Uiterlijke schijn

Op mijn weg terug vanuit Kroatïe (waarbij ik dus ook Bosnië aandeed), strijk ik neer in Ptuj. Rare naam, Ptuj. In Slavische talen komen (soms onuitspreekbare) medeklinkercombinaties voor die wij niet kennen. Zoals een ‘p’ gevolgd door een ‘t’. Maar wat te denken van woorden waarin klinkers helemaal ontbreken, zoals de naam van het Kroatische eiland ‘Krk’ of het Sloveense woord voor plein: trg. De eerste keer dat ik in Ljubljana was, dacht ik dat ‘trg’ een afkorting was.

Voor mijn noodzakelijke overnachting verkies ik een Sloveens spookhuis boven een smakeloos, Oostenrijks gasthaus, al zou ik waarschijnlijk alles verkiezen boven Oostenrijk. Het Alpenland is schitterend, leuk om doorheen te rijden, daar niet van, maar bij de aanblik van te net gelakte houten huizen en statige balkons waar geraniums aan hangen word ik nerveus. Zo veel orde en netheid kan alleen maar ontstaan onder sociale druk. Sociale druk leidt tot uiterlijke schijn en uiterlijke schijn verbergt frustraties, angsten en trauma’s. Waarom zou je je in vredesnaam druk maken over de verwelkte geraniums van de buren? Oostenrijk lijkt hierin het kleine broertje van Duitsland.

Vrienden van mij die in Duitsland hebben gewoond, vertelden me dat ze er door hun buren op aan werden gesproken als ze naar diens mening het gazon te lang niet hadden gemaaid. Andere kennissen kregen van omwonenden te horen dat er wat zaken tussen hun afvalplastic lagen die daar echt niet thuishoorden.

Veel mensen roepen dat er in Nederland te veel regels zijn, maar mijns inziens is moreel geterroriseerd worden door je buren veel erger dan een overheid die regels instelt om ongewenst gedrag binnen de perken te houden. En ach, zo erg is het nou ook weer niet bij ons. In Oostenrijk mag je niet met z’n tweeën op een fiets rijden. Dat vind ik een ernstige inperking van de vrijheid van alle verliefde stelletjes. Ik ben blij dat ik me op mijn vierendertigste nog altijd een beetje puber kan voelen. Hand in hand naast elkaar fietsen kan toch niet tippen aan een mooie vrouw achter op je bagagedrager die haar handen om je middel slaat en haar hoofd tegen je aan vlijt, terwijl jij je het schompes trapt om een vals platte weg op te fietsen en het zweet over je rug gutst?

De mentale overeenkomsten tussen Duitsland en Oostenrijk zijn naar mijn mening evident. Vind je het gek dat Hitler Oostenrijk als een deel van Het Derde Rijk beschouwde en het daarom reeds voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog bij Duitsland voegde: de zogeheten Anschluss. Overigens werden de Nazi’s er met open armen ontvangen, maar dat bleken de Oostenrijkers na de oorlog vergeten te zijn. Zodoende heeft het land nooit afgerekend met zijn geschiedenis. Maar ja, welk land heeft dat wel?

Nederland heeft na honderden jaren nog steeds niet afgerekend met zijn slavernijverleden, de Armeense genocide wordt door de Turken nog steeds niet erkend en de overlevenden van het beleg van Leningrad worden door de Russische overheid nog altijd neergezet als oorlogshelden, maar hoezeer voel je je een held als je destijds het vlees van je eigen ouders gegeten hebt om niet van de honger om te komen? Geen land komt in het reine met zijn eigen verleden als de zaken niet zo worden voorgesteld zoals ze daadwerkelijk waren.

Wanneer ik de volgende dag in Oostenrijk de snelweg op draai, hangt er een spandoek boven de weg: ‘Die A9 ist kein Müllplatz’. Het verbaast me niks dat een land dat zijn onderdanen aanspreekt alsof het kinderen zijn, niet in staat is af te rekenen met zijn eigen verleden. De geraniums zullen nog wel lang aan de balkons blijven hangen.

© Sjaak van Haaster – Tekstbureau de Taalformule

Overvallen

Internationale ritten zijn eenzaam. Je zit ’s nachts alleen in de auto, staart je blind op asfalt dat door het schijnsel van je koplampen heen vliegt en je luistert naar wazige Duitse radiozenders. Van de omgeving zie je niets, tenzij je het geluk hebt overdag te rijden. Dat geluk heb ik niet vaak.

De enige reële oriëntatiemogelijkheden die je tot je beschikking hebt, zijn snelwegnummers die op minuscule bordjes rechts van je voorbijschieten en plaatsnamen van steden die zich op een zekere afstand van jou bevinden. Regelmatig word ik overvallen door het wat-doe-ik-hier-in-godsnaam-op-dit-tijdstip-gevoel. Dat gevoel houdt ergens het midden tussen eenzaamheid, vervreemding, verbazing en geluk. Het een niet zozeer meer dan het ander.

Ook de slaap overvalt me wel eens. Als zelfstandig koerier ben ik niet gebonden aan welke rij- en rusttijdenwet dan ook. Waar vrachtwagenchauffeurs her en der de vluchtstroken en toegangswegen tot tankstations in beslag nemen om de torenhoge boetes voor het overtreden van het rusttijdenbesluit te ontlopen (de boetes voor het op deze manier ontlopen ervan zijn vele malen lager), bepaal ik zelf wanneer ik pauze neem. Of beter gezegd, mijn oogleden; soms volstaat een kwartiertje pauze écht niet meer, hoezeer de ANWB hier elk zomerseizoen ook op hamert bij vakantiegangers die zich opmaken voor de reis naar Zuid-Frankrijk, Spanje of Italië. Gelukkig heb ik meestal nog nét de tijd om voor vertrek een matras achterin mijn bus te gooien.

Leipzig komt al bijna in zicht. Het is twee uur ’s nachts en Jičín, mijn eindbestemming in Tsjechië, is nog zeker een paar uur rijden. Die paar uur ga ik niet aan een stuk volmaken, zoveel is duidelijk. Gelukkig kan ik pas vanaf zeven uur lossen. Dat geeft me mooi de tijd om even een uurtje mijn ogen dicht te knijpen. Bij de eerste parkeerplaats die ik tegenkom, draai ik de snelweg af, schuif mijn auto tussen een paar andere bestelwagens, spring achterin mijn bus en ben binnen vijf minuten vertrokken.

Een luide bons tegen de zijkant van mijn bus haalt me bruut uit mijn slaap. Enkele seconden lang ben ik me niet bewust van de situatie en wellicht niet eens van waar ik op dat moment ben. Dan weer een harde bons, aan de andere kant van de auto ditmaal. Ik hoor meerdere stemmen. Een bijzonder onbehaaglijk gevoel overvalt me. Het is twee uur ’s nachts, misschien half drie inmiddels, ik sta moederziel alleen op een parkeerplaats langs de snelweg en er staan mensen om mijn bus heen. Mensen die ik niet kan zien. Nóg een bons, op de achterdeur dit keer. “Hallo! Polizei!”, roept een zware mannenstem. Ja, politie, dat kan iedereen zeggen. In hoeverre ben je geneigd in slaapdronken toestand op het nachtelijke uur op een parkeerplaats langs de snelweg iemand te geloven die je niet kunt zien en zich uitgeeft voor politieagent?

Alleen een raampje in het tussenschot biedt me de mogelijkheid om naar buiten te kijken maar zolang ik niet weet wie daar buiten zijn en welke bedoelingen ze hebben, ben ik niet van plan me te laten zien. Plots wordt er met een zaklamp naar binnen geschenen. Ik ga met mijn rug tegen het tussenschot aan zitten. Heeft iemand me naar binnen zien kruipen toen ik ging slapen? Ik durf het niet te zeggen. Oké, wat nu te doen? Het Duitse alarmnummer bellen, schiet me te binnen. Dat heb ik geleerd van een eerdere ervaring op de Duitse snelweg. Een te lang verhaal voor nu, geloof me. Snel zoek ik op mijn telefoon het Duitse alarmnummer op: 110 (godzijdank heb ik hier bereik, want dat is in Duitsland ook altijd maar de vraag).

Een zachte vrouwenstem aan de andere kant van de lijn vraagt me wat ze voor me kan betekenen. Met even zachte stem, in de hoop alleen door haar gehoord te worden, leg ik haar de situatie uit. “Op welke parkeerplaats staat u?” Op mijn telefoon zoek ik mijn locatie op: “Saaletal, langs de A38 richting Leipzig”, antwoord ik. “Daar is nu een patrouillewagen van ons aanwezig”, zegt ze kalm. Ik voel mijn hart uit mijn keel wegzakken. “U kunt met een gerust hart de deur openen.” Opgelucht bedank ik haar.

Als ik door het raampje naar buiten kijk, zie ik inderdaad een agente in uniform met een zaklamp voor mijn auto staan. Ik schiet snel wat kleren aan, schuif de zijdeur open en kijk in het gezicht van vier agenten. Enigszins lacherig kijken ze naar de slaperige koerier die op blote voeten voor ze zit en ze glazig aankijkt. “Goedenacht. Er is hier een uur geleden een vrachtwagen overvallen. We willen u vragen of u iets gezien hebt.” Enigszins verbouwereerd staar ik ze aan. “Nee, sorry, ik sta hier denk ik net een kwartier”, zeg ik gelaten. “Oké. Dan kunt u nu weer verder gaan slapen”, lacht een van hen. Het komische van deze opmerking ontgaat me volledig. Alsof dat nu nog gaat lukken, denk ik cynisch. Aan de andere kant: hoe groot is de kans dat er op dezelfde parkeerplaats onder toeziend oog van de politie nóg een overval plaatsvindt?

Mijn onbehagen wint het echter van mijn rationaliteit. Ik start de auto, rijd een kilometer of wat verder en strijk neer bij een tankstation. Ik heb even behoefte aan wat volk om me heen. Aldaar begin ik verwoed aan een tweede poging.

© Sjaak van Haaster – Tekstbureau de Taalformule

Vierduizend

Het suizen van mijn banden over het korrelige asfalt en de witte strepen op de weg die door mijn auto worden opgeslokt, brengen me in een soort trance. Op lange ritten verdwijnt mijn tijdsbesef en mag het ogenschijnlijk doodsaaie autorijden op een lege snelweg met de cruise control op 130 van mij eeuwig voortduren. Het gevoel is mij zeer vertrouwd en het werkt verslavend. Soms heb ik muziek op staan, maar dat hoeft eigenlijk niet eens. Mijn bestaan, dat zich op dat moment beperkt tot het zitten in een kleine cabine die zich met hoge snelheid over de weg begeeft, is overzichtelijk en vertrouwd. Mijn wereld beperkt zich tot datgene dat in het schijnsel van mijn koplampen zichtbaar is: asfalt, witte strepen,  de vangrail, reflectoren van vrachtwagens en zo meer. Enkel de opwelling van zeer primaire behoeften als de aandrang om te plassen, dorst en honger halen mij uit deze aangename trance en brengen mij ertoe de afslag te pakken naar een rustplaats of tankstation.

Ditmaal word ik ingeseind door alle drie. Zo komt het dat ik op de Duitse A44 om 11 uur ’s avonds ter hoogte van Paderborn de afslag neem naar een Aral-tankstation. Terwijl mijn auto vaart mindert, zie ik de lichtblauwe neonlichten gestaag dichterbij komen.

Tankstations zijn ’s avonds laat en ’s nachts een verzamelplaats voor een rare mengelmoes van individuen. Je treft er mensen van allerlei pluimage aan en een voertaal ontbreekt. Het is een mix van zakenmensen, Oost-Europese vrachtwagenchauffeurs, vakantiegangers en eenzame zielen met onduidelijke bedoelingen. Toch is niemand daar ‘zomaar’.

Terwijl ik met mijn plas het vliegje in het waterbesparende urinoir probeer te raken, staan twee Poolse vrachtwagenchauffeurs om de hoek van een betegeld muurtje luidruchtig hun gezicht te wassen en hun tanden te poetsen. Verderop hoor ik twee mannen Russisch praten. Zal ik even een praatje met ze maken? Nochtans grijp ik elke mogelijkheid aan om mijn beheersing van het Russisch op te krikken. ‘Tsjetierje tiecietsje’ vang ik op uit hun gesprek: vierduizend. Het zal wel over geld gaan. Het tempert mijn enthousiasme om even spontaan een gesprekje met ze aan te knopen en ik besluit me bij nader inzien wat terughoudender op te stellen. De rest van het gesprek kan ik niet goed volgen. Als ik de wc uitloop, passeer ik twee in pak geklede mannen. Ik loop naar de koeling, neem er twee blikjes cola en een broodje uit en reken ze af bij de kassa.

Bij de parkeerplaats aangekomen zie ik dat er een zwarte Toyota Landcruiser met Russisch kenteken pal naast mijn auto staat. Laat ik nou net hiervoor uit zeer onbetrouwbare bron vernomen hebben dat de Toyota Landcruiser de favoriete auto is van de Russische maffia (onbetrouwbare bronnen spreken soms de waarheid!). In mijn herinnering zie ik filmpjes op Dumpert voorbijkomen van Landcruisers die andere auto’s in Rusland klemrijden en waaruit een knokploeg gewapend met honkbalknuppels stapt om de klemgereden auto helemaal aan gort te slaan. Of waar een pistool uit het raam verschijnt wanneer een achterligger de bolide niet royaal genoeg laat invoegen. Waarschijnlijk zie ik spoken en is er geen enkele reden voor verontrusting (bovenal omdat ik niet de indruk heb mezelf in de afgelopen vijf minuten tot een doelwit te hebben gemaakt), maar wie zegt me dat dit geen maffia zou kunnen zijn? Ik besluit mijn weg snel te vervolgen.

Tien minuten later en zo’n twintig kilometer verder heb ik het eerste blikje cola en mijn broodje op. In mijn buitenspiegel zie ik twee witgekleurde koplampen in hoog tempo dichterbij komen. Die auto moet minimaal 200 per uur rijden. Als hij voorbij vliegt, voel ik een korte doch hevige ruk aan mijn auto. Het is de Russische Toyota Landcruiser. De resterende uren naar huis fantaseer ik over waar ik zojuist getuige van ben geweest: “Als we hem 4000 euro geven, houdt ie zijn mond wel.” Of: “De trouwjurk van mijn vrouw kostte 4000 euro!” Of: “Als mijn auto 130 rijdt, maakt ie al 4000 toeren.” Wie zal het zeggen?

© Sjaak van Haaster – Tekstbureau de Taalformule