‘Ontmoetingen’ in het Russische (3)

In mijn stamkroeg hangt met enige regelmaat een figuur rond dat zich aan menigeen opdringt om zijn levensverhaal over hen uit te storten. Het is zo iemand die alleen over zichzelf praat, slecht luistert en niks vraagt. Mensen ‘ontmoeten’ noemt hij dat zonder enige ironie.

Nu heb ik de betekenis van het woord ‘ontmoeten’ opgezocht. Een greep uit de definities: iemand tegenkomen en persoonlijk contact hebbenbij elkaar komen en elkaar zienmet iemand kennismaken en een gesprek voeren, (toevallig) tegenkomen etc. Als ik het zo lees, klinkt het vooral heel gezellig en is er geen sprake van dwang van welke aard dan ook, maar wel van toeval. Taaltechnisch gezien lijkt de ‘kroegontmoeter’ een beetje gelijk te hebben en mag hij het ontmoeten noemen: er is sprake van persoonlijk contact, kennismaken, een gesprek voeren etc. Mijns inziens verwart hij het echter met ‘je aan iemand opdringen’. Een inbreker ‘ontmoet’ jou toch ook niet in je eigen huis? Of jij hem? Die betrap je. Of je treft hem aan.

Vanwaar dit relaas, zul je je wellicht afvragen. Wel, dit is het derde stuk in de reeks ‘Ontmoetingen in het Russische’ en de ‘ontmoeting’ waar je weldra over gaat lezen, is verre van vrijwillig en in mijn ogen dus geen echte ontmoeting. Ik had echter geen zin om de naam van deze verhalenreeks aan te passen, al was dat bij nader inzien minder werk geweest dan mijn gedachtenspinsels hierover verduidelijken. Goed, het gaat dus over een ontmoeting die geen ontmoeting is.

Het is druk bij de gate en alle stoelen zijn dan ook bezet. Ik ben voor mijn doen ongewoon vroeg. Mijn vlucht gaat pas over anderhalf uur. De aansluiting in de metro was perfect, ik haalde de vroege trein naar het vliegveld, ik was in vijf minuten door de douane heen en de paspoortcontrole nam ook maar vijf minuten in beslag.

De stoelen die vrij lijken te zijn worden door ernaast zittende reizigers angstvallig bezet gehouden voor bekenden door er een voorwerp op te laten liggen. Ik weiger preventief die boodschap te begrijpen. Enkele malen vraag ik uitdrukkelijk of de betreffende stoel, waarop een tas, een koffer, een speelgoedtreintje of een pakje kauwgom (ik verzin het niet) ligt, vrij is. Een nee-schuddend hoofd is steevast het antwoord. In dit soort situaties ben ik gewoonweg niet brutaal genoeg. Ik zou natuurlijk gewoon die rommel eraf moeten gooien en neer moeten ploffen. Universele ongeschreven regels voor stoelen op vliegvelden bestaan niet.

Na een minuut of wat rondgeslenterd te hebben, zie ik iemand opstaan uit zijn stoel. Ik bedenk me geen moment en plof meteen neer. De eerste paar seconden wacht ik quasi-stoïcijns doch gedwee op een reactie van links of rechts, die gelukkig uitblijft. De zestiger rechts van me staat na een tijdje op en loopt weg. De tengere veertiger, die weer rechts van hem zit (twee stoelen naar rechts dus vanuit mijn positie bezien), heeft de opdracht gekregen of zichzelf hiermee belast (na de hieronder beschreven geschiedenis verdenk ik hem van het laatste) om de vrijgekomen stoel met hand en tand te verdedigen, althans, dat is wat hij gaat doen.

Maar het is druk, heel druk. Met andere woorden, om de pak ‘m beet dertig seconden probeert iemand de vrijgekomen stoel te bezetten. Steevast worden hun pogingen daartoe door mijn bijna-buurman beantwoord met een gestrekte arm over de zitting of een hand op hun achterwerk indien nodig. Als ze geschrokken en verontwaardigd omkijken, maakt hij een vegend gebaar met zijn hand, waarvan de rug naar buiten gekeerd is: ‘Oprotten, deze stoel is bezet’ is de onuitgesproken maar heldere boodschap. Terwijl ik intussen aan het bellen geslagen ben ‒ je moet iets doen om de tijd te doden en er is niet voor niets wifi op het vliegveld ‒ en het tafereel met verborgen interesse gadesla, vraag ik me af hoelang mijn Russische buurman deze strijd vol gaat houden.

Op het moment dat ik me dat afvraag ploft een beer van een kerel, die net tussen de leuningen van de stoel past, neer. Aanvankelijk lijkt de Rus het te hebben opgegeven en zijn meerdere te hebben erkend in de kolos die ons nu van elkaar scheidt. Niets is echter minder waar. Hij begint de beer aan te tikken en te manen om weg te gaan. De gezette kerel kijkt hem aan, haalt zijn schouders op en blijft zitten. Het aantikken verandert in duwen waardoor er een subtiel handgemeen ontstaat. “Volgens mij gaan ze zo vechten hier”, deel ik mee aan de vriendin die zich aan de andere kant van de lijn in een warm, knus huis in Nederland bevindt. Van weerskanten worden er nu duwen en afwerende gebaren uitgedeeld, terwijl ik er nog altijd pal naast zit.  De situatie komt me nogal absurdistisch voor en hoewel ik er het vermakelijke wel van inzie, word ik er ook wat gespannen van.

Na een minuut of vijf praten, ruziën, duwen en trekken geeft de beer het toch op. Hij staat op en loopt hoofdschuddend weg. De veertiger die vliegveldstoelen blijkbaar tot zijn persoonlijke domein rekent, schuift een plaats op en gaat zitten in de stoel die hij zojuist met succes verdedigd heeft. Met andere woorden, hij gaat naast mij zitten.

Terwijl ik nog aan het telefoneren ben, word ik herhaaldelijk tegen mijn bovenarm aan getikt. Als ik naar rechts kijk, word ik door de (bezopen?) Rus aangestaard. “One moment, one moment”, zegt hij met een sterk Oost-Europees accent. Ik maak een afwerend gebaar, zeg iets tegen hem in het Nederlands ‒ ik wil hem vooral niet de indruk geven dat we in dezelfde taal kunnen communiceren ‒ in de trant van ‘rot op’ of ‘laat me met rust’ of ‘je ziet toch dat ik aan het bellen ben’ en probeer zo onverstoord mogelijk mijn telefoongesprek voort te zetten. Zijn pogingen om mijn aandacht te trekken worden dwingender: hij probeert het boek, dat ik opengeslagen op mijn schoot heb liggen, dicht te slaan en de hand waar mijn telefoon in rust bij mijn oor weg te trekken. Ik duw zijn handen weg, scheld hem uit en beschrijf de onwerkelijke situatie ondertussen via een draadloze verbinding aan iemand 2500 kilometer verderop. Het wordt nog gekker.

De gek toont me zijn rechterhand waarop zich in het midden een klein, rond, rood plekje bevindt. Vervolgens pakt hij een aansteker, laat een vlam eruit ontspringen en houdt zijn hand pal boven de vlam, mij tegelijkertijd intimiderend aankijkend (en met er pal boven bedoel ik een centimeter). Dan reikt hij mij de aansteker aan: “You take, you take!”

Wat is dit? Een wedstrijdje wie het stoerst is? Intussen ben ik nog steeds aan het bellen en probeer ik zo ontspannen mogelijk te acteren. De situatie voelt al behoorlijk onaangenaam, maar ik wil me ook niet zomaar gewonnen geven. Maar ja, hoelang ben je bereid een situatie te ondergaan waaruit geen winst te halen valt? Ik vijf minuten, weet ik nu. Ik ben de gestoorde Rus zat, kijk op mijn horloge alsof het tijd is me naar elders te verplaatsen en alsof ik me helemáál niet weg laat jagen wat natuurlijk wel het geval is, sta op en loop weg. Toevallig begint op dat moment ook het boarden voor mijn vlucht naar Düsseldorf.

Je zal zien dat die lul bij mij in het vliegtuig zit, dat ie náást me in het vliegtuig zit! Terwijl ik aansluit in de rij blijf ik hem met een schuin oog in de gaten houden. Verdomme, hij staat op. Het zal toch niet… Maar gelukkig, hij loopt een bar in en al snel verlies ik hem uit het oog. Het is mijn laatste ‘ontmoeting’ met een Rus tijdens deze vakantie.

Misschien hanteren ze in Rusland dezelfde definitie van ontmoeten als die opdringerige kerel in mijn stamkroeg en is wat onschuldig doch ongevraagd vermaak bieden met je aansteker aan een vreemde op het vliegveld een goede gewoonte. Het voordeel is: van een gek kun je weglopen. Het levensverhaal van een ‘ontmoeter’ daarentegen is in vijf minuten niet verteld.

© Sjaak van Haaster – Tekstbureau de Taalformule

 

Ontmoetingen in het Russische (2)

Op televisie worden de EK afstanden in Kolomna uitgezonden. Een week geleden stond ik geheel onbedoeld naast de betreffende schaatsbaan.

’s Ochtends was ik per trein de drukte van Moskou ontvlucht. Op het station vergaapte ik me aan de onwaarschijnlijke bestemmingen van de langeafstandstreinen: Vorkoeta, Severodvinsk, Vladivostok. Binnen een uur zouden ze allemaal vertrekken voor een eenzame reis naar een stad gelegen achter de vrijwel onbewoonde Russische taiga. Ik zou nu gewoon naar de kassa kunnen lopen, een kaartje kunnen kopen en in de trein kunnen springen. Dat zou nog eens een avontuur zijn! Maar zo veel tijd had ik natuurlijk niet. Kolomna leek me een reëlere optie: een van de oudste steden van Rusland en slechts gelegen op 120 kilometer ten zuidoosten van Moskou, oftewel zo’n twee uur treinen.

Ik slenter wat door het Kremlin van Kolomna. Wat een stilte hier, heerlijk. Wel fijn dat dit Kremlin wat toegankelijker is dan dat in Moskou. De poorten tussen de afgebrokkelde muren staan gewoon open maar binnen de muren is vrijwel niemand te bekennen. Voorbij een kapel voorzien van de karakteristieke, orthodoxe koepels kijk ik over een muurtje heen dat reikt tot mijn schouder. Op een afstand van zo’n tweehonderd meter ontwaar ik een lelijk, futuristisch gebouw met daarop de aankondiging: Europese Kampioenschappen van 5 tot en met 7 januari. Kolomna, Kolomna… Verrek, dat is hier dus. Als ik het woord enkele malen in mijn hoofd herhaal, hoor ik het Herbert Dijkstra zo zeggen. Vanochtend op het station ging er bij mij echter nog geen belletje rinkelen.

Het contrast tussen het stadion en het Kremlin is groot. Te groot. Ik keer de schaatstempel de rug toe en vervolg mijn weg richting het klooster. Bij de ingang staat een Aziatisch uitziende bedelaar. Hij heeft een gedrongen doch breed postuur en een ongeschoren gezicht. De verschillen in lengte van zijn gezichtsbeharing laten zien dat het in ieder geval zijn bedoeling is om een snor en een klein sikje te laten staan. (Centraal-)Aziaten zie je veel in Rusland. Ze komen veelal uit de voormalige Sovjetrepublieken Tadzjikistan, Kirgizië en Oezbekistan.

In de trein las ik Het einde van de rode mens, een boek met opgetekende verhalen van mensen die de omwenteling van de communistische Sovjet-Unie naar het ‘vrije Rusland’ hebben meegemaakt. Eén hoofdstuk gaat over het lot van de Tadzjieken in Moskou. Hun verhalen zijn deerniswekkend. In recente jaren besloten veel van hen naar de Russische hoofdstad te trekken in de hoop daar werk te vinden. Tadzjieken zijn extreem gastvrij; een vreemde die voorbijkomt, wordt bijna letterlijk naar binnen gesleept en voorzien van thee en allerlei lokale lekkernijen. In de Sovjet-Unie hadden Russen en Tadzjieken dezelfde hoofdstad: Moskou. Daar zouden de welwillende Aziaten toch wel welkom zijn?

Niets is minder waar. Ze leven als illegalen zonder verblijfspapieren opeengepakt in de kelders van Moskouse herenhuizen. Ze werken onder erbarmelijke omstandigheden in sectoren als de bouw en de schoonmaak, zonder enige wettelijke bescherming. ‘O, je wilt betaald hebben voor je werk? Oprotten, vuile Aziaat, voordat ik je aangeef bij de politie!’ Tien keer per dag vraagt diezelfde politie om hun verblijfspapieren. Als ze die niet kunnen tonen, worden ze meegenomen naar een verderop geparkeerd busje. Om smeergeld te betalen. Of afgeranseld te worden als ze tot het eerste niet in staat zijn. Enkele jaren geleden was ik getuige van zo’n controle. Voor de ingang van een supermarkt (de politie weet wel waar ze moeten gaan staan) werd iedereen met een Aziatisch uiterlijk staande gehouden. Sommigen werden weggevoerd naar een politiebusje. Door de etnische Russen worden ze geminacht: hoe kun je je dochter nog veilig over straat laten gaan, wetende dat al die duivelse Tadzjieken en Oezbeken het op ze gemunt hebben?

De bedelaar knikt me vriendelijk toe wanneer ik het klooster binnen ga. ‘Ik geef altijd aan bedelaars’, riep ik tot enkele jaren terug vol overtuiging, totdat ik las dat er in Europa een hele maffia achter schuilgaat. Zij bepalen wat de beste plekken zijn om te bedelen en welke plek voor wie bestemd is. De bedelaars dragen het gros van hun opbrengst aan hen af. Hoe schrijnender ogenschijnlijk de situatie van een bedelaar is, hoe groter de kans dat het geënsceneerd is. Een Roma-vrouw met een slapend kind in haar armen voor de ingang van de Sacre Coeur? Trap er niet in: je steunt de maffia.

Op een terras in Roemenië kwam eens een ketting van Roma-kinderen rond mijn tafel staan. Ze hielden elkaars hand vast en keken zo zielig mogelijk. Ik gaf ze niks. Hoewel ik wíst dat het geen zuivere koffie was, voelde ik me toch een botte lul. En laat dat nou precies het gevoel zijn waar op ingespeeld wordt. Gruwelijk om in deze wereld opgezadeld te zijn met een geweten.

Als ik de poort weer uitloop, spreekt de bedelaar me aan. De bedelmaffia is vast nog niet doorgedrongen tot verlaten kloosters in Russische provinciesteden. Ik geef hem een briefje van honderd roebel. Hij pakt mijn hand en wenst me een heel goed nieuwjaar. Ook weet hij zeker dat mij spoedig veel goede dingen zullen overkomen. Misschien zegt ie het tegen iedereen die ‘m geld geeft, maar zijn lieve woorden raken me.

Terwijl ik wegloop, veranderen de goudkleurige, ronde koepels voor m’n waterige ogen in kronkelige objecten. Ik huil, omdat de goede dingen reeds begonnen zijn.

© Sjaak van Haaster – Tekstbureau de Taalformule

Ontmoetingen in het Russische (1)

Om de paar maanden borrelt de onweerstaanbare behoefte in me op om het gezapige Nederland te verlaten. Kortstondig, dat wel. Een week is vaak genoeg om mezelf los te weken van de voorspelbaarheid, de structuur, de plichtmatige gesprekken over werk en de alles verstikkende kringverjaardagen. Ik wil zien dat er ook nog iets anders is. Verbaasd worden door mensen die andere dingen aan hun hoofd hebben. Die onverwachte uitspraken doen. Die andere prioriteiten hebben.

Gelukkig hoef ik daarvoor niet naar India of Colombia. Mijn voorliefde voor Oost-Europa, die ik nauwelijks kan verbergen (wellicht bij het vervelende af, mijn excuses daarvoor), behoedt me voor een financiële strop. Een uur of tien in de auto of drie uur vliegen volstaat voor het bevredigen van mijn behoefte naar onvoorspelbaarheid, verbijstering of hoe je het ook wilt noemen.

Vanaf het vliegveld in Moskou besluit ik richting de stad een bus te nemen die me afzet bij het dichtstbijgelegen metrostation. Natuurlijk, ik zou ook een taxi kunnen nemen die me voor de deur van het hotel afzet, maar kan het voorspelbaarder dan dat? De paspoortcontrole duurde lang en zelfs daarna lagen de koffers nog niet gereed op de bagageband. Zodoende is het al elf uur ’s avonds maar de metro’s rijden tot een uur of een, half twee wellicht. Het zal wel loslopen.

Bij Retsjnoy Vokzal aangekomen wijst een goed Engels sprekende Rus me erop dat de buitenste drie metrostations wegens werkzaamheden buiten gebruik zijn. Maar niet getreurd, aan de andere kant van het achter het station gelegen park vertrekt een bus naar de plek waar de metro vertrekt. Maar parken zijn groot in Moskou, en mijn koffer is zwaar. De vriendelijke jongeman verzamelt als een ware gids nog wat gestrande reizigers om zich heen en leidt ons het besneeuwde park door. Daar spring ik in de bus. Het is inmiddels half een.

In de metro is een groepje jongeren gebroederlijk aan het zingen. De een zet luidkeels in en de anderen volgen op gedempte toon. Vervolgens geeft de koorleider nog een privéshow af alvorens de metro rond te gaan en iedereen persoonlijk de hand te schudden. Hij zal gezopen hebben, vast, maar een dergelijke dronk gun ik iedereen.

We stappen op dezelfde plek uit en raken in gesprek. Ik probeer hem tegemoet te komen in het Russisch maar zijn Engels is uitstekend. Als ik aangeef graag Russisch tegen hem te spreken, zegt hij: “Ja, maar dan ga ik óók Russisch praten.” Toch netjes dat ie me even waarschuwt.

Ondertussen rennen we trappen op en af om de aansluiting van een andere metrolijn te halen. “Heb je liever dat ik snel of langzaam praat?” Een vriend van hem schiet in de lach: “Langzaam natuurlijk!” Ik kijk in diens richting en gebaar met een knik dat ik het beaam. Op het wenken van zijn vrienden, die al in de deuropening van de metro staan, springen we gehaast tussen de schuifdeuren door. “Je kan wel bij mij overnachten. Ik woon vlak bij het Kiev-station.” Terwijl hij dat zegt, rijden we het volgende station binnen en realiseer ik me dat ik de verkeerde kant op ga. Gehaast bedank ik hem voor zijn gastvrijheid, maar ik moet nu echt snel naar mijn hotel.

De állerlaatste lijn 10 van de nacht zet me af op Dostojevskaja. Via de trap omhooglopend kom ik boven de grond en aanschouw ik de nachtelijke Moskouse winterhemel. Met een koffer in mijn ene hand en een sigaret in de andere begeef ik me richting mijn hotel. Het is kwart voor twee. De onvoorspelbaarheid is begonnen.

© Sjaak van Haaster – Tekstbureau de Taalformule

 

Een kaderloze dag in Gent

Mensen plaatsen zaken graag in hokjes. Door alles in te kaderen wordt de wereld een stuk begrijpelijker. Het tegendeel is ook waar: hoe meer je inkadert, hoe meer er buiten die kaders valt en hoe vaker je je zult verbazen over hoe anders het kan zijn.

Ik heb het idee dat ik zelf niet zo erg in hokjes denk, maar dat is waarschijnlijk naïef óf arrogant. Waarom zou het bij mij anders zijn? Hopelijk zijn mijn hokjes en kaders wat ruimer en flexibeler, maar daar durf ik mijn hand niet voor in het vuur te steken. Zeker niet na mijn recente bezoek aan de stad Gent.

Het begon allemaal met een pomp die achterin mijn auto lag en bestemd was voor een schip dat in de haven van Gent voor anker was gegaan. En ja, hoe vind je zo’n ding daar? Na een tijdje doelloos over verschillende kades heen en weer gereden te zijn, besloot ik een havenarbeider om hulp te vragen. De beste man bleek een app op zijn telefoon te hebben waarop precies stond aangegeven welk schip aan welke kade aangemeerd lag. Je verzint het niet. Of zegt dat iets over mijn beperkte referentiekader?

De kapitein van het schip was een Rus. Ik zag het meteen aan zijn gezicht: diepe oogkassen, een bleek gelaat, zijn korte haar plat op z’n hoofd en een ongeïnspireerde oogopslag (overigens had ik hiervoor al wel enkele matrozen iets in hun portofoon horen inspreken; dat jullie niet denken dat ik Russen er zo uitpik ofzo). De kapitein leidde me naar de stuurhut alwaar twee Nederlandse monteurs gereed zaten om de pomp op het schip te installeren. Hij begon me in gebroken Engels uit te leggen waar ik mijn auto moest parkeren, zodat de pomp aan boord getakeld kon worden. Ik antwoordde hem in het Russisch. Zonder ook maar een wenkbrauw te fronsen vervolgde hij zijn verhaal in het Russisch. Blijkbaar viel een Nederlandse koerier die hem in een Belgische haven een nieuwe pomp voor zijn schip kwam brengen en hem in het Russisch aansprak volledig binnen zijn verwachtingskader. En de afwezigheid van enige verbazing bij hem daarover volledig buiten het mijne.

Ik heb vrienden in Gent en ik was nog nooit in die stad geweest. Het leek me een goede gelegenheid om met ze af te spreken en het centrum nader te verkennen. Een uur later zat ik met Victor lasagne te eten. In een kerk. “Alé, lasagne eten in een kerk, dat is toch niet zot, hè?” zou een Belg wellicht zeggen. Maar ik vond het vreemd. Ook heel mooi; lunchen tussen de kruisbeelden en schilderijen die de lijdensweg van Jezus uitbeelden, maar ook een beetje vreemd. Toch?

Later die middag werden mijn kaders nog wat meer op de proef gesteld. In de kathedraal van Gent staarden we naar een opgezette walvis die daar in de kooromgang was opgehangen. Victor wist me te vertellen dat het reusachtige dier een jaar geleden op de kust van Oostende was aangespoeld en sindsdien links en rechts tentoongesteld werd. Ja ja, een opgezette walvis in een kathedraal, dacht ik. Ik was in de war. Hier waren brainstormsessies aan voorafgegaan. Iemand had geroepen: de kathedraal van Gent! Dat is een mooie plek om een opgezette walvis tentoon te stellen! Niemand had geprotesteerd, zelfs de bisschop niet. Blijkbaar zag hij een walvisskelet als volksvermaak in zijn residentie niet als iets onethisch of areligieus.

Mijn kaders vertoonden scheuren. Nee, geen scheuren; het leek eerder alsof ze met een moker aan stukken werden geslagen. Wat was ik toch ongelofelijk bekrompen. En ik maar denken dat gelovigen zo star zijn.

© Sjaak van Haaster – Tekstbureau de Taalformule

De vrouw en de lekke band

Wat is mannelijkheid? Sinds de eerste en tweede feministische golf hebben vrouwen op bijna alle terreinen een inhaalslag gemaakt: in huis, met de zorg voor kinderen, in relaties en op het werk. Dat is allemaal heel goed geweest en zal ik zeker niet ter discussie stellen. In de lange geschiedenis van de mens hebben vrouwen in vrijwel alle opzichten het onderspit gedolven en het werd na tienduizenden jaren hoog tijd dat daar eens verandering in kwam. Oké, er bestaat nog zoiets als een glazen plafond en ongelijke beloning voor gelijk werk, maar het lijkt me een kwestie van tijd voor deze fenomenen ook uit de wereld verdwenen zijn, of dan toch op z’n minst uit de westerse wereld. Echter, terwijl de rol van de vrouw in de afgelopen anderhalve eeuw talloze keren is herzien, laten we vaak na om de rol van de man ook eens opnieuw onder de loep te nemen.

Hoe definieer je mannelijkheid in een wereld waarin het normaal is geworden dat mannen ‘papadagen’ inlassen en meepuffen bij zwangerschapsgymnastiek? Ik durf me niet te wagen aan een algemene definitie, vooral ook omdat uiteindelijk iedereen er iets anders onder verstaat. Gelukkig bestaan er nog altijd een soort standaardsituaties waarin het verschil tussen mannen en vrouwen snel duidelijk wordt, beide seksen zich vol overtuiging in hun rol schikken en verdere uitdieping van die rol niet nodig blijkt. Godzijdank.

Ik kwam net terug uit Groningen en reed het industrieterrein in Zutphen op. Bij het afdraaien van de rotonde kwam ik achter een oude, rode Peugeot 106 terecht met daarin een vrouw die bijna stapvoets de rotonde verliet. Na wat aandachtig kijken zag ik wat er aan de hand was: het rubber van de linker voorband flubberde bij iedere omwenteling van het wiel slap tegen het asfalt aan.

Ik toeterde kort. Toen ze in de spiegel keek, gebaarde ik dat ze langs de kant van de weg moest gaan staan. Ik parkeerde mijn auto voor die van haar, stapte uit, liep naar haar portier en vroeg of ze een reserveband in de auto had liggen. “Nee, die heb ik niet”, antwoordde ze na even nagedacht te hebben. Ik schatte haar achter in de veertig. Ze had blond golvend haar dat net tot haar schouders reikte en een gedrongen postuur dat me opviel toen ze uitstapte en naast de auto ging staan. Ze was niet onaantrekkelijk.

“Mag ik even in de kofferbak kijken?” “Ja hoor!” Ze opende de kofferbak, ik trok de bekleding omhoog en uiteraard lag daar gewoon een reservewiel in de uitsparing. “O, toch wel dus!” riep ze verbaasd. “Zal ik de banden even voor je verwisselen?” “Wil je dat? Dat zou echt geweldig zijn!” Grinnikend om de situatie die alle stereotypen bevestigde, liep ik terug naar mijn auto, pakte een krik en een dopsleutel en ging op m’n knieën naast haar auto zitten.

Een vriendin van me vertelde me ooit dat haar rij-instructrice haar tijdens een rijles op een gegeven moment maande om te stoppen. De vrouw zei: “Oké, nu ga ik je laten zien hoe je een band moet verwisselen.” Een band verwisselen, dacht ze, daar betaal ik toch niet voor? “Stel, je hebt een lekke band,” vervolgde de instructrice haar verhaal, “dan stap je uit, je opent de kofferbak en haalt daar het korte rokje uit dat je speciaal voor dit soort gelegenheden in je auto hebt liggen. Die trek je aan en vervolgens ga je hulpeloos naast je auto staan. Binnen de kortste keren stopt er een man voor je die je band gaat verwisselen. Jij voelt je even heel vrouwelijk omdat er een man (of misschien zelfs meerdere!) voor je stopt en hij kan zich even lekker mannelijk voelen. Een win-win-situatie!” Toen ze mij dit verhaal vertelde, moest ik er hard om lachen. Het is wat seksistisch, maar ach, de strekking is duidelijk, nietwaar?

Tien mannelijke minuten later lag de niet al te harde reserveband erop. “Waar moet u naartoe?” “Apeldoorn.” “Als ik u was zou ik even langs een tankstation rijden om de band op te pompen. Er zit niet al te veel lucht meer in.” “Oké, bedankt voor de tip!” Terwijl ik met een oude doek de smeer van mijn handen aan het vegen was, keek ze me doordringend aan alvorens iets uit de auto te pakken. Was ze nou met me aan het flirten? Met een dubbelgevouwen briefje van tien kwam ze op me toe lopen. “Alsjeblieft, voor de moeite!”

Ik weigerde vriendelijk doch resoluut om het aan te nemen. Waarom kunnen Nederlanders hun dankbaarheid alleen laten zien met geld, verzuchtte ik in mezelf. In sommige culturen zou een dergelijk gebaar als extreem beledigend worden ervaren. Wat denkt ze wel? Dat ik niet bereid ben om dit voor niks te doen? Bedank me gewoon hartelijk, dat is voldoende. Zij kan haar weg weer vervolgen en ik heb me even lekker mannelijk kunnen voelen. Lijkt me een prima transactie.

Oké, wellicht had ik de situatie voor mezelf wat meer kunnen uitbuiten. Eerst m’n shirt aan flarden scheuren, dan met gebalde vuisten op m’n borstkas slaan en wat oerkreten uitstoten, dan even die band verwisselen, om vervolgens een boom om te hakken, daar een vuur van te maken, een passerend hert dood te knuppelen en dat op mijn zelfgestookte vuur te braden, terwijl ik haar wat eten aanbood. Maar helaas, die tijden zijn voorbij.

Mannen en vrouwen zijn in deze voortdurend veranderende wereld continu in de war over hun eigen identiteit. Laten we elkaar dan op z’n minst dit soort momenten gunnen. Want zeg nou zelf: waar kun je je tegenwoordig nou nog écht mannelijk voelen?

© Sjaak van Haaster – Tekstbureau de Taalformule

 

Iets met aardlagen ofzo

“Hé die Sjaak, kun jij binnen een uur laden en doorrijden naar Engeland?” Ik raap m’n toiletspullen bij elkaar, wat schone kleren, check of m’n paspoort in m’n tas zit, gooi een matras, deken en kussen achterin en spring in de auto. Terwijl ik wegrijd, bel ik m’n zusje om te vragen of ze zin heeft om mee te gaan. Het is juli, ze heeft vakantie en ook wel zin in een mooi avontuur. Reeds enkele uren later naderen we Calais.

Ik ben nog nooit door de Kanaaltunnel gereden. Sterker nog, ik ben nog nooit in Engeland geweest (een overstap met het vliegtuig op Heathrow buiten beschouwing gelaten). Van de ‘Jungle van Calais’, het immense tentenkamp waar vluchtelingen een onderkomen hebben gezocht in de hoop spoedig de oversteek naar Engeland te kunnen maken, valt niets te bespeuren. Geen vluchtelingen langs de weg, laat staan barricades of stenen die richting de voorruit vliegen. Maar dát ze er zijn, valt af te leiden uit de vesting die we oprijden voor we de douane bereiken: meters hoge hekken zijn bovenop uitgerust met grote rollen prikkeldraad die ieder weldenkend mens ontmoedigen om er overheen te klimmen.

Met mijn bestelbus moet ik mee op de trein voor het vrachtverkeer. Dat op zich is al een belevenis. Vanaf een brug over de perrons rol je naar beneden en vanaf het perron rijd je zo de trein op. Daar word je met een busje opgehaald en helemaal naar de voorkant van de trein gebracht, waar zich een personenwagon bevindt. Daar neem je plaats tussen Spaanse, Poolse en Roemeense vrachtwagenchauffeurs die alle clichés over zichzelf bevestigen. Veertig minuten later herhaalt het voorgaande tafereel zich in omgekeerde volgorde en bij het verlaten van de trein rijd je links de trein af (o ja, we zijn dus écht in Engeland). Mocht je het onverhoopt toch vergeten zijn, dan staat er ter herinnering zo vaak ‘drive left’ op het wegdek geschreven dat je achteraf echt niet kunt zeggen dat dat je even ontschoten is.

Links rijden is eigenlijk hetzelfde als rechts rijden, maar dan links. Enkel bij dubbele rotondes (het is wat je denkt; twee rotondes tegen elkaar aan geplakt), waarvan je je mag afvragen waarom die in godsnaam bestaan maar waar ze in Engeland gek op lijken te zijn, wordt het iets lastiger. Een snelweg is in gedachten makkelijk te spiegelen, aan welke kant je ook rijdt, maar als je een dubbele rotonde met meerdere rijstroken in je hoofd gaat spiegelen, wordt het een ander verhaal. Welke rijstrook had ik hier genomen als ik rechts had gereden? O nee, ik rijd nooit rechts op dubbele rotondes want ik rijd nooit op dubbele rotondes. Gelukkig is het nacht en maakt het geen bal uit welke rijstrook je pakt.

Tijdens een traject van werkzaamheden waar een snelheidsbeperking van vijftig is ingesteld, is een vrachtwagen die letterlijk op mijn bumper zit veelvuldig met zijn lichten aan het seinen. Ik negeer het. Pas een uur later realiseer ik me wat de bron van zijn frustratie was: we zijn in Engeland dus vijftig is natuurlijk vijftig mijl, oftewel zo’n tachtig kilometer per uur…

Om vier uur ’s ochtends komen we aan bij de haven van Falmouth, een klein stadje in de punt van Cornwall. Ik heb onderdelen bij me voor de dieselmotor van een boot die hier ergens in de haven ligt. De portier kijkt me verbaasd doch vriendelijk aan als ik zijn hok binnen kom lopen. “Sorry, maar u kunt hier pas vanaf acht uur lossen.” “Vanaf acht uur?”, reageer ik verbaasd. “Ik kom helemaal uit Nederland hiernaartoe gereden omdat dit zogenaamd heel veel spoed had.” “O, nou, dan ga ik wel even iemand bellen.” Vijf minuten later komt een vrolijke havenarbeider in overall op ons toe lopen. “Kom je hiervoor helemaal uit Nederland rijden?”, vraagt hij ongelovig en breeduit lachend. Soms begrijp ik helemaal niks van mijn werk…

Op advies van de vriendelijke arbeider parkeren we de auto een paar kilometer verderop op een parkeerplaats aan de rotsige kust. We horen de golven tegen de rotsen slaan, maar de zee is niet te zien. Tot de volgende morgen. Als ik de achterdeuren openzwaai, kijken we uit over de donkerblauwe zee die zich tot in het oneindige lijkt uit te strekken. Een prachtig plaatje. Ik neem een duik, maar hoewel het eind juli en dus hoog zomer is (voor zover het dat ooit is in Engeland want tot nu hebben we enkel regen gehad), is het water stervenskoud.

Zo koud als het zeewater is, zo warm zijn de Engelsen hier. Het is onmogelijk om aan hun vriendelijkheid te ontkomen. In een dorpje waarvan ik de naam vergeten ben, klopt een postbode op het raam als ik op een T-splitsing vijf seconden twijfel of ik links of rechts zal gaan. Als we een kwartiertje later ons Engelse ontbijt met witte bonen, eieren, spek en champignons naar binnen aan het schuiven zijn, raken we in gesprek met een ouder stel dat een tafel verderop zit. “So you came for the English summer?” zegt de man smalend terwijl hij veelbetekenend naar de grijze, miezerende treurnis buiten wijst. We lachen hard, waarop hij quasi-verontwaardigd reageert met: “Als je zo hard lacht, betekent dat dat jullie hier al enkele dagen zijn.” Even later vertrekken ze om zijn moeder op te halen die vandaag negentig is geworden. Als ze een kwartier later met de oude moeke terugkeren, zegt de Engelse grapjas tegen zijn moeder terwijl hij in onze richting knikt: “They came all the way from Holland to celebrate your birthday with us!” Engelse humor.

Het plan om door te rijden naar Land’s End, het meest westelijke puntje van Engeland, hebben we met dank aan onze cafégenoten snel afgeschoten. Het is er druk, toeristisch en eigenlijk is er niets bijzonders te zien. Het is zoiets als op de poolcirkel of de evenaar staan; je weet dat je er bent, maar het ziet er niet anders uit dan andere plekken in de omgeving. Femke heeft een suggestie: we kunnen de surrealistische, opgestuwde rotsformaties aan de kust bij Millook Haven gaan bekijken. Voor een aardwetenschapper is dit natuurlijk een buitenkans. Dat lijkt me een leuke invulling van de middag. Ik stem in.

Enkele uren later lopen we vanaf de modderige parkeerplaats op de rotsen langs een smal pad naar beneden, ten einde uit te komen op het stenige strand. De miezerregen daalt onafgebroken op ons neer en het steile, gladde zandpaadje vergt het uiterste van ons evenwichtsorgaan. Soms grijpen we elkaars jas vast om de ander of onszelf te behoeden voor een uitglijder in de modder. Toch komen we zonder kleerscheuren beneden.

De ‘Millook Haven Cliffs’ zijn een bizar fenomeen. Ik heb het me door m’n zusje allemaal laten uitleggen. De verschillend gekleurde plakken rots zijn aardlagen ontstaan in verschillende perioden, die ooit plat lagen maar zoveel tienduizend jaar geleden door ijs zijn opgestuwd. Of zoiets. Femke, help! Van opgestuwde aardlagen begrijp ik net zo weinig als van elektriciteit, mobiel telefoneren, atoomsplitsing en dubbele rotondes waar je links moet rijden. Gelukkig kunnen dingen ook mooi zijn als je ze niet begrijpt.

Het strand ligt bezaaid met grote stenen met de opmerkelijkste motieven, strepen en figuren. Ik pik er twee uit om mee te nemen naar huis: een ronde, witte met grijze strepen rondom en een grijze, vierkante met twee diagonale strepen eromheen, alsof iemand er twee lintjes om heeft geknoopt. We verlaten het strand en besluiten het zandpaadje dit keer te mijden en via de weg terug te lopen. Op internet werd gewaarschuwd voor ‘very steep roads’ om bij de kliffen te komen. We stuiten al snel op een verkeersbord dat ons waarschuwt voor een stijging van dertig procent. Dat is inderdaad steil.

Met soppende schoenen en vuistgrote stenen in onze handen worstelen we ons een weg naar boven. Een auto met jankende motor passeert ons en nadert een haarspeldbocht naar links. Als we alleen de achterkant van het voertuig nog kunnen zien, horen we de voorbanden doorslippen en als we dichterbij komen ruiken we de verhitte koppelingsplaten en zien we de rook die als stoom uit de wielkasten blaast. We leggen onze stenen aan de rand van de weg neer en helpen met duwen. Het mag niet baten. De weg is te nat en te steil, de banden te glad en de auto te zwaar. Of wij zijn niet sterk genoeg. Of een combinatie van dit alles. Iets met natuurkunde, massa, krachten enzovoorts, net als opgestuwde aardlagen.

Terwijl de auto de smalle weg blokkeert, komt er uit tegenovergestelde richting een SUV aanrijden. Na wat steken, duwen en rollen is er genoeg plek voor de terreinwagen om via de buitenbocht te passeren. Met zijn linker voorwiel raakt hij de ronde, witte steen die ik vanaf het strand heb meegesleept. Het ding begint te rollen en gaat steeds sneller. Beteuterd kijk ik hem na. Al snel is ie uit het zicht verdwenen. Mijn eerste neiging is om er achteraan te rennen en dat doe ik aanvankelijk ook. Ik heb dat kloteding toch niet voor niets twee kilometer meegesjouwd? Mijn natte schoenen en de steile weg brengen me echter al snel op andere gedachten.

Ondertussen is er in de haarspeldbocht een heuse Engelse verkeersopstopping ontstaan. Mijn goedbedoelde adviezen (iedereen behalve de bestuurder uitstappen, met z’n allen duwen, de buitenbocht nemen) worden volledig in de wind geslagen. Sterker nog, soms laten ze Femke en mij de auto aanduwen zonder zelf ook maar een poot uit te steken. Laat ze dan ook maar verrekken. Van aardlagen begrijp ik niet veel, maar van mensen begrijp ik soms nog veel minder.

© Sjaak van Haaster – Tekstbureau de Taalformule

Overvallen

Internationale ritten zijn eenzaam. Je zit ’s nachts alleen in de auto, staart je blind op asfalt dat door het schijnsel van je koplampen heen vliegt en je luistert naar wazige Duitse radiozenders. Van de omgeving zie je niets, tenzij je het geluk hebt overdag te rijden. Dat geluk heb ik niet vaak.

De enige reële oriëntatiemogelijkheden die je tot je beschikking hebt, zijn snelwegnummers die op minuscule bordjes rechts van je voorbijschieten en plaatsnamen van steden die zich op een zekere afstand van jou bevinden. Regelmatig word ik overvallen door het wat-doe-ik-hier-in-godsnaam-op-dit-tijdstip-gevoel. Dat gevoel houdt ergens het midden tussen eenzaamheid, vervreemding, verbazing en geluk. Het een niet zozeer meer dan het ander.

Ook de slaap overvalt me wel eens. Als zelfstandig koerier ben ik niet gebonden aan welke rij- en rusttijdenwet dan ook. Waar vrachtwagenchauffeurs her en der de vluchtstroken en toegangswegen tot tankstations in beslag nemen om de torenhoge boetes voor het overtreden van het rusttijdenbesluit te ontlopen (de boetes voor het op deze manier ontlopen ervan zijn vele malen lager), bepaal ik zelf wanneer ik pauze neem. Of beter gezegd, mijn oogleden; soms volstaat een kwartiertje pauze écht niet meer, hoezeer de ANWB hier elk zomerseizoen ook op hamert bij vakantiegangers die zich opmaken voor de reis naar Zuid-Frankrijk, Spanje of Italië. Gelukkig heb ik meestal nog nét de tijd om voor vertrek een matras achterin mijn bus te gooien.

Leipzig komt al bijna in zicht. Het is twee uur ’s nachts en Jičín, mijn eindbestemming in Tsjechië, is nog zeker een paar uur rijden. Die paar uur ga ik niet aan een stuk volmaken, zoveel is duidelijk. Gelukkig kan ik pas vanaf zeven uur lossen. Dat geeft me mooi de tijd om even een uurtje mijn ogen dicht te knijpen. Bij de eerste parkeerplaats die ik tegenkom, draai ik de snelweg af, schuif mijn auto tussen een paar andere bestelwagens, spring achterin mijn bus en ben binnen vijf minuten vertrokken.

Een luide bons tegen de zijkant van mijn bus haalt me bruut uit mijn slaap. Enkele seconden lang ben ik me niet bewust van de situatie en wellicht niet eens van waar ik op dat moment ben. Dan weer een harde bons, aan de andere kant van de auto ditmaal. Ik hoor meerdere stemmen. Een bijzonder onbehaaglijk gevoel overvalt me. Het is twee uur ’s nachts, misschien half drie inmiddels, ik sta moederziel alleen op een parkeerplaats langs de snelweg en er staan mensen om mijn bus heen. Mensen die ik niet kan zien. Nóg een bons, op de achterdeur dit keer. “Hallo! Polizei!”, roept een zware mannenstem. Ja, politie, dat kan iedereen zeggen. In hoeverre ben je geneigd in slaapdronken toestand op het nachtelijke uur op een parkeerplaats langs de snelweg iemand te geloven die je niet kunt zien en zich uitgeeft voor politieagent?

Alleen een raampje in het tussenschot biedt me de mogelijkheid om naar buiten te kijken maar zolang ik niet weet wie daar buiten zijn en welke bedoelingen ze hebben, ben ik niet van plan me te laten zien. Plots wordt er met een zaklamp naar binnen geschenen. Ik ga met mijn rug tegen het tussenschot aan zitten. Heeft iemand me naar binnen zien kruipen toen ik ging slapen? Ik durf het niet te zeggen. Oké, wat nu te doen? Het Duitse alarmnummer bellen, schiet me te binnen. Dat heb ik geleerd van een eerdere ervaring op de Duitse snelweg. Een te lang verhaal voor nu, geloof me. Snel zoek ik op mijn telefoon het Duitse alarmnummer op: 110 (godzijdank heb ik hier bereik, want dat is in Duitsland ook altijd maar de vraag).

Een zachte vrouwenstem aan de andere kant van de lijn vraagt me wat ze voor me kan betekenen. Met even zachte stem, in de hoop alleen door haar gehoord te worden, leg ik haar de situatie uit. “Op welke parkeerplaats staat u?” Op mijn telefoon zoek ik mijn locatie op: “Saaletal, langs de A38 richting Leipzig”, antwoord ik. “Daar is nu een patrouillewagen van ons aanwezig”, zegt ze kalm. Ik voel mijn hart uit mijn keel wegzakken. “U kunt met een gerust hart de deur openen.” Opgelucht bedank ik haar.

Als ik door het raampje naar buiten kijk, zie ik inderdaad een agente in uniform met een zaklamp voor mijn auto staan. Ik schiet snel wat kleren aan, schuif de zijdeur open en kijk in het gezicht van vier agenten. Enigszins lacherig kijken ze naar de slaperige koerier die op blote voeten voor ze zit en ze glazig aankijkt. “Goedenacht. Er is hier een uur geleden een vrachtwagen overvallen. We willen u vragen of u iets gezien hebt.” Enigszins verbouwereerd staar ik ze aan. “Nee, sorry, ik sta hier denk ik net een kwartier”, zeg ik gelaten. “Oké. Dan kunt u nu weer verder gaan slapen”, lacht een van hen. Het komische van deze opmerking ontgaat me volledig. Alsof dat nu nog gaat lukken, denk ik cynisch. Aan de andere kant: hoe groot is de kans dat er op dezelfde parkeerplaats onder toeziend oog van de politie nóg een overval plaatsvindt?

Mijn onbehagen wint het echter van mijn rationaliteit. Ik start de auto, rijd een kilometer of wat verder en strijk neer bij een tankstation. Ik heb even behoefte aan wat volk om me heen. Aldaar begin ik verwoed aan een tweede poging.

© Sjaak van Haaster – Tekstbureau de Taalformule

Velociped problema

We hebben de nacht doorgebracht in Kolomyia. Zo troosteloos als Kolomyia is met z’n zwerfhonden, leegstaande, vervallen fabrieken en kapotgereden wegen, zo hartelijk zijn onze gastvrouw en -heer. Als ik ’s ochtends de woonkamer in loop, zit Vitaliy tv te kijken. Op het nieuws wordt een demonstratie in Odessa getoond. Ik vraag hem wie er de straat op zijn gegaan. “Homoseksuelen”, zegt hij zonder enige gezichtsuitdrukking, terwijl zijn blik strak op de televisie gericht blijft. Ik vraag niet verder.

Bij gesprekken over Poetin, internationale politiek, vluchtelingen en homoseksualiteit beland ik veelal in de rol van de westerse moraalridder en die rol bevalt me allerminst. In Slowakije kwam ik terecht op de veranda van een 64-jarige mountainbiker die van mening was dat de Krim terecht door Rusland was ingelijfd en dat Slowakije geen islamitische vluchtelingen wilde opnemen. Ze hadden hier nota bene al 500.000 Roma en die pasten zich ook niet aan en leefden van de criminaliteit. “Vroeger wilden we allemaal naar het westen. Nu zien we dat steden als Moskou en Sint-Petersburg ook schitterend zijn. Ik was eens in Parijs en Barcelona, maar ik vond het niks: veel te veel moslims daar. Kijk nou naar dat Franse voetbalelftal. Dertig jaar geleden waren ze allemaal blank. Nu zijn ze allemaal zwart. Nee, het westen heeft ons niets te bieden.” Ik was nergens over begonnen en ik voelde er weinig voor om op zijn provocatie in te gaan. Hij wilde me uit de tent lokken, zoveel was duidelijk. Het enige wat ik op vriendelijke doch besliste toon zei, was: “Ik kom dan uit dat westen, maar ik ben hier niet om de Europese Unie of iets dergelijks te verdedigen.” Dat begreep hij wel. Gek genoeg was het toch heel gezellig. Het is de westerse arrogantie die in landen als Rusland en Iran en blijkbaar ook door sommige Slowaken verafschuwd wordt. Ik begrijp het wel. Soms kun je je moraal beter thuislaten als je op reis gaat. Misschien beter altijd.

Om het gesprek op gang te houden, vraag ik Vitaliy naar zijn werk. Hij is gepensioneerd. Tegenwoordig schildert hij. Hoelang hij over een schilderij doet? Soms een paar uur, soms twee maanden. “Als ik een bepaalde stemming heb, dan schilder ik. Heb ik geen stemming, dan niet.” Vervolgens staat hij op en sjokt op zijn sloffen naar de stapel schilderijen die op de grond tegen de wand geleund staat. Ogenschijnlijk onverschillig maar ongetwijfeld ook trots spreidt hij de doeken uit over de grond en tegen de muur. Het zijn schitterende berglandschappen in de Karpaten, die op een steenworp afstand hiervandaan liggen. Nadat ik hem gecomplimenteerd heb met zijn werkelijk prachtige schilderijen, nodigt hij me uit om samen buiten een sigaret te roken.

Al rokend aan de picknicktafel in de tuin verander ik subtiel het onderwerp van het gesprek. “We reizen vandaag door naar Moldavië. Weet u hoe het er daar aan de grens aan toe gaat?” “Nee,” zegt Vitaliy nadenkend, “de laatste keer dat ik daar ben geweest is jaren terug.” Het is duidelijk dat hij geen vijf jaar bedoelt maar eerder dertig. “Enkele jaren geleden,” vervolgt hij zijn verhaal, “ging ik naar Polen. Ik moest 22 uur wachten voordat ze me doorlieten.” Hij glimlacht er hoofdschuddend bij.

We zijn op weg naar Moldavië.

Autorijden in Oekraïne valt trouwens heel erg mee. De overdaad aan dashcamfilmpjes afkomstig uit Rusland en Oekraïne die te vinden is op YouTube doet anders vermoeden. Maar ja, filmpjes van kruisingen waar iedereen netjes voorrang verleent en stopt voor rood zijn niet heel interessant, toch? Het rijden hier bevalt me juist heel goed. Iedereen rijdt wat onvoorspelbaarder, maar dat zorgt ervoor dat je je veel bewuster bent van de aanwezigheid van andere weggebruikers en veel alerter bent op wat zij doen en hoe je daarop kunt anticiperen. En zij op jou. Op de meeste wegen zijn er twee rijstroken; een voor elke richting. Als iemand wil inhalen, gaat hij dicht achter je rijden en geeft richting aan naar links. Jij geeft richting aan naar rechts als teken dat je hem gezien hebt en voornemens bent zo veel mogelijk rechts te houden (in de praktijk betekent dit met je rechterwielen over de witte streep waar altijd nog wel een plak asfalt ligt). Je achterligger haalt in over de middenstreep, ongeacht of er tegenliggers aankomen; die wijken wel uit. In de meeste gevallen zal je bedankt worden met knipperende alarmlichten. Leuk toch?

We naderen de Moldavische grens. De grenspost tussen Mamalyha (Oekraïne) en Criva (Moldavië) is gemoderniseerd: er is slechts één grenspost, één controle (althans, dat zou je denken) en geen niemandsland. Lekker overzichtelijk.

Bij de grens verloopt alles voorspoedig. Er wordt in de auto gekeken: alles in orde. We geven onze paspoorten af: bam! Stempel er in en door! De vrouw die onze paspoorten teruggeeft (ze komt daar zelfs haar hok voor uit, terwijl wij in de auto kunnen blijven zitten) wenst ons in haar beste Engels ‘a good journey’. Zo veel vriendelijkheid bij de grens, je zou er verdomme bijna wantrouwend van worden. Nu alleen nog even een vignet voor Moldavië kopen bij een of ander schimmig hokje en we zijn klaar.

Voordat we kans zien om uit de auto te stappen, verschijnt er een kleine grijsaard uit het gebouw links van ons die recht op ons af loopt. Zodra er geen twijfel over kan bestaan dat hij ons moet hebben, doe ik het raam naar beneden. “Waar gaan jullie naartoe?” vraagt hij in het Russisch. “Vandaag naar Bălţi, daarna door naar Roemenië.” “En waar komen jullie vandaan?” “Uit Nederland”, antwoord ik. Hij grijnst. “Jullie komen uit Nederland en dan spreek je Russisch? Maladjets (heel goed)!” Braaf neem ik het compliment aan. “Mag ik even in jullie auto kijken en jullie paspoorten inzien?” vraagt de grijsaard op vriendelijke toon. “Natuurlijk”, reageer ik quasi-onverschillig. Dat is net ook al gebeurd, schiet er in een flits door me heen.

Achter de auto knikt de grijsaard met zijn hoofd richting Renske, die ons vanuit haar positie niet kan zien. “Kan je ‘djewoejska’ ook Russisch?” “Nee”, zeg ik. De douanier kijkt verbaasd. “O, ze ziet er zo Russisch uit.” “Dat hoort ze vaker.” De ‘controle’ gaat verder. De kookpan, de gasfles en in het bijzonder mijn racefiets trekken de aandacht van de oude Oekraïner. “Mooie fiets. Hoe duur is ie?” Ik flap het eruit en denk: kut, dat had ik niet moeten zeggen. De grijsaard kijkt bedenkelijk en zegt dan al fronsend: “Hmm, velociped problema.” Je hoeft geen Russisch te kunnen om de strekking van die woorden te begrijpen. Me bewust van de absurditeit van het zojuist uitgesprokene begin ik te lachen. “Waarom is mijn fiets een probleem?” Hij ontsteekt in een monoloog waar ik slechts flarden van opvang, maar de strekking is me duidelijk: we moeten de fiets hier achterlaten en verder reizen zonder fiets of in Oekraïne blijven. De fiets mag in ieder geval niet uitgevoerd worden.

Ben ik er toch ingetuind door zijn gepaai over mijn Russisch. Wat stom van me. Hij vraagt naar de waarde van mijn fiets en ik noem een bedrag dat gelijkstaat aan vijf maal een Oekraïens maandsalaris (in het geval van een douanier hoogstwaarschijnlijk nog enkele malen meer). Natuurlijk gaat die lul proberen daar een slaatje uit te slaan.

“Parkeer je auto daar maar even.” Hij wijst naar een rij parkeerplaatsen recht voor ons. Daar aangekomen zien we dat de ouwe er een collega met een platte pet bij heeft gehaald die ogenschijnlijk hoger in rang is. De platte pet en de grijsaard kijken zorgelijk naar mijn racefiets en smoezen wat onderling. Waar zou het over gaan? Zijn ze de buit aan het verdelen of een strategie aan het uitwerken over hoe ons geld afhandig te maken? De platte pet loopt weer weg. De grijsaard houdt onze paspoorten en autopapieren nog steeds als borg in z’n handen.

Na een kwartier ben ik het zat. Vooraf hebben Renske en ik afgesproken bij moeilijkheden het woord ambassade enkele keren te laten vallen. ‘Ambassade’ is een vrij universeel woord. Ik had ergens gelezen dat dat goed werkt bij Russische politieagenten, dus waarom niet bij Oekraïense douaniers? Dit lijkt me het juiste moment om die kaart te spelen. Met een strak gezicht kijk ik de grijsaard aan en zeg in mijn beste Russisch: ”Ik ga nu de ambassade bellen en vragen of het normaal is dat mijn fiets een probleem is hier bij de grens. U hebt een badgenummer. Die wil ik graag hebben.” Bij het horen van het woord ambassade trekt Renske haar telefoon om het verhaal kracht bij te zetten. Ze is echter niet de enige die reageert op het woord ambassade; de grijsaard buigt als een knipmes en weet niet hoe snel hij onze paspoorten terug moet geven. “Bellen is niet nodig”, zegt hij terwijl hij zijn schrik probeert te verbergen. Wantrouwend kijk ik hem aan. “Dus alles is in orde?” “Ja, alles is in orde”, reageert hij alsof alles altijd al in orde is geweest. Ik voel me opgelucht en kwaad tegelijk en ben geneigd om hem te vragen waarom mijn fiets net nog een probleem was en nu niet meer. Maar geloof me, als je er zelf staat ben je allang blij dat je van het gezeik af bent.

Rest ons alleen nog het Moldavisch vignet.

In schimmige, naar zweet stinkende hokjes zitten altijd enorme vrouwen, zo leert de ervaring. Zo ook hier. De arme drommels voor ons worden door de kolossale kenau een voor een uitgesnauwd en afgepoeierd. Dan zijn wij aan de beurt. Met een nors gezicht neemt ze onze documenten aan. We betalen met euro’s en ze geeft ons euro’s terug. In beleefd Russisch vraag ik haar of ze ons misschien Moldavische valuta terug kan geven, die we vanaf hier waarschijnlijk goed kunnen gebruiken. Ze lijkt opeens wat te ontdooien, willigt mijn verzoek zonder enig tegensputteren in en glimlacht zelfs als ze het monopolygeld aan ons overhandigt. Van binnen glunder ik. Wat je met taal toch allemaal niet kan bereiken.

Net als toen we Oekraïne binnenkwamen moeten we het stempelpapiertje weer inleveren voor de slagboom. Ik geef het af aan de jonge, vrouwelijke beambte die haar hok uit is komen lopen. “Er mist een stempel”, zegt ze droogjes. Zucht. Natuurlijk mist er een stempel, denk ik cynisch. “Welke stempel mist er?” Ze loopt weer naar binnen, komt terug met een formulier en wijst een kleine, ronde, blauwe afdruk aan. “Rij iets terug, Hier sta je in de weg. Ik kom zo wel naar jullie toe.” Daar wil ik niet op wachten. Ik rijd de auto een meter of twintig achteruit, stap uit en besluit die verrekte stempel zelf te gaan halen. Al lopend richting de overkapping ─ grensposten en tankstations lijken verdacht veel op elkaar ─ kom ik de grijsaard weer tegen. Ik toon hem het briefje en zeg dat we een stempel missen. “O, dat is deze”, zegt hij terwijl hij zijn rechterarm optilt en zonder aarzelen een kleine, blauwe afdruk op het papiertje knalt. Het voelt alsof ik de oude douanier in mijn zak heb. Met een minzaam lachje op mijn gezicht loop ik weg.

De slagboom gaat open. We rijden snel door voordat we nóg een stempel blijken te missen. Na tweehonderd meter parkeer ik de auto langs de kant van de weg. Ik plas wild terwijl Renske een zwerfhond voert.

We zijn in Moldavië.

© Sjaak van Haaster – Tekstbureau de Taalformule

Eén euro

Ik sloot mijn auto aan in de rij met wachtenden. Buiten was het 32 graden. Ik liet de motor lopen en de airconditioning draaide op volle toeren. Daar stonden we dan, in Vyšné Nemecké, Slowakije. Weldra zouden we het grondgebied van Oekraïne betreden, alleen was het nog onduidelijk hoeveel tijd er in het woord weldra besloten lag. Voor ons stonden twee rijen met hooguit tien auto’s. Dat stemde ons hoopvol. Hoelang kon het duren?

Het eerste kwartier kwamen we niet van onze plaats. Douaniers liepen af en aan, maar leken zich allerminst te bekommeren om de verveelde reizigers die uitdrukkingsloos voor zich uit staarden, een sigaret rookten of even buiten de auto de benen strekten. Na een tijdje leek er toch wat schot in te komen. De Slowaakse dienders liepen de voorste paar auto’s langs, namen paspoorten en autopapieren in en keken in kofferbakken om vervolgens terug te lopen naar hun hok om wat administratieve handelingen uit te voeren.

Bij ons was alles in orde. Althans, zo leek het. Toen ik op een gegeven moment naar links keek, was een Oekraïner vanuit een aftandse auto in de rij naast ons druk naar me aan het gebaren. Mijn auto lekte aan de onderkant, zoveel kon ik eruit opmaken. Autopech hier bij de grens, het zou toch niet? Toen ik uitstapte en onder mijn auto keek, zag ik wat hij bedoelde: condens van de airconditioning. Pff, al die drukte om niks. Een voorbijlopende douanier maakte een wegwerpgebaar naar de Oekraïner. Bedankt, dacht ik, dat hoef ik nu niet meer te doen.

De formaliteiten aan de Slowaakse zijde duurden mijns inziens onnodig lang, maar het verliep vrij gestructureerd. Toen we onze documenten terug hadden gekregen, reden we het niemandsland in. Na een paar honderd meter sloten we aan in de rij voor de grenspost aan Oekraïense zijde. Het anarchistische gedoe was begonnen, evenals het toneelspel.

Niets stond aangegeven, niets werd uitgelegd. We konden niet anders dan doen wat onze voorgangers deden. Voordat het zover was, kwam een jonge Oekraïense grenswacht op ons toe lopen en ging naast de auto staan. Hij bekeek onze paspoorten en wees naar rechts als teken dat ik de achterdeuren moest openen. Hij keek wat rond, vroeg naar onbeduidende zaken en maande me om tassen te openen. Dan valt zijn oog op een schaakbordje. Het is een prachtig cadeau dat ik van mijn moeder kreeg voor het behalen van mijn diploma. In het bord zitten schaakstukken, een drankflacon met sovjetembleem en wodkaglaasjes. “Atkryvai”, zegt hij: maak open. Ik klap het bord open. Hij pakt het flacon, schudt het ding heen en weer dat een klotsend geluid maakt, glimlacht en vraagt: “Wodka?” “No, whisky”, antwoord ik. Hij lacht en gebaart dat ik de deuren weer kan sluiten.

We verzamelen ons net als alle anderen bij het loketje dat zich een meter of tien voor ons bevindt. De smalle, horizontale opening is zo laag dat we alleen de hand zien die onze paspoorten aanneemt. Vervolgens wil Tatjana (zo heet ze echt, afgaande op haar naambadge) wel zien of we werkelijk zijn wie onze paspoorten zeggen dat we zijn. Het leidt tot onhandig gebuk voor de opening van het loket dat zich op middelhoogte bevindt. Goed, het duurt een minuut of vijf, maar dan krijgen we onze paspoorten met inreisstempel en al terug. Nou, dat gaat voorspoedig, denk ik. Maar dan merk ik een nieuwe rij op om de hoek van het gebouwtje. Er is nog een loket. Natuurlijk is er nog een loket. Op plekken als dit is er altijd nog een loket.

Iedereen staat te dringen om zijn paspoort weer af te geven voor god mag weten wat voor overbodige bureaucratische rompslomp. Een wat oudere, slungelige man komt het betreffende hok uit en zegt me dat ik bij de ‘bank’, die aan de andere kant van het terrein een loket heeft, een euro moet gaan betalen. “Waarom?” vraag ik. Hij geeft geen uitleg. Ik zeg dat ik niet ga betalen als ik niet weet waar het voor is. Hij leidt me naar wéér een ander loket. Een collega die zogenaamd Engels spreekt legt me daar uit dat ik moet betalen omdat ik een ‘cargo van’ heb: dat vereist een andere controle. O ja, tuurlijk, denk ik cynisch. “Ik ben op vakantie, niet aan het werk”, zeg ik. Het heeft geen effect. Hoeveel stampij ga ik maken voor een euro? Gedwee loop ik naar ‘de bank’.

Ondertussen verdedigt Renske onze plaats voor in de rij en houdt haar ogen niet van onze paspoorten en autopapieren af, die nog steeds op het bureau van de slungel liggen.

Bij de bank aangekomen krijg ik net als ik een munt van een euro heb neergelegd, te horen dat ik twee euro moet betalen. “Net was het nog een euro”, zeg ik verontwaardigd. “Nee,” zegt de kolossale vrouw in het zweterige, aftandse hok, “één euro is voor Oekraïne, de ander is commissie voor de bank.” “Zo, jullie vragen als bank een flinke commissie”, zeg ik sarcastisch. Ze glimlacht. Ik glimlach terug. We weten allebei dat het een façade is.

Ik eis een betalingsbewijs. Helaas, de computer werkt niet goed. En de printer is ook kapot. Ze kan wel een kwitantie uitschrijven. “Iedereen kan een kwitantie uitschrijven,” zeg ik, “ik wil een gedrukte.” Dan doet de computer het wonderwel ineens toch, en de printer ook. Een paar minuten later sta ik met een twee pagina’s lange kwitantie in mijn klauwen. 30 hryvnia staat erop: omgerekend een euro…

Pas als het luttele bedrag betaald is, krijgen we onze documenten terug. Kunnen we nu verder? Het zal toch? Geen loketten meer voor ons, enkel een slagboom. Bij de slagboom aangekomen leveren we een papiertje in dat we bij aankomst ontvingen en gedurende het proces vol is gekwakt met stempels. De beambte zegt en gebaart niks. Als we vragen of we door kunnen rijden, haalt hij zijn schouders op, trekt een vragend gezicht en zegt quasi-onverschillig als een roofdier dat met zijn prooi speelt: “Yeah…”

We zijn in Oekraïne.

© Sjaak van Haaster

Ik verzin niets

‘Ik verzin niets, waarom zou ik verdomme iets verzinnen? Het bestaan hier is al fictie genoeg.’* Het zijn woorden uit het boek De Correspondent van Pieter Waterdrinker, een Nederlandse journalist die al meer dan twintig jaar in Rusland woont. ‘Het bestaan hier is al fictie genoeg’, de strekking van deze woorden werd me duidelijk toen ik deze zomer enkele dagen in Oekraïne verbleef. Elke dag dat ik er was, leverde twintig verhalen op. Het is dan wel geen Rusland, maar toch. Verzinnen wat nu komen gaat, doe je ook niet.

Het kan bijvoorbeeld zomaar gebeuren dat je in een klein provinciestadje genaamd Mukacheve, waar het op dat moment verzengend heet is, ligt te zonnen in het gras terwijl aan de overkant drie Oekraïners hun paard en wagen de rivier insturen ─ waarvan de bodem bezaaid is met grove, ruwe stenen ─ om het dier zijn dorst te laten lessen. Als de wagen de rivier uitrijdt, zal een van de drie Oost-Europeanen na een mislukte poging al balancerend op de keien het water te verlaten voorover vallen om vervolgens met een nat pak achter zijn makkers aan te rennen, die weigeren halt te houden.

Ook kan het zijn dat je op een bizar slechte weg (vergeet België) door de Karpaten rijdt en een oude vrouw aantreft die nog drie tanden in haar mond heeft. Een stukje terug heeft een verkeersbord dat aangeeft dat de weg over vijf kilometer afgesloten zal zijn, je enigszins in verwarring gebracht. Je vraagt de vrouw of de weg gesloten is. Uiteraard zegt ze dat de weg gewoon open is (en dat blijkt dan ook zo te zijn). Vervolgens vraagt de bejaarde vrouw of de dame die naast je zit ‘je meisje’ is, waarna jij bevestigend antwoordt (‘gewoon vrienden’ gelooft toch niemand?). Waarschijnlijk zal de baboesjka dan haar gerimpelde hand op het gladde blote been van ‘je meisje’ leggen om vervolgens te zeggen: “Ze is mooi, gaan jullie vanavond maar een kindje maken!” waarna de oude vrouw in een schaterlach uitbarst en haar openstaande mond met drie tanden je doet denken aan het miniatuurgebit van dat van een nijlpaard. Je zou kunnen reageren met: “We gaan het proberen”, zodat de vrouw in een lachstuip trekt waar ze nooit meer uit lijkt te komen. Als ze weer enigszins tot bedaren is gekomen, zal ze je om geld vragen voor bier. Je geeft haar 25 hryvnia, maar het bier kost natuurlijk 26 hryvnia. Daarom geef je haar nog een briefje van 1. Als het er sterk op lijkt dat het gaat uitlopen op een eenzijdige transactie ─ wat het natuurlijk niet is; ze heeft jullie nota bene naar waarheid verteld dat de weg gewoon geopend is ─ nodigt de nagenoeg tandeloze dame jullie uit bij haar thuis voor koffie en thee.

Mocht je besluiten om een bezoekje te brengen aan Kolomyja ─ wat waarschijnlijk de deprimerendste stad is die je zou kunnen bezoeken, alleen al daarom de moeite waard ─ , ga dan in een restaurant met serre zitten. Waarschijnlijk is er daar maar een van dus dat maakt de keuze makkelijk. Vanuit de serre heb je een goed uitzicht op het avondlijke straatleven van de stad. Zo kan het je onmogelijk ontgaan dat een passerende motorrijder door een roedel zwerfhonden wordt aangevallen en in zijn voet gebeten wordt terwijl hij krampachtig probeert de misbaksels van zich af te schoppen. Omstanders zullen hem te hulp schieten en de verwilderde beesten uiteen drijven. Je slaat het tafereel met verbazing gade, terwijl op de achtergrond het nummer ‘Na nebi’ van je favoriete Oekraïense band ‘Okean Elzy’ te horen is. Tip: vergeet op dat moment voor je eigen gemoedsrust even dat je na het tafelen nog een half uur naar je verblijfadres moet lopen. Dat maakt het wat minder onaangenaam. Beter luister je naar de muziek. Daar word je weer rustig van.

Ik ben hopeloos afgedwaald. Aanvankelijk wilde ik iets schrijven over hoe alles in zijn werk gaat als je met de auto de Oekraïense grens wil passeren. Ook dat is bestaande fictie. Nou ja, die houd je van me tegoed.

© Sjaak van Haaster

*P. Waterdrinker, De Correspondent (Amsterdam 2014) p. 235