Iedereen een paria, iedereen een held

Voor het eerst was de weg op vrijdagmiddag vanuit het westen naar huis filevrij. De ineens krankzinnig geworden wereld, die in een razend tempo gereduceerd was tot één probleem, had tot een kaalslag geleid op de Nederlandse wegen. De verlaging van de snelheid was een niet noemenswaardige gebeurtenis gebleken. In diezelfde wereld was toegeven aan je meest essentiële menselijke behoeften gebombardeerd tot de nieuwe hufterigheid en het nieuwe egoïsme. Iedereen was een paria en diende zich navenant te gedragen.

Voor de mensen die in die wereld leefden, waren tegenslagen verworden tot iets uit vervlogen tijden. Tijden van schaarste, tijden van oorlog, tijden waarin het leven hard en onrechtvaardig was. In de veertiende eeuw werd datzelfde continent via dezelfde laars die daaraan bungelde, getroffen door iets dat zich aandiende in de vorm van zwarte bulten en diens slachtoffers in twee tot drie dagen op gruwelijke wijze de dood in joeg. Gebieden raakten ontvolkt, steden werden lamgelegd. Mensen om de lijken te begraven waren er niet meer. Mensen om het land te verbouwen waren er ook niet meer. De bevolking decimeerde en huiverde. Die tijden waren gelukkig voorgoed voorbij. Het leven was genieten, het leven was maakbaar, het leven was streven naar geluk. Niets zou dat geluk in de weg staan, ook tegenslagen niet.

Het meisje van anderhalf begreep er maar weinig van. Waarom kreeg ze geen aai meer over haar bol van de mensen die dat gewoon waren te doen? Waarom liep iedereen met zo’n wijde boog om haar heen? Had ze misschien iets verkeerd gedaan? De bejaarde man in wiens hoofd het al jaren schemerde staarde de hele dag door het raam naar buiten, wachtend op bezoek dat nooit zou komen, terwijl de laatste herinneringen aan zijn kinderen en kleinkinderen zonder de noodzakelijke voeding langzaam oplosten. De depressieve stewardess, die verordonneerd werd zich twee maanden in haar eigen huis op te sluiten, werd het te veel en hing zichzelf op.

In het land waarin altijd maar dan ook altijd de gewoonheid zegevierde, dreef de gekte mensen ertoe in groepsverband op pannen te slaan en zich te voorzien van overbodige proviand, waardoor de kwetsbaren misgrepen. Opeens was iedereen ‘die zich met gevaar voor eigen leven in de frontlinie begaf’ een held, want zonder oorlogsretoriek geen helden. Maar hoe zat het dan met die miljoenen helden van 75 jaar geleden?

De gezagsdragers hadden elk voorjaar hun mond vol van vrijheid. Vrijheid was het waard om voor te vechten, vrijheid was het grootste goed, vrijheid was onbetaalbaar. De bevolking moest dankbaar zijn, want vrijheid was niet vanzelfsprekend. Vierhonderdduizend Amerikanen, zes miljoen Duitsers, vijfentwintig miljoen Russen en ontelbaar veel anderen konden dit bevestigen, ware het niet dat ze vanaf de andere wereld levenloos toekeken hoe de vrijheid waarvoor zij hun leven gaven in enkele weken te grabbel werd gegooid.

De boodschap van de moralisten bleek een lege huls. De máákbaarheid was onbetaalbaar, niet de vrijheid. Desalniettemin lieten de mensen het zich apathisch aanleunen, bleven thuis en buitelden over elkaar heen om elkander de les te lezen. De maatschappelijke prijs voor de maakbaarheid, die in de nabije toekomst betaald zou moeten worden, was onmetelijk groot en zo onzichtbaar als de vijand, maar daarom niet minder reëel of ingrijpend. Een generatie pubers werd achtervolgd door de herinnering aan een onverdiend en daarom onbevredigend diploma, honderdduizenden banen gingen verloren, depressies grepen om zich heen, mensen stierven zonder hun dierbaren nabij te hebben en de eenzaamheid regeerde. Honderden, zo niet duizenden vragen werden gesteld, behalve die over het middel en de kwaal. En niemand die het aandurfde om die o zo gevoelige, doch prangende vraag te stellen: wat is de prijs van vrijheid?

© Sjaak van Haaster