De tragiek van het ongezegde

Zoals hij daar zat, zwijgzaam kijkend door het vale raam dat uitzicht gaf op een inktzwart wolkendek dat zich langzaam over de weilanden voorttrok, straalde hij een sereenheid uit die alleen oude mensen over zich hebben. Zijn berustende blik was er een van een mens dat zijn leven geleefd had en zich geen illusies meer maakte over de nabije, laat staan de verre toekomst. Het handvat van de bruin leren aktetas, die overdwars op zijn schoot stond, omklemde hij met twee rimpelige handen waarop de ouderdomsvlekken het huidkleurige pigment reeds sinds lange tijd aan het verdringen waren. Hij leek op een kind dat een deftige jockey imiteerde. Zijn benen vormden een perfecte hoek van negentig graden en uit het eind van de bruine ribbroek met wijde pijpen staken twee dunne enkels. Zijn voeten, in donkerbruine, suède schoenen gestoken die te grof leken voor zijn tengere lichaam, stonden iets naar binnen.

‘Mag ik naast u zitten?’, vroeg ik op gedempte toon, bang dat ik was om zijn rust te verstoren. ‘Ja, hoor’, antwoordde hij, terwijl hij onnodig nog enkele centimeters richting het raam opschoof en kort zijn ogen naar me opsloeg om de jongeman gade te slaan die hem zojuist uit zijn trance had gehaald. Aanvankelijk zwegen we, maar de stilte duurde kort. Met het in beweging komen van de trein kwam ook ons gesprek op gang.

We praatten over de onheilspellende lucht die langzaam donker kleurde, over het zorgwekkende telefoongebruik onder jongeren en over de teloorgang van het intermenselijk contact, kortom, over datgene waar men over praat als men elkaar niet kent. En over de oorlog.

‘Alle volwassen mannen werden in Duitsland tewerkgesteld. Mijn vader zat echter ondergedoken. Eens in de zoveel tijd hielden ze razzia’s in onze wijk. Dat was wel ongemakkelijk, want al die moeders en kinderen zagen dat onze vader in tegenstelling tot de hunne er niet bij stond. Dat leverde natuurlijk wel scheve gezichten op’, vertelde hij, terwijl een ongemakkelijke glimlach rond zijn mond verscheen.

Hij vervolgde: ‘Tijdens de hongerwinter liep ik met mijn broer helemaal naar de Veluwe, op zoek naar voedsel.’ Nu pas viel zijn overduidelijke Rotterdamse tongval me op. ‘Ik was toen negen jaar oud, mijn broer was vijftien. We kregen eten en hij gaf de helft meteen aan mij, de rest bewaarde hij. Toen ik een half uur later vroeg of ik nog iets mocht, had hij het zelf opgegeten. Ik werd ontzettend boos op hem. Ja, stom hè? Hij had natuurlijk ook vreselijke honger.’ Met een schuldbewuste blik keek hij voor zich uit. Ik had met hem te doen.

Mijn gedachten dwaalden af. Wat deed ik toen ik negen was? Ik jatte supermarkten leeg, ik verkocht het favoriete speelgoed van mijn broer voor drie kwartjes aan het vreselijkste joch uit de hele straat en ik legde rookbommen onder de ramen van de buren. Bovenal dacht ik nooit 35 te zullen worden, maar ik werd 35 en het kwam toch nog aardig goed met me. Volgens mij kun je iemand iets wat ie op zijn negende deed niet eindeloos nadragen.

‘Op de terugweg belandden we in een geallieerde luchtaanval. Mijn broer duwde mij een greppel in, maar werd zelf getroffen door een bomscherf. Hij overleed ter plekke. Ik ben naar huis gebracht door een vreemde man, achterop zijn fiets. Veertig kilometer heb ik achterop gezeten en weet je wat het gekke is,’ gefascineerd keek ik hem aan en schudde mijn hoofd, ‘de hele weg hebben we niets tegen elkaar gezegd. Raar, hè? We zeiden al die tijd helemaal niets tegen elkaar. Kun je je dat voorstellen?’ ‘Nee’, antwoordde ik zachtjes. ‘Ik heb mijn vader nooit zien huilen,’ ging hij verder, ‘maar toen ik thuiskwam huilde hij. Zijn ene zoon was dood, de ander was levend teruggekomen. Ik vond het zo raar om mijn vader te zien huilen, dat weet ik nog zo goed. Dat had ik nog nooit gezien.’

Ach ja, mannen en huilen. Is er in 75 jaar iets veranderd?

‘Weet je wat me soms zo irriteert,’ vroeg hij, terwijl het overduidelijk was dat hij de vraag weldra zelf zou beantwoorden, ‘dat mijn kinderen nooit het hele verhaal hebben gehoord. Dan zeggen ze: “Pa, dat verhaal over de oorlog kennen we al.” ‘Verdrietig keek hij voor zich uit. ‘Hebt u een goede band met uw kinderen?’, vroeg ik. ‘Ja, dat wel’, antwoordde hij.

De trein reed station Arnhem binnen. We namen afscheid van elkaar. ‘Ik hoop dat je het niet vervelend vond’, zei hij op verontschuldigende toon. ‘Helemaal niet!’, reageerde ik met klem, hopend daarmee zijn onzekerheid weg te nemen. Op de trap kruisten onze wegen nog een keer. ‘Weet u,’ begon ik voorzichtig, terwijl hij verbaasd naar opzij keek, ‘ik heb er even over nagedacht en ik denk dat u uw kinderen het hele verhaal gewoon eens moet vertellen. U kunt ze opbellen, uitnodigen en zeggen dat u dat graag wilt. Dat zullen ze toch wel begrijpen? Nu kan het nog, misschien is het anders te laat.’ ‘Ja, misschien heb je gelijk. Dankjewel.’

© Sjaak van Haaster