De weerzinwekkende koerier

Onlangs werd ik benaderd door een vrouw die een pakket wilde verzenden voor een belangrijke bijeenkomst. Ze kwam hier twee maanden van tevoren mee, dus ik kan wel zeggen dat ze ruim op tijd was. Twee uur is in mijn branche gebruikelijker.

Na het eerste telefoontje wilde ze een bevestiging per e-mail ontvangen met datum, tijd en prijs. Dat begrijp ik; het is fijn om zulke afspraken zwart op wit te hebben. Wat ik minder goed begrijp, is dat ze mij nadien nog minstens vier keer heeft gebeld om te controleren of ik de afspraak niet al vergeten was. Er verstreken een paar weken en dan ging de telefoon weer: “De afspraak staat nog steeds, hè?” “Jaahaa, de afspraak staat nog steeds.” “Een extra bevestiging is niet nodig?” “Neehee, een extra bevestiging is niet nodig.” Ik heb nog nooit iemand ontmoet die zo veel bevestiging nodig had, afgezien van enkele vrouwen die ik heb gedatet. Hoezeer ik haar ook op het hart drukte dat ze zich geen zorgen hoefde te maken, dat ik de afspraak niet zou vergeten en dat ik op tijd zou komen, ze bleef bellen tot de voorlaatste dag. Gelukkig ben ik een geduldig mens.

Blijkbaar kon ze zich niet voorstellen dat als je een koerier belt en met hem een afspraak maakt, hij ook daadwerkelijk komt opdagen op het afgesproken moment. Wellicht was het de eerste keer dat ze een koerier in de arm nam. En toen moest ik plots terugdenken aan míjn eerste ervaring met een koerier. Als zij een vergelijkbare ervaring had, dan begreep ik haar wel.

Ik was 22 jaar oud en zocht een bijbaantje naast mijn studie. Op internet vond ik een vacature voor een nachtroute. Ik belde, maar kreeg geen gehoor. Zodoende stuurde ik een sms en vroeg wat voor route het was. Ik kreeg terug: ‘Het betreft om een krantenroute.’ Toen had ik misschien al beter moeten weten. Anderzijds, als koerier hoef je geen taalvirtuoos te zijn.

De krant waar het om ging, was de ‘Metro’. Je weet wel, dat smoezelige, gratis krantje dat je aan het eind van de dag besmeurd met koffie op en onder alle banken in de trein terugvindt. Ik besloot het een kans te geven. De nacht die volgde kan ik alleen maar omschrijven als een volstrekt surrealistische en weerzinwekkende ervaring.

Om half twee ’s nachts hadden we twee pallets vol met kranten geladen bij de drukkerij van Metro. Mijn leermeester trapte de nacht af met een drag race tegen een andere koerier op het industrieterrein van Diemen. Superverstandig met duizend kilo aan kranten achterin de bus. Het was een verontrustende voorbode van wat komen zou.

Op de snelweg reed hij 150, in de bebouwde kom 100. Hij wist precies waar de flitspalen stonden en ging op die plekken vol in de ankers, reed even 50 om vervolgens het gas weer vol in te trappen. Het was half maart, maar het zijraam stond continu open. Hij was om zeven uur die ochtend begonnen met werken en kon anders niet wakker blijven.

In Gorinchem stuitten we op een grootscheepse politiecontrole. “Hmm,” zei de agent aan het raam, “er is iets met uw rijbewijs. We trekken het even na.” Even later kwam hij terug. “Klopt het dat uw rijbewijs een tijdje ingenomen is geweest?” “Ja”, antwoordde de koerier. Nadat we door mochten rijden, vroeg ik hem ernaar. Hij had in een dronken bui samen met een vriend iemand aangereden. De rijbevoegdheid was hem destijds een jaar ontzegd. “Hoe heb je dat dan met je werk gedaan?” vroeg ik ongelovig. “O, gewoon doorgereden”, antwoordde hij laconiek.

Ergens in de Betuwe reden we in het pikkedonker over een kruising van landwegen. Op de hoek stond een kleine boerderij. “Daar woont mijn vader,” zei hij, “maar ik zie hem nooit. Het is een klootzak. Als ik hem zou zien, rijd ik over hem heen.” Als ik mijn verachtelijke, pafferige autogenoot zo bekeek, begreep ik wel dat er vroeger het een en ander mis moest zijn gegaan, maar in dit geval was ik toch meer geneigd om het voor zijn voor mij onbekende vader op te nemen.

De telefoon ging. Andere gesprekken voerde hij via de carkit, maar voor dit hield hij de telefoon in zijn linkerhand, terwijl hij met rechts stuurde en schakelde. De helft die ik van het gesprek meekreeg, vervulde me met een onbeschrijfelijke weerzin. Hij zei dingen als: ‘O, hmm, dat lijkt me wel lekker…’ en ‘wanneer heb je tijd voor me?’ Ongevraagd vertelde hij dat het een vrouw van de basisschool was die hij onlangs bij een reünie weer gezien had. Met tegenzin hoorde ik het aan. Intussen schoof ik onbewust zo dicht mogelijk tegen het portier aan. Het liefst was ik er doorheen gekropen. De bestelbus was niet groot genoeg om hem buiten mijn persoonlijke ruimte te houden; in dit geval had dat minimaal een paar meter moeten zijn.

Logischerwijze besloot ik niet meer terug te komen. Ik belde hem op om dat te zeggen én dat ik graag wel betaald wilde worden voor die ene werknacht. Hij zei dat ik naar m’n centen kon fluiten en hing op. Ik heb ‘m net zo lang gestalkt tot hij het geld overmaakte. Het was een schamele genoegdoening voor een vreselijke nacht.

Het is eigenlijk een wonder dat ik nadien alsnog koerier ben geworden. Aan de andere kant, vanaf toen wist ik dat ik me in de koerierswereld kon onderscheiden. Hopelijk heeft de-vrouw-die-zo-veel-bevestiging-nodig-had dit gemerkt.

© Sjaak van Haaster – Tekstbureau de Taalformule

Een verstopt oor en Tsjechische artsen

Tsjechië is een lief land. Een beetje kneuterig ook. Althans, zo oogt het als je door de groene heuvels van de Zuid-Bohemen rijdt. Er zijn maar weinig dingen die verraden dat het land tot zo’n dertig jaar geleden deel uitmaakte van het voormalige Oostblok. Het land is dan ook het welvarendste van alle voormalige Oostbloklanden. ‘Het doet het goed’, zou je kunnen zeggen.

Die verandering is snel gegaan. Toen ik in 2001 op werkweek met school voor het eerst in Tsjechië kwam, voelde het totaal anders. In de eerste plaats had je nog grenscontroles -het zou nog drie jaar duren eer het land lid zou worden van de Europese Unie en Schengen. Bij aankomst in hotel ‘Sandra’ verlangde ik na vijftien lange uren in de bus naar een zacht bed. De matras waar ik echter vol overtuiging met een snoekduik op sprong, begroette me met een klap in mijn gezicht. Het gaf net zo veel mee als de metalen celdeur van een Oost-Duitse gevangenis. In Praag werd ik in vijf dagen tijd zo’n tien keer aangesproken door prostituees. Buiten de stad rook het overal naar bruinkool. Toen we een tripje maakten naar een plaatselijke glasblazerij was het beeld voor mij compleet: een gespierde, bezwete, gebruinde man gekleed in een wit, bevlekt hemd omklemde met beide handen de pijp waarmee hij het glas in de juiste vorm blies. Tussendoor nam hij een stevige trek van een sigaret, die tijdens het blazen achteloos tussen de wijs- en middelvinger van zijn rechterhand uitstak. De hitte in het pand was moordend. Het enige wat ik nog weet, is dat ik dacht: die man wordt niet oud.

De week was er een zoals je je die voorstelt bij een uitje met school. Het bad in onze gedeelde badkamer in hotel Sandra hadden we vol laten lopen met koud water om de blikken goedkoop Tsjechisch bier te koelen. Ik rookte een pakje Gauloises per dag. We zwierven van kamer naar kamer (bij voorkeur die met meisjes) en vielen rond half vier in slaap. Om acht uur ’s ochtends werden we gewekt door een van de docenten. Overdag namen we als zombies deel aan het dagprogramma. Op de laatste dag viel ik in slaap op een bankje op het Oude Stadsplein. Mijn vrienden kwamen me wekken toen de bus gereed stond om huiswaarts te keren. Dat soort toestanden. Ze kunnen mijn beeld van Tsjechië destijds enigszins vertroebeld hebben.

Toch gebeuren er hier ook rare dingen. Geen schokkende dingen, gewoon rare dingen. Dingen die je niet begrijpt. Dingen die anders gaan dan je gewend bent. Daar kom je achter als je oor verstopt zit en je op zoek bent naar een bereidwillige, Tsjechische arts die het wil uitspuiten.

De website ‘hoevindjeeenhuisartsintsjechië.nl’ bestaat niet. Apotheken daarentegen liggen in het buitenland vaak voor het oprapen. Je herkent ze aan de groene kruizen die vaak overdreven knipperen, flikkeren of anderszins de aandacht trekken, maar nimmer statisch zijn. Daar weten ze waar de artsen zich verschuilen. Maar dan dient het volgende probleem zich aan: alle artsen scheien er tegen het middaguur mee uit. De enige arts in Benesov die tot één uur ’s middags praktijk houdt, smijt de deur zonder pardon en zonder uitleg om kwart voor één recht in je neus dicht. Gelukkig is er ook een praktijk in Uherský Brod. Aangezien je daar toch al naartoe zou gaan, loont het wellicht de moeite om daar de volgende dag een nieuwe poging te wagen. En wat blijkt? In het verzamelgebouw waar de artsen zich ophouden, heeft alleen de kno-arts spreekuur en laat dat nou net degene zijn die je moet hebben!

In de wachtkamer, waarin de verf van de muren bladdert en waarvan de stoelen regelrecht uit een verhoorkamer van de Stasi lijken te komen, is het druk. Er zijn zeker al zo’n vijf mensen voor mij en de deur naar de praktijk blijft het eerste kwartier gesloten. Gelukkig is Margot mee. Zij kan de parkeerschijf in de auto aanpassen zonder dat ik mijn plek hoef op te geven. En ach, ze haalt meteen maar even een boek op, want dit kan wel even gaan duren. Als ze net weg is, gebeurt er iets merkwaardigs: wanneer de arts-assistente in de deuropening verschijnt, rennen alle patiënten op haar af en duwen hun zorgpas in haar hand, ook de mensen die na mij de wachtkamer betraden. Voor ik me realiseer wat er gebeurt, is de deur alweer gesloten. Heb ik nu net in mijn onwetendheid iedereen voor laten gaan?

Ongeveer om het halve uur worden er drie mensen naar binnen geroepen, totdat iedereen die voor mij was verdwenen is. Nu is het verdomme mooi geweest. Margot en ik besluiten het looppad naar de deur met ons lichaam te barricaderen. Dat helpt. Zodra de deur weer opent, zijn wij de eersten die naar binnen gaan. Twee vrouwelijke patiënten vergezellen ons. We belanden in een tussenruimte; een soort sluis tussen de wachtkamer en de praktijk. De vrouw die ná mij de wachtkamer inkwam en wiens naam door de assistente wordt omgeroepen, probeert voor ons langs naar binnen te sneaken. Mijn uitgestrekte arm en onze priemende blikken missen hun uitwerking niet. Ze schikt in en kijkt schuldbewust. Maar hé, het viel toch te proberen?

De arts spreekt goed Engels. Ja, we komen uit Nederland. Oh, u kent een arts uit Bussum? Goh, wat leuk. Ja, Marco van Basten was inderdaad een goede voetballer. Het probleem is ‘ear wax’? Dat vermoedde ik al een beetje, ja.

Met een enorme spuit spuit hij mijn oor leeg. Daarna maakt hij het schoon met een wattenstaafje. ‘Niet in de gehoorgang steken’ gaat hier blijkbaar niet op. Maar dat is misschien wel iets hopeloos betuttelends uit Nederland, net als spinazie geen tweede keer opwarmen (want dan wordt het giftig! Ofzo…). De arts schrijft een factuur uit en ik reken contant af. Voor de kleine ontsteking die zich volgens hem in mijn oor bevindt, schrijft hij druppels voor. Prima. Ik kan weer horen, daar was het allemaal om te doen.

We rijden verder. Aan de rand van de weg ligt een doorgetrokken, witte streep, in het midden een onderbroken streep. Een rond bord met een rode rand waar ’90’ op staat geeft de maximumsnelheid weer. Een auto haalt ons links in. Deze wereld begrijp ik tenminste.

© Sjaak van Haaster – Tekstbureau de Taalformule

De nieuwe auto

Een tijdje geleden schreef ik over antropomorfismen, toeschrijvingen van menselijke eigenschappen aan niet-levende dingen. Ik doe dat dus bij mijn auto, zoals ik toen al ruimhartig bekende.

Een van de bekendste voorbeelden van antropomorfisme is de film ‘Cast Away’, waarbij Tom Hanks jaren alleen doorbrengt op een onbewoond eiland en zich -om de schrijnende eenzaamheid draaglijk te maken- hecht aan een bal die hij ter gelegenheid een naam en een gezicht heeft gegeven. Het is een waardeloze film als je het mij vraagt, maar veel mensen zullen de scène waarin hij ‘Wilson’ op zee verliest als hartverscheurend ervaren.

Nou, zo’n soort drama stelde ik me ook voor bij het afscheid nemen van mijn oude auto. Ik ging ervan uit dat het vervangen van mijn enige echte werkpartner een emotionele gebeurtenis zou zijn die gepaard zou gaan met een heus rouwproces en schuldgevoelens over het zo snel al hebben van een nieuwe partner.

Het ging echter heel anders. Auto’s blijken namelijk vervangbaar, zoals alle levenloze voorwerpen. Tom Hanks was gehechter aan zijn bal dan ik aan mijn auto. Hij had zijn vriend een naam gegeven: Wilson. Dat heb ik nooit gedaan. Wellicht was dat al een indicatie van de onvolledige hechting die ik met mijn auto ben aangegaan.

Het moment van vervangen (dat klinkt al best kil als ik het zo opschrijf) diende zich sneller aan dan verwacht. Op advies van een bevriende automonteur -ik ben hem er zeer dankbaar voor- ging ik rondkijken en viel mijn oog op een andere, maar vooral nieuwere en luxueuzere Nissan NV200, hetzelfde model waarin ik reeds driehonderdduizend kilometer heb doorgebracht. Hoeveel uur dat is, weet ik niet.

Toen ik eenmaal een proefrit in de nieuwe had gemaakt, was ik mijn oude meteen zat. Ik ging me ergeren aan het pookje van de cruise control dat wat wiebelig was, de minuscule roestplekjes bij de achterdeur en het barstje in de rechter dodehoekspiegel. In plaats van verdriet over het aanstaande afscheid voelde ik vooral ergernis; ik wil van dat barrel af, dacht ik terwijl ik schrok van mijn eigen gedachten. Het arme ding heeft me nooit, maar dan ook letterlijk nooit laten staan. Hij heeft me over de erbarmelijkste Oekraïense wegen geleid, me links leren rijden in Engeland, me talloze keren over de Alpen en andere gebergten geloodst, me onderdak geboden in heel Europa en me gered van een wisse dood op de Poolse snelweg. Wat ben ik toch een ondankbare klootzak.

De nieuwe auto is al drie maanden een feit, maar hij voelt niet zo. De bekleding is hetzelfde, het dashboard is hetzelfde, de kleur is hetzelfde en de bestickering aan de buitenkant inmiddels ook. Het is alsof ik doorrijd in mijn oude bolide en nooit een ander heb gehad. Wat wij nodig hebben, mijn nieuwe auto en ik, zijn nieuwe avonturen, nieuwe landen, nieuwe bestemmingen. We zijn hard op weg. Ritten naar Dubrovnik, Regensburg, Berlijn, Manchester en Palma de Mallorca helpen daar goed bij. Het heeft al veel nieuwe verhalen opgeleverd. Ik hecht eraan ze van tijd tot tijd tot jullie te brengen.

© Sjaak van Haaster – Tekstbureau de Taalformule

De droom van de Franse gastvrouw

Als ik de schuifpui open doe, staat mijn Franse gastvrouw in de keuken pannenkoeken te bakken. De tafel is gedekt voor twee. Blijkbaar ontbijten we samen. Als beleg is er alleen jam. Vier soorten, dat wel, maar fantasierijk kun je de Fransen op dit punt niet noemen. Ze vertelt me wat voor jam het is, maar bij de vierde ben ik de eerste twee alweer vergeten. Abrikoos, meloen en nog twee. Ik probeer alle vier uit op de flinterdunne pannenkoekjes, terwijl de Française tegenover me na het uitwisselen van de standaard fatsoenlijkheden begint te vertellen.

In januari heeft ze een burn-out gehad en daarna is ze gestopt met haar werk. Ze was onderwijzeres. Haar openhartigheid bevalt me. Als we dan toch met elkaars gezelschap opgescheept zitten, kunnen we maar beter een goed gesprek hebben.

Zij en haar man hebben het huis verkocht. Ze draait wat van me af en reikt haar handen naar de globe die schuin achter haar staat. Terwijl ze met haar ene hand de bol langzaam laat draaien, glijdt de vinger van haar andere over de wereld. Het lijkt op roulette, die spanning dat je niet weet waar het balletje –in dit geval haar vinger– blijft liggen, al hangt er nu wel iets minder van af. Haar wijsvinger houdt stil midden in de Stille Oceaan. “Hawaii?”, vraag ik weifelend. “Tahiti!”, antwoordt ze glunderend. “Het eiland heet Moorea.” Daar gaan ze dus wonen. Maar waarom?

Naast haar werk is ze het weer hier zat. “Het is hier winter van september tot april.” Dat lijkt me wat overdreven voor Noord-Frankrijk, maar het gesprek is inmiddels behoorlijk eenzijdig geworden en de behoefte om enige nuance in haar verhaal aan te brengen, is me reeds ontgaan.

Het is wel bijzonder: in haar bed and breakfast, waar ze het haar gasten naar de zin zou moeten maken, plaatst zij zichzelf als gastvrouw centraal.

Die avond zal ik in Céret overnachten, een schilderachtig dorp aan de rand van de Pyreneeën. Door het nachthemd waarin mijn gastvrouw aldaar opendoet, is haar zwarte string duidelijk zichtbaar wanneer ze mij voorgaat naar mijn kamer. Een andere manier, maar dezelfde schreeuw?

Mijn vriendin denkt dat de meeste mensen die gasten ontvangen, zélf aandacht, troost, goedkeuring of wat dan ook zoeken. Volgens mij heeft ze gelijk.

De gastvrouw zet haar monoloog voort. “Het is hier zo smerig”, zegt ze met een gezicht vol walging. “Daar zitten de mensen met tafels en stoelen in het water te drinken, maar weet je hoeveel flessen we na twee weken duiken hebben gevonden?” Ik trek mijn lippen samen, zo van: weet ik veel. “Een!”, geeft ze zelf meteen het antwoord. “Hier in het dorp gooit iedereen alles van zich af!” Als je dat dan zo belangrijk vindt, denk ik in mezelf, blijf dan hier en doe er wat aan, want op Tahiti speelt het probleem klaarblijkelijk niet. Ook haar struisvogelmentaliteit laat ik onbesproken. Ik wil weg.

Hoe langer ze praat, hoe meer medelijden ik met haar krijg. Ach, arme vrouw. Je denkt op Tahiti het paradijs te vinden, maar je neemt je hoofd, waarin al je gedachten en angsten opgeslagen liggen, gewoon met je mee. Dat geldt ook voor mensen die een half jaar naar Thailand of Australië gaan om ‘zichzelf te ontdekken’. Het zou prachtig zijn als een nieuwe omgeving een nieuw mens van je maakt, maar het is een illusie.

Ze pakt er een reisgids bij, hoewel ik reeds aanstalten maak om te vertrekken. Ik kan blijkbaar niet gaan zonder een foto van haar nieuwe droomwereld gezien te hebben. Tot drie keer toe bladert ze het ding tergend langzaam door (om de betreffende foto niet te missen ongetwijfeld), zich ondertussen verontschuldigend voor het feit dat ze me ophoudt. Ik wacht op het moment dat ze zal zeggen: “Ach, laat ook maar”, maar dat moment komt niet; ik moet en zal een foto van Moorea zien. Hoeveel gasten zouden mij zijn voorgegaan, hun desinteresse en ongeduld verbijtend, puur uit fatsoen en medelijden? Eindelijk heeft ze de foto gevonden, die ze trots aan me laat zien. Op de luchtfoto zie ik een tropisch eiland als alle andere: groen, met een wit strand en een azuurblauwe kring eromheen.

Zelf ben ik voor m’n werk op weg naar Mallorca, toch ook geen onaardig eiland. Daar hebben we het eigenlijk niet over gehad. Vol verwachting over de reis die voor me ligt, verlaat ik Dompierre. Het is het schoonste dorp dat ik ooit heb gezien.

© Sjaak van Haaster – Tekstbureau de Taalformule

Uiterlijke schijn

Op mijn weg terug vanuit Kroatïe (waarbij ik dus ook Bosnië aandeed), strijk ik neer in Ptuj. Rare naam, Ptuj. In Slavische talen komen (soms onuitspreekbare) medeklinkercombinaties voor die wij niet kennen. Zoals een ‘p’ gevolgd door een ‘t’. Maar wat te denken van woorden waarin klinkers helemaal ontbreken, zoals de naam van het Kroatische eiland ‘Krk’ of het Sloveense woord voor plein: trg. De eerste keer dat ik in Ljubljana was, dacht ik dat ‘trg’ een afkorting was.

Voor mijn noodzakelijke overnachting verkies ik een Sloveens spookhuis boven een smakeloos, Oostenrijks gasthaus, al zou ik waarschijnlijk alles verkiezen boven Oostenrijk. Het Alpenland is schitterend, leuk om doorheen te rijden, daar niet van, maar bij de aanblik van te net gelakte houten huizen en statige balkons waar geraniums aan hangen word ik nerveus. Zo veel orde en netheid kan alleen maar ontstaan onder sociale druk. Sociale druk leidt tot uiterlijke schijn en uiterlijke schijn verbergt frustraties, angsten en trauma’s. Waarom zou je je in vredesnaam druk maken over de verwelkte geraniums van de buren? Oostenrijk lijkt hierin het kleine broertje van Duitsland.

Vrienden van mij die in Duitsland hebben gewoond, vertelden me dat ze er door hun buren op aan werden gesproken als ze naar diens mening het gazon te lang niet hadden gemaaid. Andere kennissen kregen van omwonenden te horen dat er wat zaken tussen hun afvalplastic lagen die daar echt niet thuishoorden.

Veel mensen roepen dat er in Nederland te veel regels zijn, maar mijns inziens is moreel geterroriseerd worden door je buren veel erger dan een overheid die regels instelt om ongewenst gedrag binnen de perken te houden. En ach, zo erg is het nou ook weer niet bij ons. In Oostenrijk mag je niet met z’n tweeën op een fiets rijden. Dat vind ik een ernstige inperking van de vrijheid van alle verliefde stelletjes. Ik ben blij dat ik me op mijn vierendertigste nog altijd een beetje puber kan voelen. Hand in hand naast elkaar fietsen kan toch niet tippen aan een mooie vrouw achter op je bagagedrager die haar handen om je middel slaat en haar hoofd tegen je aan vlijt, terwijl jij je het schompes trapt om een vals platte weg op te fietsen en het zweet over je rug gutst?

De mentale overeenkomsten tussen Duitsland en Oostenrijk zijn naar mijn mening evident. Vind je het gek dat Hitler Oostenrijk als een deel van Het Derde Rijk beschouwde en het daarom reeds voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog bij Duitsland voegde: de zogeheten Anschluss. Overigens werden de Nazi’s er met open armen ontvangen, maar dat bleken de Oostenrijkers na de oorlog vergeten te zijn. Zodoende heeft het land nooit afgerekend met zijn geschiedenis. Maar ja, welk land heeft dat wel?

Nederland heeft na honderden jaren nog steeds niet afgerekend met zijn slavernijverleden, de Armeense genocide wordt door de Turken nog steeds niet erkend en de overlevenden van het beleg van Leningrad worden door de Russische overheid nog altijd neergezet als oorlogshelden, maar hoezeer voel je je een held als je destijds het vlees van je eigen ouders gegeten hebt om niet van de honger om te komen? Geen land komt in het reine met zijn eigen verleden als de zaken niet zo worden voorgesteld zoals ze daadwerkelijk waren.

Wanneer ik de volgende dag in Oostenrijk de snelweg op draai, hangt er een spandoek boven de weg: ‘Die A9 ist kein Müllplatz’. Het verbaast me niks dat een land dat zijn onderdanen aanspreekt alsof het kinderen zijn, niet in staat is af te rekenen met zijn eigen verleden. De geraniums zullen nog wel lang aan de balkons blijven hangen.

© Sjaak van Haaster – Tekstbureau de Taalformule

Het achterland van Europa

Goed, ik was dus in Bosnië. Het land in komen was een fluitje van een cent, zoals ik eerder al vertelde. Een ongewoonheid voor dit soort landen. Op mijn heenreis naar Dubrovnik, Kroatië kwam ik de Bosnische Neum-corridor niet in, een kuststrookje van negen kilometer dat de Kroatische kust ruw onderbreekt met twee grenscontroles. Er was blijkbaar iets mis met mijn vrachtbrief waarop wat ondefinieerbare onderdelen waren omschreven die ik af moest leveren bij een luxueus jacht dat in de haven van Dubrovnik lag. Toen ik de douanier beleefd vroeg waarom ik er niet in kwam, antwoordde hij zoals het een hulpvaardige ambtenaar betaamt: “Because I say so.” Kijk, zoiets verwacht je tenminste. Hoe die geschiedenis afliep, vertel ik misschien nog wel eens.

Alles is hier dus zoals het hoort te zijn; Bosnië vertoont alle kenmerken van de Europese periferie. Mocht je nou ooit eens twijfelen of je nu wel of niet in de EU bent (en ben je de grenscontrole alweer vergeten), let dan op de volgende kenmerken.

      1. Norse en corrupte overheidsdienaars

Zie het voorbeeld hierboven. Ben je niet overtuigd? Rijd met je auto naar Oekraïne.

      2. Toestand van de wegen en de rijstijl van de locals

De infrastructuur is gebrekkig. Dit kan in het geval van Bosnië het beste worden verduidelijkt aan de hand van een voorbeeld. Stel, je bent in Osijek, het uiterste noordoosten van Kroatië, en je wilt naar Dubrovnik, het uiterste zuiden, dan ligt er een enorm obstakel in de vorm van het land Bosnië tussen. Het is dus verreweg het kortst om dit land simpelweg te doorkruisen; een trip van zo’n 530 kilometer. Maar: Bosnië kent vrijwel geen snelwegen. Als je omrijdt via Zagreb, wordt de reis 350 kilometer langer maar de reistijd blijft hetzelfde. Bovendien rijd je over biljartlakens van asfalt in plaats van hobbelige, bochtige wegen waar een snelheidsbeperking geldt van tachtig kilometer per uur en de corrupte politie je achter elke bocht een poot wil uitdraaien door middel van laserguns, flitspalen en allerlei onzinnige verkeerscontroles. In het uitzonderlijke geval dat je van Osijek naar Dubrovnik moet reizen, kies je uiteraard wel gewoon voor de laatste optie. Waarom? Omdat Bosnië adembenemend mooi is. Voor strakke snelwegen ga je wel gewoon naar Nederland, nietwaar?

Op de Balkan wordt anders autogereden dan wij gewend zijn. In het algemeen geldt voor landen: hoe slechter de wegen, hoe slechter de rijstijl. Inhalen is overal geoorloofd; over een doorgetrokken streep, voor een bocht, op een helling en op andere momenten waarop een westerling het niet in zijn gezonde verstand zou halen om een inhaalactie te plannen (Duitsers uitgezonderd misschien). Overigens gaat het altijd goed. Of nou ja, het ging goed op de momenten dat ik er getuige van was. Het kan dus wel, maar op mij maakt het toch een licht suïcidale indruk.

      3. Zwerfhonden

Geen Balkanland zonder zwerfhonden. Ik ben de grens nog geen tweehonderd meter voorbij, of er sprint een dolle hond luid blaffend recht op mijn auto af. Een halve meter voor het gestoorde dier verpletterd zal worden onder het rubber van mijn banden, keert ie om.

In Jajce trof ik op de stoep een vechtende roedel zwerfhonden aan. Niemand trok zich er iets van aan. Het schijnt dat ze je aanvallen als je ze aankijkt. Dat heb ik dus maar niet gedaan.

In Oekraïne zag ik eens een motorrijder aangevallen worden door een paar honden. Had ie ze maar niet aan moeten kijken, denk ik dan.

      4. Mannetjes die iets van je willen (geld)

Maak je maar geen illusies. Jij bent toerist en zij weten dat. Mannetjes hebben daar een neusje voor. Als ze het al niet meteen aan je auto zien, dan wel aan je kledingstijl of je zoekende, onzekere manier van lopen. Mannetjes zijn overal en spotten jou veel eerder dan jij hen.

In Bihac parkeerde ik bij een supermarkt. Ik was nog niet uitgestapt of er stond al een opdringerige jamverkoper aan mijn autodeur. Toen ik weigerde iets te kopen, riep hij me na: Van Baasten! Goellit! Raikaat! Mannetjes kennen de voltallige selectie van het Nederlands elftal van 1988 uit hun hoofd.

Ik ging naar Mostar om de brug te zien (vrij naar: Martinus Nijhof). Het is een stenen bruggetje dat instortte onder het geweld van de Balkanoorlog en zodoende daar een symbool van is geworden. Nu is het een toeristische trekpleister en zoals altijd vallen die vies tegen (denk aan Manneken Pis). Ik kon vlak bij het centrum wel gratis parkeren, althans, dat dacht ik. Toen ik terugkwam bij mijn auto, verscheen er echter uit het niets een mannetje met vettig, halflang sluikhaar en een bezweet hoofd. Aangezien hij waarschijnlijk zojuist uit een willekeurige steeg was komen opduiken en geen enkel zichtbaar kenmerk van autoriteit vertoonde, weigerde ik hem geld te geven. Hij droop af.

      5. Leegstaande, vervallen gebouwen

Ga de Europese Unie uit en je ziet ze: lege, vervallen gebouwen. Overigens zie je ze in België ook, maar goed, het gaat om de kwantiteit. Leegstaande fabrieken, pompstations zonder dak en overwoekerd door onkruid, huizen zonder kozijnen waar bomen uitgroeien (dit is wel heel karakteristiek voor de Balkan; na de oorlog lijken er meer verlaten dan bewoonde huizen te zijn) en ga zo maar door. In Bosnië trof ik dorpen aan waar niemand meer woonde. Het is verleidelijk om daar gewoon tachtig te blijven rijden, ook omdat deze dorpen die zelden uit meer dan twintig huizen bestaan wel twee kilometer lang zijn als je de borden van de bebouwde kom mag geloven. Maar pas op: de Bosnische politie hecht veel waarde aan het matigen van de snelheid in spookdorpen.

Ik geef toe: deze lijst is verre van compleet. Maar mocht je ooit eens verkeren in een toestand van extreme desoriëntatie, pak hem er toch maar bij en kijk wat je om je heen ziet. Want tenzij je een extreem getrainde wijnproever bent, weet je dan in ieder geval of je je in Frankrijk of in Moldavië bevindt.

© Sjaak van Haaster – Tekstbureau de Taalformule

 

Achter de grenzen van de Europese Unie

De douanier veegt de slaap uit zijn betraande ogen terwijl hij op een sukkeldrafje naar zijn hok loopt waarvoor ik met geopend raam sta te wachten. Mijn paspoort en groene kaart rusten in mijn hand. Mijn arm hangt losjes over de rand van het portier van mijn auto. Links kijk ik tegen de bergwand aan, rechts ligt een enorme vallei die iets verderop uitmondt in de Adriatische Zee. Dit is de mooiste grensovergang waar ik ooit geweest ben.

De net ontwaakte ambtenaar verwacht duidelijk geen grensverkeer om vijf uur ’s ochtends. Ik ben dan ook de enige. Een rij auto’s zoals ik die gewoon ben bij grensposten, ontbreekt. Door het loket pakt de voormalige Joegoslaaf de documenten van me aan, zoekt de afkorting BIH op mijn groene kaart en plaatst een stempel in mijn paspoort. Hij geeft het zaakje aan me terug en loopt zijn hok weer uit. Mijn auto hoeft ie niet in te zien. Ik mag doorrijden. Twee minuten. Twee minuten om de Europese Unie uit te gaan. Dat heb ik nog nooit meegemaakt.

Achter de grenzen van de Europese unie ligt een andere wereld, meestal een armere wereld. De armere wereld waarin ik me nu bevind, heet Bosnië-Herzegovina, in de volksmond veelal kortweg Bosnië genoemd. Het land is zo prachtig als de naam die het draagt. Dat slaat echter vooral op de natuur. Het heeft de voorkeur om er als toerist te zijn en niet als inwoner. Elk jaar presenteren de Verenigde Naties de ‘Human Development Index’, een lijst die weergeeft hoe ontwikkeld de verschillende landen in de wereld zijn. De criteria die worden gehanteerd voor de totstandkoming van de lijst zijn levensverwachting, onderwijs en inkomen per hoofd van de bevolking. Bosnië neemt daarop de 81e plaats in en wordt voorgegaan door landen als Mexico, Albanië, Cuba en Brazilië. Corruptie is hier wijdverspreid en de toestand van de wegen is erbarmelijk.

Van de corruptie merk ik vooralsnog niets. Van de slechte wegen des te meer. Zolang je de hoofdwegen volgt is er weinig aan de hand, maar sla je een willekeurige zijweg in, dan is deze vaak onverhard of de gaten in het asfalt zijn niet te tellen. In Trebinje stop ik bij een pomp. Mijn tank zit nog voor een kwart vol, maar de tankstations liggen hier niet voor het oprapen en ik wil mijn geluk niet op de proef stellen.

Een jongeman zit verveeld op een klapstoeltje voor de pompwinkel. Ik vraag hem in het Engels of ik met een bankpas kan betalen. “I hope, because we have problems with electronics. Let’s try”,antwoordt hij in gebrekkig Engels. En wat als het apparaat niet werkt? “We find solution, don’t worry, this is good country.”

Het feit dat hij dat zo moet benadrukken verontrust me. En wat is anders de ‘solution’? Terwijl hij mijn tank tot het randje vol gooit, bid ik dat de stroom niet uitvalt.

© Sjaak van Haaster – Tekstbureau de Taalformule

20180706_121730

 

Een leuk verhaaltje

Ik zocht al een tijdje naar iets waar ik mezelf mee kon vermaken in de auto tijdens langere ritten. Aanvankelijk wilde ik mijn zeeën van tijd achter het stuur gebruiken voor het leren van Russische woorden, maar ik slaagde er niet in een app te vinden die me niet zodanig afleidde van de weg dat het onverantwoord was. Naar Russische hiphop luisteren helpt ook om mijn woordenschat uit te breiden, maar het aanbod daarvan is op Spotify beperkt. Bovendien wil ik voorkomen dat ik de eerstvolgende keer dat ik in Rusland ben alleen nog maar straattaal uitsla.

Opeens had ik het: luisterboeken! Een goede app was snel gevonden en een goed boek ook; ik begon met ‘De oorlog heeft geen vrouwengezicht’ van Svetlana Alexijevitsj. Maar liefst veertien uur luisterde ik naar gruwelverhalen van Russische vrouwen over stinkende lazaretten, krijsende mannen, rondslingerende ledematen en nijpende honger. Waarom ik dat soort boeken beluister? Geen idee. Waarschijnlijk ben ik net zo’n verdorven, op ellende belust mens als veel anderen. Maar daar gaat het nu even niet om.

Tijdens mijn studie geschiedenis leerde ik dat er een stroming in de geschiedschrijving is die het narrativisme wordt genoemd. Narrativisten zijn van mening dat historische gebeurtenissen op geen enkele manier waarheidsgetrouw te beschrijven zijn, omdat woorden nou eenmaal niet toereikend zijn. Simpel gesteld betekent dit dat geschiedschrijving niet meer is dan een leuk verhaaltje. Zo, heb ik toch even in een paar woorden mijn eigen vakgebied onderuit geschoffeld. Daar zijn woorden dan wel weer toereikend voor.

Het fijne van boeken is echter júíst dat ze onvolledig zijn. Omdat woorden immer tekort schieten, blijft er ruimte over voor fantasie, voor het creëren van een omgeving in je hoofd, voor het horen van stemmen en het inbeelden van gezichten. Terwijl ik de A12 afrijd, bevind ik mij mentaal meer op een slagveld in de Tweede Wereldoorlog of in een partizanenbos dan op welke plek ergens tussen Arnhem en Den Haag dan ook.

De beperkingen van taal zijn overigens niet het enige probleem bij de totstandkoming van verhalen. Een ander probleem is dat iedereen zijn eigen waarheid heeft. In het boek van Svetlana Alexijevitsj beschrijft de ene vrouw de Tweede Wereldoorlog als een vreselijke en traumatische ervaring, terwijl de ander het ziet als de gelukkigste periode van haar leven. Niet ieders waarheid kan in een verhaal verwerkt worden.

Toen ik acht jaar oud was, ging ik met mijn ouders en mijn grootouders naar een kerkdienst in Hillegom. Het was waarschijnlijk Pasen of Pinksteren. Een kalende en bebrilde pastoor droeg voor uit de bijbel. De man leek sprekend op iemand die ik kende van tv, maar ik wist niet wie en ik wist niet waarvan. Op een gegeven moment sprak de pastoor de woorden: “Toen ik in Jeruzalem was…” Verrek, dacht ik, het is Eddo Rosenthal, die journalist in Israël! Natuurlijk was de pastoor gewoon de pastoor. Ik maakte mijn eigen verhaal van de woorden van Jezus en het uiterlijk van de katholieke man, zoals alleen een kind dat kan. Maar het was wel mijn waarheid.

Ik ben inmiddels begonnen aan een nieuw luisterboek over de geschiedenis van Congo. Het duurt 27! uur. Heerlijk. Nog 14 uur te gaan. Waarheid of niet, het is in ieder geval een leuk verhaaltje.

© Sjaak van Haaster – Tekstbureau de Taalformule

Antropomorfismen

Als kind leed ik aan antropomorfisme. Het klinkt als een nare, lichamelijke kwaal. Dat is het niet. Het is iets psychisch, en niet eens een ziekte. Een antropomorfisme is de toekenning van een menselijke eigenschap aan een object. Taaltechnisch gezien leed ik er dus niet aan, maar creëerde ik deze zogenoemde antropomorfismen. Dat klinkt al minder dramatisch en dat is goed, want dramatisch was het geenszins. Sterker nog, in een zeker artikel las ik dat het een teken is van sociale intelligentie. Overigens doen vrijwel alle kinderen dit, dus het duidt helaas voor mij niet op een bijzondere vorm van sociale intelligentie.

Mijn bed lag vol met knuffels die ik als een soort haag opstelde rondom mijn kussen. Ze varieerden sterk in grootte. Ik was een groot fan van het spel ‘Stratego’. Mijn knuffels kregen dus geen namen, maar rangen. De grote knuffels waren sterk en dom, de kleine zwak, maar slim. Dat leek me een eerlijke verdeling van kwaliteiten ‒ al prefereer ik voor mezelf in het echte leven toch echt het laatste. Hoe kleiner de knuffel, hoe hoger de rang die ik aan hem/haar toekende. De kleinste, een beertje niet groter dan een centimeter of tien, gekleed in een afzichtelijk blauw truitje, was de maarschalk. Mijn vader had hem voor me gewonnen bij een schiettent op de kermis. Ik kon kiezen uit een rups met alle kleuren van de regenboog, een donzig eendje en het lelijke beertje. De rups was veruit het mooist, maar toen ik het beertje zag, voelde ik zo’n intens medelijden. Als ik hem nu niet koos, zou ie waarschijnlijk nooit gekozen worden. Dus nam ik het beertje mee. En het mormel werd niet alleen gekozen door mij, de lelijkerd werd later nog benoemd tot maarschalk ook.

Inmiddels ben ik volwassen en liggen er geen knuffels meer in mijn bed, alleen vrouwen. Of beter gezegd: vrouw, want het is tegenwoordig altijd dezelfde. Een grote knuffel waaraan ik zo veel menselijke eigenschappen kan toedichten als ik wil, zonder dat het een antropomorfisme wordt.

Maar ik ben ze niet helemaal kwijt, die antropomorfismen. Het beste voorbeeld daarvan is mijn auto. Als hij (het is een man, ik weet ook niet waarom) me weer eens zonder problemen heen en weer heeft gebracht naar Duitsland of Frankrijk ben ik trots op hem. Trots ja, je leest het goed. Trots op een stuk ijzer, blik, staal, rubber en wat vloeistoffen. Mijn auto heeft mij heel Europa laten zien. Van Engeland tot Moldavië en van Zweden tot Bosnië. Hij heeft me talloze keren een slaapplek verschaft, wanneer de voorbijtrekkende, witte strepen op het asfalt mijn al zware oogleden nog zwaarder maakten. Hij was de enige getuige van de gasfles die pal naast mij ontplofte aan een idyllisch meertje in Slovenië ‒ als de pan met kokend water de andere kant op was gevlogen, was ik voor de rest van mijn leven verminkt geweest. Hij haalde me daar weg en bracht me naar een hotel in Cividale del Friuli, waar ik in de sauna weer wat bij zinnen kwam.

Hij heeft me nooit in de steek gelaten, wat ik niet van alle mensen in mijn omgeving kan zeggen, die ik toch ook de nodige menselijke eigenschappen toedicht. Dan denk ik: wat is ie toch trouw, die auto van mij. Overigens is een hond trouw noemen ook een antropomorfisme. Een hond volgt instinctief zijn baas, de leider van de roedel, daar komt geen sprankje geweten of gevoel bij kijken. Een naam geven aan je geslachtsdeel is trouwens ook een antropomorfisme. Hier heb ik me gelukkig nooit toe laten verleiden (door wie zou je in godsnaam daartoe verleid worden?) en als het al zo was, dan zou ik dat zeker niet hier vertellen.

Op basis van het aantal kilometers dat hij heeft gereden, kan ik wel stellen dat mijn auto bejaard is. Gelukkig wordt hij gezond oud. Hij heeft geen kwalen, hooguit een kleine verkoudheid af en toe en wat ouderdomsvlekjes in zijn huid. Tot zijn tijd gekomen is, hoop ik dat onze relatie goed blijft en hij me niet (al te vaak) teleurstelt. En als zijn tijd gekomen is, wens ik hem een snelle en pijnloze dood toe. Maar ik zal erbij staan huilen. Dat weet ik nu al.

© Sjaak van Haaster – Tekstbureau de Taalformule

Margot

In de kathedraal van Augsburg stak ik een kaarsje op voor mijn oma, dat had ik al verteld. Wat ik nog niet had gezegd, is dat ik daar niet alleen was. In een kathedraal en niet alleen, dat moet wel een bijzondere ervaring zijn geweest. Iets bovenmenselijks, iets goddelijks. Maar nee, dat was het niet. De aanwezigheid van wat voor god dan ook heb ik in mijn leven sowieso nog nooit ervaren. Met de nabijheid van fijne mensen ben ik godzijdank wel bekend. Ik was met een vrouw. Een hele leuke vrouw zelfs. Een zeldzaam leuke vrouw durf ik wel te zeggen.

Op 9 november ontmoette ik haar voor het eerst. Exact 28 jaar daarvoor viel de Berlijnse muur. Het is daardoor een datum die ik makkelijk kan onthouden. Nog steeds zoek ik krampachtig naar symboliek achter deze toevalligheid, waardoor ik alleen maar verval in vreselijke cliché’s over samenkomen en verenigd worden die gruwelijk zijn en bovenal de lading van deze vanuit de mensheid bezien futiele gebeurtenis totaal niet dekken. Zoals woorden eigenlijk zelden in staat zijn om de lading van gevoelens en indrukken te dekken aangezien deze oneindig complex zijn, en woorden slechts woorden zijn.

Om bovenstaande reden ga ik dus niet proberen om alles uit te leggen. Bovendien is daar in een zo’n stukje niet genoeg ruimte voor; het moet toch enigszins leesbaar en vooral behapbaar blijven. Daarom ben ik genoodzaakt wat tijdsprongetjes te maken. De symboliek laat ik aan jou. Overigens geloof ik helemaal niet in symboliek. Maar ik weet ook niet of symboliek iets is waar je in kunt geloven. Of moet geloven. Of dat het er gewoon is. Nee, het is er niet gewoon want je moet het zelf zoeken of inzien en daar een betekenis aan geven. Ik dwaal af.

Goed, we waren dus samen in Augsburg. Ze had eigenlijk in Gent moeten zijn, maar besloot met mij mee te gaan. Ik moest voor werk naar Ansbach, Augsburg was de toegift. Om drie uur ’s ochtends leverde ik af, om half vier liepen we in de vrieskou om een hotel te dolen, op zoek naar een kastje waarmee we aan de hand van een cijfercode de deur konden ontgrendelen. Bij de hoofdingang betastten we alles wat redelijkerwijs voor codeslot door kon gaan, maar het bij nader inzien overduidelijk niet was. De code, die we op de heenweg telefonisch van een gebrekkig Engels sprekende, Duitse receptioniste hadden ontvangen, was gelukkig juist. Een paar dagen geleden kwamen we er aan de Normandische kust achter dat er bij een temperatuur van min zes onder twee winterdekens achter in mijn bus prima te slapen valt, maar toen wisten we dat nog niet.

De volgende dag dronken we glühwein op de kerstmarkt in Augsburg. Op de weg ernaartoe zat ik af te geven op kerstmarkten, zoals ik op zo veel dingen afgeef. “Als er een kerstmarkt is, rijd ik er op in”, zei ik cynisch refererend aan de terroristische aanslag in Berlijn. Ze lachte hard, zoals je lacht om een grap die eigenlijk niet gemaakt mag worden. Ik denk dat alle grappen gemaakt mogen worden, vooral als een mooie vrouw er zo hard om lacht.

In Nederland lag het treinverkeer stil. Dat gebeurt als het sneeuwt. In Duitsland sneeuwde het nog harder. Op de snelweg reden de auto’s niet harder dan zeventig. Wat een zegen: het maakte dat ik op weg naar huis de hele zondag samen met haar in de auto doorbracht op de witte Duitse wegen. Inmiddels hebben we al heel vaak hele dagen samen doorgebracht ‒wat natuurlijk een nog veel grotere zegen is‒ maar zondag 10 december was het begin. Waarvan dat het begin was, weet ik niet precies. Het proberen te omschrijven ontaardt onherroepelijk in cliché’s, maar zeggen dat er geen woorden voor zijn ís een cliché. Het begin van heel veel van van alles, dat lijkt me vaag genoeg om geen cliché te zijn.

En dit alles schrijf ik op in een rommelig quasi-hipstercafé in Rennes. Alles is van hout, geen twee stoelen hebben dezelfde kleur en regentonnen doen dienst als tafel. De wastafel op het toilet is verwerkt in de stortbak. Grappig, maar bijzonder onpraktisch. Ik zie twee mannen die elkaar begroeten met twee zoenen. Zouden Nederlandse mannen ook moeten doen. Of eigenlijk alle mannen.

Ondertussen wacht ik op haar. Ze neemt op mijn verzoek een broodje voor me mee. Ik kon hier geen eten krijgen, wel een Affligem blond. We zijn samen op vakantie, mocht dat nog niet duidelijk zijn. Zij werkt in het onderwijs en heeft voorjaarsvakantie, ik ben zelfstandige en ga op vakantie wanneer ik daar zin in heb. We begonnen onze trip bij mijn vrienden in Gent. Die bestemming sneuvelde aanvankelijk voor haar tijdens het Augsburg-weekend en moest nog ingelost worden ‒ of kan dat alleen met beloftes?

Twee dagen voor onze vakantie moet ik voor mijn werk wederom naar Ansbach. Zonder haar ditmaal. 1250 kilometer heen en terug. Om vijf uur ’s middags rijd ik weg. Om half zes ’s ochtends kom ik thuis. Bij haar thuis. Ik heb haar sleutel. Mijn sleutel eigenlijk, maar van haar huis. Zodra ik de sleutel in het slot van de voordeur steek, wordt ze wakker. Dat weet ik. Toch doe ik zachtjes. Niet om te proberen haar te laten slapen, maar om haar te laten zien dat ik bereid ben om moeite te doen om haar te laten slapen. Uitgeput kruip ik bij haar in bed. Haar warme lichaam omsluit het koude mijne.

© Sjaak van Haaster – Tekstbureau de Taalformule