Achter de grenzen van de Europese Unie

De douanier veegt de slaap uit zijn betraande ogen terwijl hij op een sukkeldrafje naar zijn hok loopt waarvoor ik met geopend raam sta te wachten. Mijn paspoort en groene kaart rusten in mijn hand. Mijn arm hangt losjes over de rand van het portier van mijn auto. Links kijk ik tegen de bergwand aan, rechts ligt een enorme vallei die iets verderop uitmondt in de Adriatische Zee. Dit is de mooiste grensovergang waar ik ooit geweest ben.

De net ontwaakte ambtenaar verwacht duidelijk geen grensverkeer om vijf uur ’s ochtends. Ik ben dan ook de enige. Een rij auto’s zoals ik die gewoon ben bij grensposten, ontbreekt. Door het loket pakt de voormalige Joegoslaaf de documenten van me aan, zoekt de afkorting BIH op mijn groene kaart en plaatst een stempel in mijn paspoort. Hij geeft het zaakje aan me terug en loopt zijn hok weer uit. Mijn auto hoeft ie niet in te zien. Ik mag doorrijden. Twee minuten. Twee minuten om de Europese Unie uit te gaan. Dat heb ik nog nooit meegemaakt.

Achter de grenzen van de Europese unie ligt een andere wereld, meestal een armere wereld. De armere wereld waarin ik me nu bevind, heet Bosnië-Herzegovina, in de volksmond veelal kortweg Bosnië genoemd. Het land is zo prachtig als de naam die het draagt. Dat slaat echter vooral op de natuur. Het heeft de voorkeur om er als toerist te zijn en niet als inwoner. Elk jaar presenteren de Verenigde Naties de ‘Human Development Index’, een lijst die weergeeft hoe ontwikkeld de verschillende landen in de wereld zijn. De criteria die worden gehanteerd voor de totstandkoming van de lijst zijn levensverwachting, onderwijs en inkomen per hoofd van de bevolking. Bosnië neemt daarop de 81e plaats in en wordt voorgegaan door landen als Mexico, Albanië, Cuba en Brazilië. Corruptie is hier wijdverspreid en de toestand van de wegen is erbarmelijk.

Van de corruptie merk ik vooralsnog niets. Van de slechte wegen des te meer. Zolang je de hoofdwegen volgt is er weinig aan de hand, maar sla je een willekeurige zijweg in, dan is deze vaak onverhard of de gaten in het asfalt zijn niet te tellen. In Trebinje stop ik bij een pomp. Mijn tank zit nog voor een kwart vol, maar de tankstations liggen hier niet voor het oprapen en ik wil mijn geluk niet op de proef stellen.

Een jongeman zit verveeld op een klapstoeltje voor de pompwinkel. Ik vraag hem in het Engels of ik met een bankpas kan betalen. “I hope, because we have problems with electronics. Let’s try”,antwoordt hij in gebrekkig Engels. En wat als het apparaat niet werkt? “We find solution, don’t worry, this is good country.”

Het feit dat hij dat zo moet benadrukken verontrust me. En wat is anders de ‘solution’? Terwijl hij mijn tank tot het randje vol gooit, bid ik dat de stroom niet uitvalt.

© Sjaak van Haaster – Tekstbureau de Taalformule

20180706_121730

 

Vierduizend

Het suizen van mijn banden over het korrelige asfalt en de witte strepen op de weg die door mijn auto werden opgeslokt, brachten me in een soort trance. Mijn bestaan, dat zich op dat moment had verengt tot het zitten in een kleine cabine die zich met hoge snelheid over de weg begaf, was overzichtelijk en vertrouwd. Mijn wereld beperkte zich tot datgene dat in het schijnsel van mijn koplampen zichtbaar was: asfalt, witte strepen, de vangrail, reflectoren van vrachtwagens en zo nog wat meer. Op lange ritten verdwijnt mijn tijdsbesef en mag het ogenschijnlijk doodsaaie autorijden op een lege snelweg met de cruise control op 130 eeuwig voortduren. Het gevoel is mij zeer vertrouwd en het werkt verslavend. Soms heb ik muziek op staan, maar dat hoeft eigenlijk niet eens.  Enkel de opwelling van zeer primaire behoeften als de aandrang om te plassen, dorst en honger halen mij uit deze aangename trance en brengen me ertoe de afslag te pakken naar een rustplaats of tankstation. 

Ditmaal werd ik ingeseind door alle drie. Zo kwam het dat ik op de Duitse A44 om 11 uur ’s avonds ter hoogte van Paderborn de afrit nam naar een Aral-tankstation. Terwijl mijn auto vaart minderde, zag ik de lichtblauwe neonlichten gestaag dichterbij komen.

Tankstations zijn ’s avonds laat en ’s nachts een verzamelplaats voor een rare mengelmoes van individuen. Je treft er mensen van allerlei pluimage aan en een voertaal ontbreekt. Het is een mix van zakenmensen, Oost-Europese vrachtwagenchauffeurs, vakantiegangers en eenzame zielen met onduidelijke bedoelingen. Toch is niemand daar zomaar.

Terwijl ik met mijn plas het vliegje in het waterbesparende urinoir probeerde te raken, stonden twee Poolse vrachtwagenchauffeurs om de hoek van een betegeld muurtje luidruchtig hun gezicht te wassen en hun tanden te poetsen. Verderop hoorde ik twee mannen Russisch praten. Zal ik even een praatje met ze maken, dacht ik nog. Nochtans grijp ik elke mogelijkheid aan om mijn beheersing van het Russisch op te krikken. ‘Tsjetierje tiecietsje’ ving ik op uit hun gesprek: vierduizend. Het ging vast over geld. Het temperde mijn enthousiasme om even spontaan een gesprekje met ze aan te knopen en ik besloot me bij nader inzien wat terughoudender op te stellen. De rest van het gesprek kon ik niet goed volgen. Toen ik de wc uitliep, passeerde ik twee in pak geklede mannen. Ik liep naar de koeling, nam er twee blikjes cola uit en rekende af bij de kassa.

Bij de parkeerplaats aangekomen zag ik dat er een zwarte Toyota Landcruiser met Russisch kenteken pal naast mijn auto stond. Laat het nou net zo zijn dat ik vlak hiervoor uit zeer onbetrouwbare bron vernomen had dat de Toyota Landcruiser de favoriete auto is van de Russische maffia (onbetrouwbare bronnen spreken soms de waarheid over betrouwbare auto’s). In mijn herinnering zag ik filmpjes op Dumpert voorbijkomen van Landcruisers die in Rusland andere auto’s klemreden en waaruit een met honkbalknuppels uitgeruste knokploeg stapte om de klemgereden auto helemaal aan gort te slaan. Of waaruit een pistool uit het raam verscheen wanneer een achterligger de bolide niet royaal genoeg liet invoegen. Waarschijnlijk zag ik spoken en was er geen enkele reden tot verontrusting, bovenal omdat ik niet de indruk had mezelf in de afgelopen vijf minuten tot doelwit te hebben gemaakt, maar wie kon me zeggen dat dit geen maffia was? Ik besloot mijn weg snel te vervolgen.

Tien minuten later en zo’n twintig kilometer verder had ik het eerste blikje aangebroken en met korte tussenpozen nam ik er wat slokken uit. Ondertussen fantaseerde ik over waar ik zojuist getuige van was geweest: “De trouwjurk van mijn vrouw kostte 4000 euro.” Of: “Als mijn auto 130 rijdt, maakt ie 4000 toeren.” Of: “Als we hem 4000 euro geven, houdt ‘ie zijn mond wel.” Wie zal het zeggen?

In mijn buitenspiegel zag ik twee witgekleurde koplampen in hoog tempo dichterbij komen. Die auto moest minimaal 220 kilometer per uur rijden. Toen hij voorbij vloog, voelde ik een korte doch hevige ruk aan mijn auto. Het was de Russische Toyota Landcruiser. 

© Sjaak van Haaster