Bloemen voor een Française

Soms krijg ik opdrachten die anders zijn dan andere en me daardoor nog lang bijblijven. Zo verzorgde ik in juni 2016 een kleine verhuizing voor mensen die een vakantiehuis hadden gekocht in de Provence. Een deel van hun inboedel moest worden overgebracht naar Zuid-Frankrijk en ze vroegen mij of ik dat voor hen wilde doen. Daar hoefde ik niet lang over na te denken.

Op zaterdagmiddag laadde ik samen met hen mijn bestelbus tot de nok toe vol. Alles wat erin paste, moest mee. Een drie meter lang en loodzwaar tafelblad, kastjes, lampen, kleedjes, dozen, schilderijen en wat niet al meer. Thuis kon ik er voor mezelf nog net een matras bovenop schuiven en de volgende ochtend vertrok ik richting het warme zuiden.

De eerste avond sliep ik in een armetierig motel langs de snelweg ten noorden van Lyon; zo’n motel dat er goedkoop uitziet, maar dat gek genoeg niet is. Op maandagochtend legde ik de resterende driehonderd kilometer af. Het verkeer op de ring van Lyon was me gunstig gezind en rond het middaguur kwam ik aan in Vaison-la-Romaine. Zo hoort een Frans stadje in de Provence te heten.

Een Française die jarenlang in Canada had gewoond en enkele jaren geleden was teruggekeerd naar haar geboortegrond, wachtte me bij het huis op. In het ‘vakantiehuisje’ (bij een vakantiehuisje denk ik toch aan een bescheidener optrekje) was het aangenaam koel, buiten was het verzengend heet. Binnen tien minuten gutste het zweet van mijn gezicht. Samen met de Canadese, die me haar hele levensverhaal vertelde dat ik allang weer vergeten ben, laadde ik de bus uit in minder dan een uur. Toen het sjouwen erop zat, keek ik met voldoening naar de lege laadruimte. Ik ben vrij, het is schitterend weer en ik ben in Zuid-Frankrijk, dacht ik verrukt.

Vaison-la-Romaine is een stadje waar mensen voor naar de Provence komen. Er stroomt een riviertje door het centrum, waar stenen bruggetjes overheen zijn gebouwd en meteen naast het water bevindt zich een heuvel waar een burcht op staat. Terwijl ik het steile, met kinderkopjes belegde weggetje van de burcht omhoog liep, zag ik achter me de Mont Ventoux boven het omliggende landschap uittorenen. Jammer dat ik mijn racefiets niet mee had kunnen nemen.

Tegen het einde van de middag vond ik het tijd worden om een camping te zoeken. Ik reed op een doorgaande weg en sloeg lukraak rechts een zijweg in. ‘La Penne sur Ouvèze 2 kilométre’ stond er op de bewegwijzering. De weg steeg gestaag en werd langzaam ingesloten door de bergwanden. Langs de weg groeiden allerlei verschillende kleuren bloemen. Soms stak ik een beekje over via een stenen bruggetje waarvan de lage muurtjes weinig ruimte lieten voor een stuurfout. In de berm, omsloten door enkele verdorde struiken, ontwaarde ik een verroest autowrak. Het gehucht dat ik naderde, leek eerder te zijn gebouwd dan deze weg was aangelegd; de huizen stonden pal aan de weg (pal aan de weg op een mediterrane manier, dus niet zoals bij ons met een trottoir of een tuintje ertussen) en de weg slingerde er speels tussendoor. De dakgoten staken een eindje boven het asfalt uit en gevoelsmatig reed ik ze met mijn bus aan flarden. Inmiddels was de weg niet veel breder meer dan een meter of twee.

Vlak na het dorpje viel mijn oog op een houten, provisorisch in elkaar geknutseld bordje met daarop de tekst ‘Camping Les Étangs 1,5 km ↑’. Een camping! Deze godvergeten weg leidde gewoon naar een camping! Die camping wilde ik wel eens zien. Na een laatste T-splitsing maakte het asfalt plaats voor grind. Links keek ik tegen de bergwand aan, rechts naast me lag een ravijn. De scherpe stenen op de weg en de banden van mijn auto krasten en schuurden langs elkaar. Om de pak ‘m beet honderd meter lag er diagonaal over de grindweg een smal, bruin verroest gootje om smeltwater af te voeren. Het was onmogelijk om beide wielen horizontaal tegelijk in de gootjes te laten ploffen, waardoor ik bij elke metalen dwarsligger volledig in mijn bus door elkaar werd geschud. Zodra de achterwielen aan de beurt waren, was ik ook weer aan de beurt.

Zo erbarmelijk als deze weg was, zo fantastisch was het uitzicht. Op de spaarzame momenten dat ik mezelf een blik in de verte achter me gunde, keek ik de kloof uit die ik inmiddels al diep was binnengedrongen.

Na een martelgang van anderhalve kilometer maakte de weg een bocht van 180 graden naar links en kwam ik aan bij een huis. Hier woonden gewoon mensen. Ongelooflijk. Ik parkeerde mijn bus en belde aan. Een oude vrouw met een rossig bloempotkapsel tot aan haar kaaklijn opende de deur. In gebrekkig Frans gaf ik aan hier graag te willen overnachten. Dat kon. Terwijl ik langs haar naar binnen keek, zag ik een oude man half kwijlend met zijn hoofd naar rechts hangend in een rolstoel zitten. Zou die man ooit wel eens deze berg afkomen? De rit zou voor hem nog meer een martelgang zijn dan het voor mij was geweest. Een sterk gevoel van medelijden welde in me op.

Ik reed verder en vond voor mijn bus een mooi plekje onder een paar bomen en met een fraai uitzicht. Van standplaatsen was niet echt sprake. Ik schat dat er zo’n vijf plekken waren waar je je auto enigszins fatsoenlijk kon parkeren. Er was niemand, helemaal niemand: ik had de hele camping voor mij alleen.

Het was een camping zoals een camping hoort te zijn: afgelegen en doodstil, met reuzenmieren in het urinoir, een hagedisje in de gootsteen (dat wanhopig en vergeefs tegen het zink op spartelde en ik redde van een langzame, pijnlijke dood), geen wc-papier en alleen koud water (de douche had een ketting die je naar beneden moest trekken en vast moest houden tijdens het douchen). En dat helemaal voor mij alleen.

De eigenaresse slenterde met een uitdrukkingsloos gezicht voor me uit en zette de pomp van het zwembad aan. Ze voerde de daartoe benodigde handelingen uit met een gelatenheid die voor mijn gevoel een soort levensmoeheid verried. Even later lag ik in mijn zwembandje in het kleine, maar o zo heldere water te dobberen. Vanuit het zwembad had ik uitzicht op de Mont Ventoux. Ditmaal was ik blij dat ik mijn fiets niet bij me had. Anders had ik mezelf nooit toegestaan hier zorgeloos urenlang rond te dobberen in plaats van in de brandende zon op mijn racefiets tegen een berg op te klauteren.

De tijd verstreek en ik mijmerde over het leven, mijn werk, relaties, de terugreis, fietsen en nog veel meer waar een mens niets aan heeft. Slechts één gedachte bleef in mijn hoofd overeind: ooit wil ik naar deze plek terug.

Dat ‘ooit’ kwam sneller dan ik dacht.

Het was tien maanden later, april 2017. Ik werd plots overvallen door een zeker ‘ik-wil-weg-gevoel’. Vervanging voor mijn werk was snel geregeld, gezelschap voor de reis gelukkig ook: een scharrel die niet zo genoemd wilde worden, had op dat moment vakantie en wilde er ook wel even tussenuit. We gooiden mijn racefiets, een matras en de gebruikelijke rommel voor een kampeervakantie achterin mijn bus en vingen de reis aan. In enkele dagen maakten we omzwervingen via Duitsland, Noord-Italië en de Middellandse Zeekust, maar na een paar dagen kon ik de aantrekkingskracht van camping ‘Les Étangs’ niet meer weerstaan. Daar een ezel zich niet tweemaal aan dezelfde steen stoot en ik ditmaal mijn fiets wél bij me had, bedwong ik eerst de Mont Ventoux alvorens we afrezen naar La Penne sur Ouvèze.

Al rijdend op het geitenpad naar de camping glunderde ik van de voorpret, terwijl Renate, duidelijk gegrepen door het landschap, gefascineerd om zich heen keek. Mijn voorpret leek aanvankelijk onterecht te zijn. Bij het afgelegen huis aangekomen zagen we dezelfde Française als de vorige keer naar buiten komen om te zien wie er in vredesnaam eind april deze godvergeten plek kwam bezoeken. Of nou ja, die gedachte leek haar verbaasde blik prijs te geven. “Bonjour! Nous pouvons dormir d’ici?” vroeg Renate, wiens Frans vele malen beter was dan het mijne (het mijne is ronduit erbarmelijk). De roodharige vrouw begon een verhaal tegen ons af te steken waar ik slechts enkele woorden van oppikte: ‘mari’, ‘l’hȏpital’, ‘malade’, ‘novembre’, ‘camping’, ‘definitivement’ en ‘fermé’. Het was voor mij genoeg om wat losse eindjes aan elkaar te knopen: haar arme, kwijlende man, die ik vorig jaar nog levenloos in zijn rolstoel zag hangen, lag in het ziekenhuis en uit de gezichtsuitdrukking van de vrouw af te leiden was het ernstig. De camping was reeds sinds november definitief gesloten. “Dommage”, reageerde Renate, terwijl ik mijn medeleven probeerde te tonen door op de binnenkant van mijn lippen te bijten en mijn wenkbrauwen te laten zakken. Ik wist niks beters. Hoe doe je zoiets zonder woorden?

“Zouden wij hier toch kunnen slapen?” vroeg ik aan Renate, die mijn bedoeling aanvoelde en het verzoek naar de vrouw overbracht. “Ze zal geen last van ons hebben”, voegde ik eraan toe, enigszins beschaamd over mijn volharding ondanks het zojuist aangehoorde verhaal van de arme vrouw. “Maar het water en de elektriciteit zijn afgesloten”, antwoordde ze toen Renate mijn vraag naar het Frans vertaalde. “Water hebben we bij ons en elektriciteit is niet nodig”, zeiden we resoluut, ik met gebaren, Renate met woorden. “Oh, nou, in dat geval,” zei ze terwijl ze een wijds gebaar richting de camping maakte en er een bescheiden doch veelzeggende glimlach op haar gezicht verscheen, “doe jullie behoefte waar jullie willen!” “Maar,” vervolgde ze, “de camping is officieel gesloten dus als er controle komt, moeten jullie zeggen dat jullie vrienden van mij zijn.” Dat leek ons een kleine moeite, vooral ook omdat een controle op deze verlaten plek in deze tijd van het jaar niet erg waarschijnlijk leek. Van een financiële vergoeding wilde de Française niets weten. Met onbeholpen gebaren bracht ik mijn erkentelijkheid op de vrouw over. Uiteraard voor het feit dat we hier mochten slapen, een vergoeding betalen zou me een worst wezen.

De camping was zo mogelijk nog stiller dan de vorige keer en lag er troosteloos bij. Voor de ingang van het kleine toiletgebouw lag een hoge plank overdwars om toevallige passanten de toegang te beletten. In de wastafels lagen stapels hooi. God mag weten hoe die daar terecht waren gekomen. Toen ik aan de ketting van de douche trok, viel er een handvol eenzame druppels naar beneden. Op de tafel onder het afdak van het gebouwtje trof ik een volle toilettas aan. Hoelang zou die er al staan? Ik maakte hem open en zag dat ie van een Nederlander moest zijn geweest: op alle producten stond een Nederlandse tekst. Opmerkelijk genoeg bevatte de tas een Gillette-scheermes en Axe-deodorant, maar ook een tube vaginale crème.

Renate en ik deden onze behoefte beide op een andere uithoek van de camping. Bij het invallen van de duisternis leken het toiletgebouwtje met zijn ramen zonder glas en het ontbreken van welke verlichting dan ook de perfecte setting te creëren voor een horrorfilm. We zaten naast elkaar op het houten bankje waar ik tien maanden geleden ook zat, toen Renate ineens opsprong en gillend een paar passen naar voren rende. Ik schrok meer van haar onverwachte actie dan van de zachte vacht die vlak erna langs mijn been gleed. Het was de pikzwarte kat van de eigenaresse die in het donker amper te onderscheiden was van de omgeving. Het beest bleef een tijdje miauwend en knorrend om ons heen dralen om vervolgens aan de rand van de afgrond op de uitkijk te gaan staan.

Voordat we gingen slapen zei ik tegen Renate: “Laten we morgen een bosje bloemen voor haar kopen. Dat betekent dat we deze kloteweg nog een keer extra op en neer moeten rijden. Dan laten we meteen zien dat we moeite hebben gedaan.” “Goed idee,” antwoordde Renate, “maar we kunnen beneden in het dal ook bloemen voor haar plukken.” Alleen vrouwen komen met dat soort ideeën, dacht ik opgewekt. Het leek me een mooi gebaar en ik stemde in.

Toen we de volgende ochtend de camping afreden, zagen we tot onze spijt dat onze gastvrouw zich gereedmaakte voor vertrek. Ze ging haar man bezoeken in het ziekenhuis. Rond twee uur vanmiddag zou ze weer terug zijn. Jammer, dacht ik, nu kunnen we de bloemen niet persoonlijk aan haar overhandigen. We bedankten de vrouw hartelijk voor haar gastvrijheid en wensten haar sterkte met haar man. Nog voor de oude Française bij haar auto was aangekomen, reden we de camping af en begonnen aan het gestuiter naar beneden. Waar het gruis overging in asfalt, was de berm bezaaid met allerlei verschillende bloemen met de prachtigste kleuren. Ik parkeerde de auto in de berm en Renate en ik begonnen aan weerszijden van de weg bloemen te plukken. Voor zover ik weet was het de eerste keer in mijn leven. Terwijl we geconcentreerd bezig waren, hoorden we een auto aankomen. In het voorbijgaan stak de campingbazin haar hand naar ons op. We groetten terug.

Al snel was de bos te groot om met één hand vast te houden. Renate nam de bloemen van mij over, schikte ze, herschikte ze en trok de bos open wanneer ik weer met een nieuwe kleur bloemen aan kwam lopen, zodat ik ze ertussen kon steken. Toen het fleurige geheel bijna niet meer met twee handen bijeen te houden was, besloten we dat het goed was zo. Het eindresultaat mocht er zijn. We schreven een lief briefje, dat we van een blocnote hebben afgescheurd, stopten dat tussen de bloemen en begonnen aan de weg terug naar boven.

Om twee uur die middag kwam de Française terug van het ziekenhuis. Nadat ze haar auto onder het huis had geparkeerd, liep ze naar de voordeur en trof daar op een stoel een enorme bos bloemen aan die bijeen werd gehouden door een haarelastiekje. Tussen de ruikers was een briefje gestoken. Van haar Nederlandse gasten. Ze bedankten haar voor de gastvrijheid en wensten haar sterkte met haar man en wensten haar veel geluk toe in haar verdere leven. Ze keek even op van het briefje, voelde haar ogen licht branden en glimlachte.   

Ik hoop dat het zo gegaan is. Helaas was ik er niet bij.

© Sjaak van Haaster

20170430_125439

Hachelijk

Als je veel op de weg zit, maak je wel eens hachelijke situaties mee. Je ziet iemand over het hoofd, anderen zien jou over het hoofd. Dat gaat 99 van de 100 keer goed. Meestal heeft de een genoeg tijd om zijn fout te corrigeren of de ander de mogelijkheid om te anticiperen op de fout van de een. Dit alles vaak gevolgd door het maken van verontwaardigde gebaren naar elkaar, gepaard gaand met de naïeve gedachte ‘hoe kan diegene mij nou niet opgemerkt hebben’ of ‘zoiets zou ik nooit doen’. Dat de laatste gedachte niet zo naïef is als ie lijkt, ondervond ik enige tijd geleden aan den lijve laat in de avond op een Poolse snelweg. Daar deed iemand namelijk zo iets onbegrijpelijks, dat ik zeker weet dat ik dat nooit zou doen (en het ook nooit zal begrijpen trouwens).

Ik ben zojuist de Duits-Poolse grens gepasseerd. Het is donker op de kaarsrechte tolweg, waarvan de witte strepen met kleine, gele lampjes zijn verlicht die een klein stukje boven het asfalt uitsteken. Bij het wisselen van rijstrook veroorzaken ze in contact met mijn banden een doffe tik. De cruise control staat ingesteld op 140 (Polen is het enige land in Europa dat op snelwegen een snelheidsbeperking van 140 km per uur kent) en mijn eindbestemming, een dorpje in de buurt van Poznan, komt snel dichterbij.

Wat ineens ook snel dichtbij komt, zijn vier rode achterlichten. Een paar honderd meter verderop staan twee auto’s naast elkaar stil (stil!). De een staat op de vluchtstrook, de ander op de rechter rijstrook. Wat bezielt die mensen om stil te gaan staan op een weg waar het verkeer met 140 kilometer per uur achterop komt?? Ik laat het gas los, stuur mijn auto naar de linker rijstrook en begin te remmen.

Als ik tot op een meter of driehonderd genaderd ben, begint de linker auto langzaam op te trekken en gaat deze tot mijn schrik meteen naar de linker rijstrook. Naar de linker rijstrook, met een snelheid van dertig kilometer per uur…

Terwijl ik mijn rempedaal naar de bodem duw en, bij elke tien meter dat ik mijn voorligger dichter nader, er meer van overtuigd raak dat ik een botsing niet ga voorkomen, zie ik in mijn spiegels twee auto’s van achteren naderen. O, mijn god, die gaan het ook niet redden en vol bij mij achterop klappen, denk ik terwijl ik met verkrampte handen mijn stuur fijnknijp. Ik wil naar rechts gaan, maar dat is geen optie; zij weten niet dat er voor mij een auto bijna stilstaat en zo sluit ik hun vluchtroute af. Ik kijk weer naar voren en zie dat ik nog een meter of vijftig heb. Vijftig, veertig…twintig…tien…vijf…drie…een…

Ik wijk iets uit richting de vangrail en dat diagonale stukje geeft me net de meter extra die ik nodig heb. Mijn auto rijdt nog met een snelheid van 40 kilometer per uur, mijn hart klopt met 180 slagen per minuut. Op het laatste moment schieten mijn achterliggers mij rechts voorbij. Een steekt zijn middelvinger naar me op.

De bestuurster voor me besluit dat ze nu wel weer naar rechts kan gaan. Bij het passeren kijk ik naar haar en maak een verontwaardigd gebaar. Ze kijkt me aan alsof ze geen idee heeft welke hachelijke situatie ze zojuist veroorzaakt heeft. Na haar ingehaald te hebben ga ik weer naar rechts, stel mijn cruise control in op negentig en tuf de laatste honderd kilometer naar Poznan achter een vrachtwagen aan. De rest van de rit breek ik mijn gedachten op niet te achterhalen beweegredenen van een voor mij onbekende bestuurster.

© Sjaak van Haaster

Pilsje

Het was al aardig donker op de Veluwe toen ik rond een uur of tien met mijn auto op enkele rood-witgestreepte borden stuitte. De weg was afgezet wegens werkzaamheden. Ik besloot rechtsaf te slaan en mezelf zigzaggend een weg te banen door nachtelijk Renkum, ten einde in Wageningen aan te komen. Toen ik bijna de kom verliet, stond er een auto midden op de weg stil. Ik seinde even kort met mijn lampen, maar had daar meteen spijt van toen ik het oude, gedesoriënteerde mannetje ontwaarde dat zich in de betreffende auto bevond. Waarom ben ik soms toch zo ongeduldig, beet ik mezelf toe.

Op het moment dat ik hem passeerde, stapte hij uit en wuifde naar me als iemand die hulp nodig heeft: het was hetzelfde gebaar als wanneer je vroeger in de klas van de leraar toestemming vroeg  om iets te zeggen. De oude man keek er ook bij alsof ‘ie toestemming vroeg. Ik stopte en liet het raam aan de bijrijderskant zakken. “Ik moet naar Rhenen,” zei hij, “weet jij hoe ik daar kom? Ik ben net op bezoek geweest bij mijn broer die doodziek is. Hij woont hier.” “O, wat naar dat uw broer ziek is,” reageerde ik. Hoewel de opmerking over zijn zieke broer weinig relevant was in deze situatie, voelde ik de eenzaamheid en ontreddering die erin doorklonk. “Ik ben niet bekend hier,” vervolgde ik, ”maar ik ga het ongetwijfeld wel vinden.” In mijn zijspiegel zag ik twee koplampen naderen. “Maar ik blokkeer de weg hier. Ik zet mijn auto even voor de uwe.” “Heel fijn, dankjewel!” zei de man alsof ik hem nu al een gunst had verleend. Ik parkeerde mijn auto, zette de alarmlichten aan, stapte uit en liep naar hem toe. Ik opende mijn telefoon, zag al snel op Google Maps dat er een eenvoudige alternatieve route was en vertelde hem dat ik wist hoe we in Wageningen konden komen. Van daaruit was de route naar Rhenen eenvoudig. “O, dan rijd ik wel achter je aan. Dan drinken we daarna samen een pilsje!” “Dat vind ik een fantastisch idee, maar ik heb al een afspraak”, zei ik terwijl ik baalde van mezelf. Wat een leuke man, dacht ik. Ik zou graag even een pilsje met hem drinken.

Terwijl ik mijn weg vervolgde, keek ik regelmatig in mijn spiegel of hij nog achter me reed. Hoewel ik langzaam optrok en overdreven inhield voor elke kruising en verkeersdrempel, had hij zichtbaar moeite om me bij te houden.

Eenmaal in Wageningen aangekomen, stond ik voor een verkeerslicht dat snel weer op groen sprong. Net op het moment dat ik op wilde trekken, zag ik dat de man was uitgestapt en me gebaarde om te stoppen. Weer liet ik het raam zakken, ditmaal aan de bestuurderskant. “Jij bent de beste piloot die ik ken!” zei hij enthousiast, terwijl hij vriendschappelijk met z’n vuist tegen m’n schouder bokste. Ik lachte. Met zijn andere hand pakte hij mijn onderarm vast, die in de raamopening lag. “Dankjewel, man! En volgende keer drinken we samen dat pilsje!” “Dat spreken we af”, antwoordde ik, terwijl ik mijn hand naar hem uitreikte om de zijne te schudden. “En sterkte met uw broer.” Zijn dankbaarheid ontroerde me.

Ik sloeg rechtsaf, hij reed rechtdoor. Zodra we uit elkaars zicht waren, had ik er meteen spijt van dat ik hem mijn telefoonnummer niet had gegeven om het gezamenlijke pilsje, waar het natuurlijk nooit meer van ging komen, kracht bij te zetten. Misschien heeft ‘ie mijn telefoonnummer van mijn auto afgelezen, dacht ik naïef, terwijl ik ook wel wist dat ik hem nooit meer terug zou zien.

Soms moet je gewoon een pilsje gaan drinken met een oude, lieve man die net bij zijn zieke broer op bezoek is geweest. Ik liet het na.

© Sjaak van Haaster

Aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid

Examens worden altijd door twee correctoren nagekeken. In het zeldzame geval dat deze er samen niet uitkomen, worden de betreffende examens per koerier opgestuurd naar een speciale commissie. Zij nemen de zogenaamde derde correctie op zich. Die koerier was ik.

Zo kwam het dat ik op een zaterdagochtend met een grote envelop gevuld met een flinke stapel examens op weg was naar een gereformeerde middelbare school in het midden des lands om dit over te dragen aan de commissie, die op dat moment daar zijn intrek had genomen.

De deur van de school was open en ik liep naar binnen. In de hal stond een handjevol mensen aan een statafel een beetje te kletsen. Een kleine, net geklede man merkte mij op en zei: “Ah! Daar zal je de koerier met de examens hebben!” Hij liep me tegemoet en groette me hartelijk. Ik schudde zijn hand en zei hem dat ik instructies had gekregen de envelop uit te reiken aan mevrouw Bijleveld. “Nou, dan moet zij het maar in ontvangst nemen”, zei hij. “Ans! Kom je even? Jij mag voor de examens tekenen.” De vrouw stelde zich aan me voor als mw. Bijleveld. Ik liet haar de vrachtbrief ondertekenen en gaf haar een kopie. Ze zei: “Moet ik mij niet legitimeren?” “Nou, dat lijkt me in dit geval niet nodig”, antwoordde ik, waarop de man haar bijviel en zei: ”Ja, het gaat wel om examens hè?” Ik keek enigszins verbaasd van de een naar de ander en probeerde in hun gezicht een spoor van sarcasme te ontdekken. Meenden ze dit nou of was het docentenhumor? Nee, ze leken serieus.

“Beste mevrouw,” begon ik, “ik kom hier binnenlopen en ik word zonder mij bekend te maken herkend als ‘de koerier die de examens komt brengen’. Toen ik uw naam liet vallen bij deze man,” zei ik terwijl ik in de richting van de mannelijke docent knikte en hem even aankeek, ”wist hij meteen dat ik u bedoelde en u bent niet verbaasd dat u aangezien wordt voor mevrouw Bijleveld. Dus tenzij u samen een vooraf ingestudeerd en zeer geloofwaardig toneelstukje aan het opvoeren bent, lijkt me de kans dat u níét diegene bent die hier op mijn papier vermeld staat net zo groot als dat ik hier de school in kom lopen om een terroristische aanslag te plegen.” Verbaasd keken ze me aan. “En ik ben hier bij de ingang ook niet gecontroleerd”, voegde ik eraan toe. Ze begonnen te lachen. “Haha! Zo hadden we het nog niet bekeken. Je hebt ook wel gelijk. Wil je koffie?”

© Sjaak van Haaster – Tekstbureau de Taalformule

Vierduizend

Het suizen van mijn banden over het korrelige asfalt en de witte strepen op de weg die door mijn auto werden opgeslokt, brachten me in een soort trance. Mijn bestaan, dat zich op dat moment had verengt tot het zitten in een kleine cabine die zich met hoge snelheid over de weg begaf, was overzichtelijk en vertrouwd. Mijn wereld beperkte zich tot datgene dat in het schijnsel van mijn koplampen zichtbaar was: asfalt, witte strepen, de vangrail, reflectoren van vrachtwagens en zo nog wat meer. Op lange ritten verdwijnt mijn tijdsbesef en mag het ogenschijnlijk doodsaaie autorijden op een lege snelweg met de cruise control op 130 eeuwig voortduren. Het gevoel is mij zeer vertrouwd en het werkt verslavend. Soms heb ik muziek op staan, maar dat hoeft eigenlijk niet eens.  Enkel de opwelling van zeer primaire behoeften als de aandrang om te plassen, dorst en honger halen mij uit deze aangename trance en brengen me ertoe de afslag te pakken naar een rustplaats of tankstation. 

Ditmaal werd ik ingeseind door alle drie. Zo kwam het dat ik op de Duitse A44 om 11 uur ’s avonds ter hoogte van Paderborn de afrit nam naar een Aral-tankstation. Terwijl mijn auto vaart minderde, zag ik de lichtblauwe neonlichten gestaag dichterbij komen.

Tankstations zijn ’s avonds laat en ’s nachts een verzamelplaats voor een rare mengelmoes van individuen. Je treft er mensen van allerlei pluimage aan en een voertaal ontbreekt. Het is een mix van zakenmensen, Oost-Europese vrachtwagenchauffeurs, vakantiegangers en eenzame zielen met onduidelijke bedoelingen. Toch is niemand daar zomaar.

Terwijl ik met mijn plas het vliegje in het waterbesparende urinoir probeerde te raken, stonden twee Poolse vrachtwagenchauffeurs om de hoek van een betegeld muurtje luidruchtig hun gezicht te wassen en hun tanden te poetsen. Verderop hoorde ik twee mannen Russisch praten. Zal ik even een praatje met ze maken, dacht ik nog. Nochtans grijp ik elke mogelijkheid aan om mijn beheersing van het Russisch op te krikken. ‘Tsjetierje tiecietsje’ ving ik op uit hun gesprek: vierduizend. Het ging vast over geld. Het temperde mijn enthousiasme om even spontaan een gesprekje met ze aan te knopen en ik besloot me bij nader inzien wat terughoudender op te stellen. De rest van het gesprek kon ik niet goed volgen. Toen ik de wc uitliep, passeerde ik twee in pak geklede mannen. Ik liep naar de koeling, nam er twee blikjes cola uit en rekende af bij de kassa.

Bij de parkeerplaats aangekomen zag ik dat er een zwarte Toyota Landcruiser met Russisch kenteken pal naast mijn auto stond. Laat het nou net zo zijn dat ik vlak hiervoor uit zeer onbetrouwbare bron vernomen had dat de Toyota Landcruiser de favoriete auto is van de Russische maffia (onbetrouwbare bronnen spreken soms de waarheid over betrouwbare auto’s). In mijn herinnering zag ik filmpjes op Dumpert voorbijkomen van Landcruisers die in Rusland andere auto’s klemreden en waaruit een met honkbalknuppels uitgeruste knokploeg stapte om de klemgereden auto helemaal aan gort te slaan. Of waaruit een pistool uit het raam verscheen wanneer een achterligger de bolide niet royaal genoeg liet invoegen. Waarschijnlijk zag ik spoken en was er geen enkele reden tot verontrusting, bovenal omdat ik niet de indruk had mezelf in de afgelopen vijf minuten tot doelwit te hebben gemaakt, maar wie kon me zeggen dat dit geen maffia was? Ik besloot mijn weg snel te vervolgen.

Tien minuten later en zo’n twintig kilometer verder had ik het eerste blikje aangebroken en met korte tussenpozen nam ik er wat slokken uit. Ondertussen fantaseerde ik over waar ik zojuist getuige van was geweest: “De trouwjurk van mijn vrouw kostte 4000 euro.” Of: “Als mijn auto 130 rijdt, maakt ie 4000 toeren.” Of: “Als we hem 4000 euro geven, houdt ‘ie zijn mond wel.” Wie zal het zeggen?

In mijn buitenspiegel zag ik twee witgekleurde koplampen in hoog tempo dichterbij komen. Die auto moest minimaal 220 kilometer per uur rijden. Toen hij voorbij vloog, voelde ik een korte doch hevige ruk aan mijn auto. Het was de Russische Toyota Landcruiser. 

© Sjaak van Haaster

Op vier uur rijden van mijn huis

Iedere keer dat ik voor mijn werk de voormalige grens tussen West- en Oost-Duitsland passeerde, verbaasde ik mij er weer over dat ik dat zomaar kon doen. Geen rijen auto’s, geen uren wachttijd, geen spiegels onder mijn auto, geen laadruimte die ik open moest maken, zelfs geen paspoortcontrole. Sterker nog, al rijdend op de A38 die zich op schitterende wijze een weg baande door Midden-Duitsland, was er vrijwel niets dat nog herinnerde aan de scheidslijn tussen beide landen. Enkel een bord waarop de aanwezigheid van het ‘Grenzlandmuseum’ vermeld stond en een tunnel genaamd ‘Tunnel der Deutschen Einheit’ maakten duidelijk dat ik de voormalige grens passeerde. Maar waar die grens precies gelegen had, was al rijdend met een snelheid van 130 kilometer per uur niet waar te nemen. Zeker niet ’s nachts…

Oost-Duitsland. Wat moet dat een vreselijk land zijn geweest om in te leven. Wie de film ‘Das Leben der Anderen’ gezien heeft, weet wat ik bedoel. Het land werd geterroriseerd door de Stasi. Je kon je eigen buren niet vertrouwen. Daarentegen was het enige wat ‘wij’ van het land te zien kregen voetbalwedstrijden in de UEFA-cup van Dynamo Dresden en Lokomotiv Leipzig. Of gedrogeerde atletes zonder borsten op de Olympische Spelen. Dat de DDR met een relatief bescheiden inwoneraantal op de Olympische Spelen van 1976 en 1988 als tweede eindigde in de medaillespiegel achter ‘broederland’ de Sovjet-Unie maar vóór de Verenigde Staten, versterkt (zo niet: bevestigt) de indruk dat er sprake was van een grootschalig dopingprogramma. Het huidige Rusland is er niks bij.  Een façade was het, die DDR. Een kunstmatig land waarin niets was wat het leek.

En toch; veel Oost-Duitsers identificeerden zich met hun land. Na de Duitse eenwording in 1990 raakte hun identiteit ondergesneeuwd door die van het grotere en rijkere West-Duitsland. De planeconomie werd vervangen door een vrije markt. Helmut Kohl stelde de Oost-Duitsers ‘blühende Landschaften’ in het verschiet. Dat was naïef. De verschillen zijn er nog altijd. Het oosten van Duitsland is armer en er heerst meer werkloosheid dan in het westen. Het is nog steeds niet wat het lijkt. Een van de weinige vlakken waarop Oost-Duitsland het beter doet, is op het gebied van de kinderopvang; onder het communisme werkte iedereen, dus ook vrouwen. Kinderopvang was in de DDR allang een veelvoorkomend fenomeen, terwijl in het westen de katholieke moraal nog alomtegenwoordig was en veel vrouwen thuis zaten. Karl Marx zei het al: geloof is opium voor het volk.

Eigenlijk ben ik veel te jong om me te verbazen over het feit dat ik zomaar Oost-Duitsland in kan rijden. De Berlijnse Muur viel toen ik vijf was. Een jaar later was de Duitse Hereniging een feit. Ik ben nooit in Oost-Duitsland geweest. Er zijn nooit douaniers geweest die met spiegels onder mijn auto keken. Sterker nog, ik kan me zelfs niet herinneren dat we ooit gecontroleerd werden als ik met mijn ouders vanuit Nederland Duitsland inreed.

Maar toch, het was nog tijdens mijn leven dat er op vier uur rijden van mijn huis een land bestond dat niet toegankelijk was. Een andere wereld, een gesloten wereld. Het is nog geen dertig jaar geleden en we weten allemaal: dertig jaar is zo voorbij.

En zo reed ik al mijmerend Tsjechië in, zonder controle uiteraard.

© Sjaak van Haaster