Een euro

Ik sluit mijn auto aan in de rij met wachtenden. Buiten is het 32 graden. Ik laat de motor lopen en de airconditioning draait volle toeren. Daar staan we dan, in Vyšné Nemecké, Slowakije. Weldra zullen we het grondgebied van Oekraïne betreden, alleen is het nog onduidelijk hoeveel tijd er in het woord weldra besloten ligt. Voor ons staan twee rijen met hooguit tien auto’s. Dat stemt ons hoopvol. Hoelang kan het duren?

Het eerste kwartier komen we echter niet van onze plaats. Douaniers lopen af en aan, maar lijken zich allerminst te bekommeren om de verveelde reizigers die uitdrukkingsloos voor zich uit staren, een sigaret roken of even buiten de auto de benen strekken. Na een tijdje lijkt er toch wat schot in te komen. De Slowaakse dienders lopen de voorste paar auto’s langs, nemen paspoorten en autopapieren in en kijken in kofferbakken om vervolgens terug te lopen naar hun hok om wat administratieve handelingen uit te voeren.

Bij ons is alles in orde. Althans, zo lijkt het. Als ik op een gegeven moment naar links kijk, is een Oekraïner vanuit een aftandse auto in de rij naast ons druk naar me aan het gebaren. Mijn auto lekt aan de onderkant, zoveel kan ik eruit opmaken. Autopech hier bij de grens, het zal toch niet? Als ik uitstap en onder mijn auto kijk, zie ik wat hij bedoelt: condens van de airconditioning. Pff, al die drukte om niks. Een voorbijlopende douanier maakt een wegwerpgebaar naar de Oekraïner. Bedankt, denk ik, dat hoef ik nu niet meer te doen.

De formaliteiten aan de Slowaakse zijde duren mijns inziens onnodig lang, maar het verloopt vrij gestructureerd. Als we onze documenten terug hebben gekregen, rijden we het niemandsland in. Na een paar honderd meter sluiten we aan in de rij voor de Oekraïense grenspost. De anarchistische toestand is begonnen, evenals het toneelspel.

Niets staat aangegeven. Niets wordt uitgelegd. We kunnen niet anders dan doen wat onze voorgangers doen. Voordat het zover is, komt een jonge Oekraïense grenswacht op ons toe lopen en gaat naast de auto staan. Hij bekijkt onze paspoorten en wijst naar rechts als teken dat ik de achterdeuren moet openen. Hij kijkt wat rond, vraagt naar onbeduidende zaken en maant me om tassen te openen. Dan valt zijn oog op een schaakbordje. Het is een prachtig cadeau dat ik van mijn moeder kreeg voor het behalen van mijn diploma. In het bord zitten schaakstukken, een drankflacon met sovjetembleem en wodkaglaasjes. “Atkryvai”, zegt hij: maak open. Ik klap het bord open. Hij pakt het flacon, schudt het ding heen en weer dat een klotsend geluid maakt, glimlacht en vraagt: “Wodka?” “No, whisky”, antwoord ik. Hij lacht en gebaart dat ik de deuren weer kan sluiten.

We verzamelen ons net als alle anderen bij het loketje dat zich een meter of tien voor ons bevindt. De smalle, horizontale opening is zo laag dat we alleen de hand zien die onze paspoorten aanneemt. Vervolgens wil Tatjana (zo heet ze echt, afgaande op haar naambadge) wel zien of we werkelijk zijn wie onze paspoorten zeggen dat we zijn. Het leidt tot onhandig gebuk voor de opening van het loket dat zich op middelhoogte bevindt. Goed, het duurt een minuut of vijf, maar dan krijgen we onze paspoorten met inreisstempel en al terug. Nou, dat gaat voorspoedig, denk ik. Maar dan merk ik een nieuwe rij op om de hoek van het gebouwtje. Er is nog een loket. Natuurlijk is er nog een loket. Op plekken als dit is er altijd nog een loket.

Iedereen staat te dringen om zijn paspoort weer af te geven voor god mag weten wat voor overbodige bureaucratische rompslomp. Een wat oudere, slungelige man komt het betreffende hok uit en zegt me dat ik bij de ‘bank’, die aan de andere kant van het terrein een loket heeft, een euro moet gaan betalen. “Waarom?” vraag ik. Hij geeft geen uitleg. Ik zeg dat ik niet ga betalen als ik niet weet waar het voor is. Hij leidt me naar wéér een ander loket. Een collega die zogenaamd Engels spreekt legt me daar uit dat ik moet betalen omdat ik een ‘cargo van’ heb: dat vereist een andere controle. O ja, tuurlijk, denk ik cynisch. “Ik ben op vakantie, niet aan het werk”, zeg ik. Het heeft geen effect. Hoeveel stampij ga ik maken voor een euro? Gedwee loop ik naar ‘de bank’.

Ondertussen verdedigt Renske onze plaats voor in de rij en houdt haar ogen niet van onze paspoorten en autopapieren af, die nog steeds op het bureau van de slungel liggen.

Bij de bank aangekomen krijg ik net als ik een munt van een euro heb neergelegd, te horen dat ik twee euro moet betalen. “Net was het nog een euro”, zeg ik verontwaardigd. “Nee,” zegt de kolossale vrouw in het zweterige, aftandse hok, “één euro is voor Oekraïne, de ander is commissie voor de bank.” “Zo, jullie vragen als bank een flinke commissie”, zeg ik sarcastisch. Ze glimlacht. Ik glimlach terug. We weten allebei dat het een façade is.

Ik eis een betalingsbewijs. Helaas, de computer werkt niet goed. En de printer is ook kapot. Ze kan wel een kwitantie uitschrijven. “Iedereen kan een kwitantie uitschrijven,” zeg ik, “ik wil een gedrukte.” Dan doet de computer het wonderwel ineens toch, en de printer ook. Een paar minuten later sta ik met een twee pagina’s lange kwitantie in mijn klauwen. 30 hryvnia staat erop: omgerekend een euro…

Pas als het luttele bedrag betaald is, krijgen we onze documenten terug. Kunnen we nu verder? Het zal toch? Geen loketten meer voor ons, enkel een slagboom. Bij de slagboom aangekomen leveren we een papiertje in dat we bij aankomst ontvingen en gedurende het proces vol is gekwakt met stempels. De beambte zegt en gebaart niks. Als we vragen of we door kunnen rijden, haalt hij zijn schouders op, trekt een vragend gezicht en zegt quasi-onverschillig als een roofdier dat met zijn prooi speelt: “Yeah…”

We zijn in Oekraïne.

© Sjaak van Haaster – Tekstbureau de Taalformule