijkt. Dat heb ik dus maar niet gedaan.

In Oekraïne zag ik eens een motorrijder aangevallen worden door een paar honden. Had ie ze maar niet aan moeten kijken, denk ik dan.

      4. Mannetjes die iets van je willen (geld)

Maak je maar geen illusies. Jij bent toerist en zij weten dat. Mannetjes hebben daar een neusje voor. Als ze het al niet meteen aan je auto zien, dan wel aan je kledingstijl of je zoekende, onzekere manier van lopen. Mannetjes zijn overal en spotten jou veel eerder dan jij hen.

In Bihac parkeerde ik bij een supermarkt. Ik was nog niet uitgestapt of er stond al een opdringerige jamverkoper aan mijn autodeur. Toen ik weigerde iets te kopen, riep hij me na: Van Baasten! Goellit! Raikaat! Mannetjes kennen de voltallige selectie van het Nederlands elftal van 1988 uit hun hoofd.

Ik ging naar Mostar om de brug te zien (vrij naar: Martinus Nijhof). Het is een stenen bruggetje dat instortte onder het geweld van de Balkanoorlog en zodoende daar een symbool van is geworden. Nu is het een toeristische trekpleister en zoals altijd vallen die vies tegen (denk aan Manneken Pis). Ik kon vlak bij het centrum wel gratis parkeren, althans, dat dacht ik. Toen ik terugkwam bij mijn auto, verscheen er echter uit het niets een mannetje met vettig, halflang sluikhaar en een bezweet hoofd. Aangezien hij waarschijnlijk zojuist uit een willekeurige steeg was komen opduiken en geen enkel zichtbaar kenmerk van autoriteit vertoonde, weigerde ik hem geld te geven. Hij droop af.

      5. Leegstaande, vervallen gebouwen

Ga de Europese Unie uit en je ziet ze: lege, vervallen gebouwen. Overigens zie je ze in België ook, maar goed, het gaat om de kwantiteit. Leegstaande fabrieken, pompstations zonder dak en overwoekerd door onkruid, huizen zonder kozijnen waar bomen uitgroeien (dit is wel heel karakteristiek voor de Balkan; na de oorlog lijken er meer verlaten dan bewoonde huizen te zijn) en ga zo maar door. In Bosnië trof ik dorpen aan waar niemand meer woonde. Het is verleidelijk om daar gewoon tachtig te blijven rijden, ook omdat deze dorpen die zelden uit meer dan twintig huizen bestaan wel twee kilometer lang zijn als je de borden van de bebouwde kom mag geloven. Maar pas op: de Bosnische politie hecht veel waarde aan het matigen van de snelheid in spookdorpen.

Ik geef toe: deze lijst is verre van compleet. Maar mocht je ooit eens verkeren in een toestand van extreme desoriëntatie, pak hem er toch maar bij en kijk wat je om je heen ziet. Want tenzij je een extreem getrainde wijnproever bent, weet je dan in ieder geval of je je in Frankrijk of in Moldavië bevindt.

© Sjaak van Haaster – Tekstbureau de Taalformule